Aan Nijntje voorbij

Illustratoren van kinderboeken kunnen wel ietsje meer waardering gebruiken. De Kinderboekenweek doet er wat aan. Door Pjotr van Lenteren

Deze Kinderboekenweek legt de Nederlandse boekhandel de illustrator in de watten. Dat mocht ook wel eens: de tekenaar komt er soms bekaaid af. Er is weinig professionele aandacht in de media, er is maar één jaarlijkse prijs die een beetje stiekem gegeven wordt en de subsidiepotten voor bijzondere projecten zijn schaars. Zijn vak wordt op verjaardagen 'leuk' genoemd.


Maar is die klacht over gebrekkige waardering terecht? Hebben onze illustratoren het écht zo slecht? Cijfermatig moet dat meevallen: onmiskenbaar zit het geïllustreerde boek als genre in de lift. Het aantal prentenboeken dat bij de Koninklijke Bibliotheek wordt gedeponeerd, is de afgelopen twintig jaar verdubbeld. De afgelopen tien jaar heeft zich een groot aantal frisse, jonge illustratoren aangediend, terwijl een aantal oudere geregeld tentoonstellingen heeft en voet aan de grond lijkt te krijgen in het buitenland.


Dus hoe reilt en zeilt die Nederlandse beroepstekenaar, doorgaans verscholen in zijn atelier? 'Ik lig er wel eens wakker van of er genoeg opdrachten binnenkomen', meldt Daan Remmerts de Vries (1962), medemaker van Stimmy, het prentenboek van de kinderboekenweek. 'Maar Nederland is een fijn land om in te werken. Er worden hier nog echt bijzondere projecten uitgegeven. Dat zie je buiten Nederland en Vlaanderen eigenlijk nergens. Maar ons land springt tegelijkertijd slordig om met kunstenaars: veel mensen vinden dat kunst die zichzelf niet kan betalen, ook niet hoeft te bestaan.'


Martijn van der Linden (1979), een van de meest gevraagde illustratoren van dit moment: 'Met schoolbezoeken erbij red ik het prima. Ik heb een gezin te onderhouden, dus voor een goed betalend commercieel nevenproject draai ik mijn hand niet om.' Van een gevoel van miskenning heeft hij geen last. Integendeel: 'Ik hoorde eens een oudere illustratrice vertellen over hoe zij haar rol in het kinderboek zag, ik vond dat een nogal ondergeschikte positie. Alsof illustraties alleen maar het verhaal dienen. Als ik het zou ervaren zoals zij dat beschreef, dan zou ik geen illustrator willen zijn.'


Volgens Jan Jutte (1953) is er nog steeds een goed inkomen 'bij elkaar te kleuren' mits je bereid bent heel hard te werken, ook buiten het illustratievak. Wel is hem, sinds hij een paar jaar in Amerika voor de Penguin Group werkt, iets eigenaardigs opgevallen.


Vervolg p3


Van ambacht naar kunstvorm

Vervolg van p1


'In New York ben je een hele pief als je van de pen leeft, daar ontmoet je tijdens een diner een grote advocaat, die je meedeelt dat hij het liefst gedichten schrijft en een ander met een gelijkwaardige baan, vertelt je dat hij heel graag van schilderen zou leven. Over tekenen wordt dus niet meewarig gesproken, zoals in Nederland.'


Toch klinkt in de stemmen van de naoorlogse generatie vooral zelfvertrouwen door. Wie naar de grote lijnen kijkt, ziet vooruitgang. Vijftig jaar geleden stond de illustrator vaak niet eens op het omslag vermeld. Hij kreeg een vergoeding per opdracht, waarna het werk verdween in de kelders van de uitgeverij. Vandaag de dag lijken illustratoren steeds meer op schrijvers: ze zijn mede-auteur en strijken royalty's op. Met de voor-, maar ook nadelen van het moderne, kortademige boekenvak.


Als kers op de taart verschijnt deze kinderboekenweek het monumentale Tekenaars - Kinderboekenillustratoren geportretteerd van publiciste en recensente Joukje Akveld. Zij legde werk en leven van negentien illustratoren naast elkaar, van de 85-jarige Mance Post tot de 31-jarige Martijn van der Linden.


'De oudsten noemen het tekenen een ambacht, de jongsten vinden het een kunstvorm. Het zelfvertrouwen is veranderd. Maar jong en oud moeten er nog steeds dingen naast doen om te overleven. In de jaren vijftig en zestig tekenden ze nog veel voor kranten, die daar toen nog grote budgetten voor hadden. De jongeren doen er nu commerciële dingen naast of maken decors in het theater.'


Dat geldt overigens voor alle creatieve beroepen, relativeert Akveld. 'Maar ze komen echt nog wel wat waardering tekort. Het gaat beter, maar niet voldoende. Er wordt soms over hun werk gepraat alsof het om het schattige kleine broertje van de schilderkunst gaat. Hopelijk verandert dit boek dat beeld.'


Ook het buitenland moet om. Sinds dit jaar toert de tentoonstelling An Elephant Came By de wereld rond. In de begeleidende catalogus legt dichter, beeldend kunstenaar en kinderboekenkenner Ted van Lieshout uit hoe gevarieerd de Nederlandse illustratiekunst is: 'Een buitenlandse illustrator kun je makkelijk op laten gaan in de Nederlandse illustratiecultuur zonder dat iemand het merkt.'


Dat blijkt wel, tijdens een bezoekje aan een willekeurige kinderboekenafdeling van een plaatselijke boekhandel. Sterker nog: bijna alle 'eversellers' op de planken komen uit het buitenland: Rupsje Nooitgenoeg (Eric Carle), het kitscherige De mooiste vis van de zee (Marcus Pfister) en het zachtzoete Wij gaan op berenjacht (Helen Oxenbury), om er een paar te noemen. Er is er eigenlijk maar één die de hele wereld aankan wat verkoopcijfers én waardering betreft en dat is Nijntje van Dick Bruna - internationaal beter bekend als Miffy.


Dus hoe moet dat dan andersom, in het buitenland? Volgens Agnes Vogt, die namens het Nederlands Letterenfonds kinderboeken in het buitenland promoot, ligt die combinatie van hoge kwaliteit en sterk wisselend verkoopsucces aan de geringe marketingmogelijkheden van de meeste auteurs. 'Nijntje en Kikker van Max Velthuijs, die het ook erg goed doet, zijn allebei wat we in marketingtermen herkenbare 'characters' noemen. Veel illustratoren willen helemaal niet zo werken, die willen elke keer wat anders doen.' Dat kan overigens ook wel eens werken: Waar is de taart van Thé Tjong-Khing verkocht volgens diens uitgever wereldwijd 150 duizend exemplaren.


Volgens Vogt is een gedeelde eigenschap van de Nederlandse illustratoren een laag Disney-gehalte. 'Als je in Italië en Griekenland in de winkels kijkt, dan zie je daar veel zoetsappige en commerciële kinderboeken. Als je daar niet aan meedoet, kom je zulke culturen nauwelijks binnen. Maar we hebben zeker wel succes met een aantal van onze andere illustratoren, zoals Annemarie van Haeringen.'


Saskia de Bodt, bijzonder hoogleraar Illustratie aan de Universiteit van Amsterdam, vindt dat de Nederlandse illustrator van hoog niveau is, maar zich artistiek te weinig onderscheidt. 'Typisch Nederlands is een opvallende helderheid, lichte achtergrond, realistisch en bloedserieus. Er is wel humor, maar weinig zelfrelativering. Daar moet je van houden en dat doen ze in sommige andere landen ook. Maar om het écht te maken, moet je meer hebben: een onmiskenbaar eigen stijl. Elk land heeft zijn eigen snelle tekenaars, zoals Jan Jutte en Philip Hopman. Daar kom je als Nederlander dan niet tussen.'


Toen ze Tekenaars van Joukje Akveld van voor naar achter doorbladerde, schrok ze een beetje. 'Wat lijken al die illustratoren op elkaar, als je ze van een afstandje en achter elkaar bekijkt! Joke van Leeuwen herken je, Thé Tjong-Khing, Harrie Geelen, Wim Hofman, Annemarie van Haeringen. Maar het werk van Jan Jutte, Sieb Posthuma en Philip Hopman, komt allemaal een beetje uit dezelfde school. Je kunt ze niet echt uit elkaar houden. Ook voor Inge en Dieter Schubert, Charlotte Dematons en Martijn van der Linden geldt dat. Ik houd van hun werk, maar ze hebben niet een echt karakteristieke stijl.'


Volgens De Bodt komt het door de Nederlandse schilderkunst: driehonderd jaar wolkenluchten en landschappen. 'In Vlaanderen hebben ze een sterke surrealistische traditie en dat merk je: het werk is vrijer, gedurfder. In Frankrijk en Italië wordt de kunstgeschiedenis er op school met de paplepel ingegoten. Daar vinden ze Nederlands werk te simpel en te schools.'


Maar gezegd moet worden: met die aandacht en waardering komt het in eigen land de laatste jaren wel goed. 'Het is allemaal zo veel minder geweest. Ik hoop wel dat er nu niet ineens een elitaire sfeer komt onder dat groepje illustratoren dat nu in de belangstelling staat. Ik houd wel van die hardwerkende, ouderwetse illustrator die tekent voor wie hem of haar maar wil. Met beide benen op de aarde: de ene dag een kinderboek, de andere de Palestijnenkwestie voor de Volkskrant.


'De illustrator van vandaag lijkt soms het liefst alleen, ongestoord, op een eilandje mooie dingetjes te willen maken, met daarna een beschaafd applausje. Dan denk ik: ammehoela.'


Meer over