Aan feestboeketten en weglopers geen gebrek

In het jaar Nul, 1899, begon Willem Mengelberg bij het Concertgebouworkest - met 450 zangers - aan een Matthäustraditie die in het hele land navolging kreeg....

METEN WE de beschaving van een land af aan het niveau en de omvang van zijn Bachpassionencultuur, wat in principe natuurlijk heel goed kan, dan werd Nederland tot honderd jaar geleden bewoond door laagveenkabouters en bosjesmannen.

Petrus, de geplaagde discipel die Hem liet barsten toen hij in het uur der waarheid ontkende dat hij tot Zijn volgelingen hoorde, zag de trieste voorspelling van zijn verraad al voor het derde kraaien van de haan in vervulling gaan. 'Er ging hinaus und weinte bitterlich', zingt de Evangelist in Bachs Matthäus Passion.

Het publiek in de Amsterdamse Parkzaal wist het te waarderen: stormachtig applaus. De dankbare tenor antwoordde met drie buigingen. De violist Willem Kes vertolkte bij die uitvoering in 1878 de solopartij bij de alt-aria Erbarme dich. Het liep dermate gesmeerd dat Kes (hij zou later dirigent worden van het Concertgebouworkest) het gepast vond door de gelederen van koor en orkest heen te kruipen, om met de zangeres in de bijval te delen.

Het koraal O Haupt voll Blut und Wunden werd wegens algemeen enthousiasme gebisseerd. Aan feestboeketten geen gebrek - schreef de jonge Bachliefhebber Julius Röntgen in een verbaasde brief aan zijn familie in Duitsland.

Dirigent was de componist Johannes Verhulst - baas van het Toonkunstkoor Amsterdam en van de orkesten van Felix Meritis en de Maatschappij Caecilia. Een paar jaar eerder verloren Matthäusbezoekers bij dezelfde Verhulst nog hun geduld. Menigeen zocht voortijdig de garderobe op, ondanks draconische inkortingen van het werk, en ondanks het verschijnen van een vertaling van de bekende dichter en medicus Jan Pieter Heije (auteur van onder andere 'Een karretje dat op de zandweg reed'). Tijdens het slotkoor Wir setzen uns mit Tränen nieder schijnt Verhulst zich te hebben omgedraaid om weglopers met tranen in de stem toe te roepen: 'Menschen wat doene jullie nou, nou loopen jullie weg bij het mooiste keur dat er ooit geschreven is.'

De Matthäus Passion, Honderd jaar Passietraditie van het Koninklijk Concertgebouworkest, heet het boek waarmee het Concertgebouworkest luister bijzet aan de viering van wat het (niet ten onrechte) beschouwt als een soort jaar Nul in het vaderlandse muziekleven. 1899 was het jaar waarin Willem Mengelberg bij het Concertgebouworkest aan een Matthäustraditie begon die hij bijna een halve eeuw zou voortzetten, die in het hele land navolging kreeg, en tot de dag van vandaag zou standhouden.

Zij het, dat de Matthäus sinds '75 om het jaar Johannes ging heten, en dat de gedaante waarin het werk zich voordoet tegenwoordig anders is dan de mammoetproporties waarin het tot klinken kwam in 1939, het jaar waarin de AVRO-radio een Mengelberg-Matthäus opnam.

Fragmenten van die uitvoering - die in tempokeus en massaliteit van bezetting niet sterk schijnt te hebben afgeweken van vroegere Mengelberguitvoeringen - staan op de bijgeleverde cd. Samen met fragmenten onder leiding van Van Beinum, Eugen Jochum en Nikolaus Harnoncourt. En met het slotkoor en het koraal O Haupt voll Blut und Wunden, waarmee Chailly een voorschot neemt op zijn Amsterdamse Matthäus van volgende week. Vijftien auteurs droegen bij aan het boek.

Ontroerend genoeg werd de Matthäus ook al 'grootsch' gevonden in Rotterdam anno 1870 - zeg: het jaar 29 voor Mengelberg. Johan Giskes, vroeger musicus van het Concertgebouworkest maar nu archivaris van het Amsterdams Gemeentearchief, brengt die Nederlandse première in beeld in een prachtig hoofdstuk over de vroege stadia van de Nederlandse Matthäuscultuur. Dat die cultuur als het ware bij Lobith ons land binnen kwam, om zich bij Pannerden te splitsen in invloeden uit de Domstad Keulen (waar Mengelberg zijn Bachpassie ontwikkelde) en de Bachstad Leipzig (waar Verhulst studeerde), is een conclusie die we de nauwgezet formulerende Giskes niet gauw zullen zien opschrijven, maar die de lezer zelf mag trekken.

De Hollandse Matthäuscultuur ontstond in navolging van de revival die Felix Mendelssohn in 1829 inzette met een groot bezette en sterk gecoupeerde uitvoering in Berlijn. Verhulst studeerde in Leipzig bij Mendelssohn. De Duitser Bargiel, die de Nederlandse première in Rotterdam dirigeerde, kwam ook uit Leipzig. Mengelberg, twee generaties jonger, vroeg jaren na zijn benoeming in Amsterdam nog om adviezen in Keulen.

Sympathie met hen die de Matthäus herkenden als 'het meest grootsche en bewonderenswaardige op het gansche gebied der toonkunst', mag hier allicht samengaan met bewondering voor het eindeloze geknutsel en geschipper dat men zich getroostte, waar het ging om stembezettingen, speelmanieren, instrumentkeuzes, fraseringen, versieringspraktijken. Kortom, om alles wat ook vandaag een rol speelt, maar waarvan menig facet in de terugblik extreem en waanzinnig schijnt. Continuospel: men neme een piano, een harmonium. Een Reuzenorgel. Een spijkerkist. Oboi da caccia: klarinetten dus. Jongenskoor: meisjes plus trompetten. Mengelbergs eerste Matthäus: 450 zangers.

Lastiger wordt het met de bewondering, als bombast en bedilzucht je klinkenderwijs tegemoet beginnen te waaien, zoals in de Mengelbergopname uit 1939.

De musicoloog Rudolf Mengelberg wijdde in 1917 een artikel aan de noodzaak van muzikaal priesterschap, van een 'rijke verbeelding' van de vertolker. Maar juist in die periode verrezen tegenover Mengelbergs tempowillekeur en opblaasmanie allerlei nieuwe Bach-inzichten, waarna in 1926 een heel ander jaar Nul aanving toen elders de eerste 'complete' Matthäus weerklonk (onder leiding van Evert Cornelis). Bij die ontwikkeling verbleekt de Mengelbergopname uit '39 tot een document van zelfvoldaanheid en coupeerdrift.

De lijst van geschrapte nummers is even verbluffend als de wetenschap dat de dirigent de meeste van die aria's, koren en recitatieven verder ook helemaal onaangeroerd heeft gelaten, en er aan de studietafel nooit meer een potlood overheen heeft laten gaan. Getuige een waardevolle bijdrage van Frits Zwart en Clemens Romijn over de aantekeningen in Mengelbergs Matthäus-exemplaren.

Graag hadden we ook gelezen over de Petrusbeschouwing van Mengelbergs vader, handelaar in heiligenbeelden; over de populariteit van de Matthäus in het licht van de moderne ontkerkelijking; en over de geduchte Pauline de Haan-Manifarges (Erbarme dich), om niet te spreken van de onvervangbare Aaltje Noordewier-Reddingius (Blute nur).

Maar je leest wel degelijk dat Haitink nooit de Matthäus dirigeerde, omdat hij dat liever aan 'specialisten' (Harnoncourt) overliet; dat Harnoncourt kwaad was toen zijn opname uit 1985 in de handel werd gebracht (het was een van zijn beste uitvoeringen). Je leest over Bachs manuscript, over de vroege uitgaven, en over de Matthäussen van de Nederlandse Bachvereniging.

En over Mengelbergs verwantschap met de ideeën van de architect Cuypers. Bekend van het Rijksmuseum en menig katholiek kerkgebouw. Schepper en herschepper. Fantasie-ontwerper van de historie.

Meer over