Aan een roze touw over een tapijt van ijs

'Zijn jullie gezond?', vraagt de berggids. We knikken. 'Heeft iedereen aan zijn medicijnen gedacht?'


We lachen - leuk geprobeerd, gids.


Hij complimenteert zijn groep met de mooie, kleine rugzakken. 'De meeste Hollanders nemen heel grote mee, met eten voor een week en een koffiezetter. Wahnsinn. In de berghutten wordt voor alles gezorgd.'


Patrick Ribis (29) begeleidt groepen van maximaal vijf man tijdens meerdaagse trektochten over gletsjers in de Oostenrijkse Alpen. De Lübecker Hohenweg, over bergkammen en -toppen, is verreweg de mooiste route, had de berggids annex kliminstructeur gezegd. We volgen we hem over rotsen en stenen, door groene weiden langs geiten, schapen en koeien met koperen bellen om hun nek, in straf tempo omhoog tot waar de alpenweiden in grote sneeuwvlaktes overgaan.


Bij een smaragdgroen bergmeer, dat onverklaarbaar 'Blaue Lache' heet, bindt de gids zijn volgers aaneen met een lang roze touw dat hij aan alle gordels haakt. Er zitten grote afstanden tussen de lopers, en het touw mag slechts met een lengte van maximaal anderhalve meter over de grond slepen, zegt hij. 'Hou het strak. Als iemand in een gletsjerspleet wegzakt, stort 'ie niet gelijk de diepte in.'


Patrick wijst naar de bergwand rond het groene meer. Zijn vinger volgt een lange, ingesleten rand die de wand over tientallen meters tekent. 'Zien jullie dat?', vraagt hij. 'Zo hoog reikte de gletsjer rond 1900, toen de bergbewoners hun vlees nog buiten in het ijs koelden. En toen ik een kleine jongen was, liep het ijs helemaal door tot aan de Sulzenau Hütte beneden. Dat is het bewijs dat de temperatuur op aarde stijgt.' We constateren zwijgend dat de gletsjer in ruim een eeuw een paar honderd meter in lengte en zo'n zeventig meter in dikte is geslonken.


De gids vertelt alles over het klimaat, verschillende ijslagen, permafrost en de flora en fauna in het gebied. De sneeuw knerpt onder de bergschoenen en fonkelt in de felle zon. Urenlang lopen we over een breed tapijt van ijs, omringd door alpentoppen die uit de sneeuw steken als kaarsen op een grote slagroomtaart. Water sijpelt door de ijsspleten, wind giert over de toppen, piepende adem van de ijle lucht snijdt door vermoeide kelen. Soms zakt een van de wandelaars plotseling tot aan zijn oksels weg in een besneeuwde spleet. Het touw spant, de groep schrikt, maar steeds lukt het zonder hulp eruit te klimmen. Her en der liggen bevroren muggen en spinnen op het ijs. Plotseling rent in de verte een reebok over de kale, vuilwitte ijsvlakte. 'We moeten sneller', roept gids Patrick, die voorop loopt. 'Het weer verandert. Er komt onweer aan.'


De gletsjer eindigt bij een roestbruine bergkam op meer dan 3.000 meter hoogte. Erachter hangt een dreigende, mistige onweerswolk. Aan de bergwand is een staalkabel bevestigd - we moeten klimmen. Patrick herschikt het touw, maakt de afstanden tussen de klimmers fors korter, en stroopt zijn mouwen op: 'Dit gebeurt als jullie niet naar me luisteren.' Grote littekens ontsieren zijn onderarmen van pols tot elleboog. Hij werd ooit meegesleurd toen toeristen meters lager van een hellinkje sprongen, terwijl hun touw nog aan de gids zat verankerd. Hij stortte tien meter naar beneden. 'Geen grappen', waarschuwt hij.


De gids haalt een gps-ontvanger uit zijn rugzak en stopt die in zijn jaszak om hem snel bij de hand te hebben als de mist te dicht wordt. Hij trekt zijn gasten aan het touw omhoog op plaatsen waar de steile wand geen houvast biedt. Af en toe glijdt een steen weg, die in zijn val meerdere stenen naar beneden duwt. Nooit geweten dat Alpentoppen zulke kwetsbare opeenstapelingen van losliggende rotsblokken, steen en gruis zijn. Een wonder dat de harde wind ze niet omverblaast. Miljoenen jaren van wind en erosie hebben hun sporen hier nadrukkelijk achtergelaten.


Het smalle, stenen pad, dat nauwelijks een pad mag heten, loopt over de puntige kam steil omhoog. Het vrije uitzicht aan weerszijden is adembenemend, we wanen ons in een wolkenpaleis. De lucht wordt kouder en ijler. De groep passeert een vervallen douanehuisje op de grens met Italië, en een metershoog, stalen kruis dat in de rotsen met staaldraad is verankerd. Het herinnert aan bergklimmers die in deze streek, rond het Stubaital, zijn verongelukt.


De bergkam eindigt in een gletsjer die tientallen meters naar beneden loopt. Verder doorgaan is onmogelijk - het is te steil; we trekken regenbroeken aan en glijden vijftig, zestig meter als gillende kleuters op onze kont over besneeuwd ijs naar beneden. Halverwege de glijbaan houdt de mistige wolk plotseling op en suizen we in de stralende zon naar de lagergelegen ijsvlakte. Recht voor ons, hoog oprijzend uit het Italiaanse dal, staat op een eenzame bergtop het Becherhaus, een gracieuze, meer dan een eeuw oude, houten hut.Hoe is die daar in godsnaam gekomen, boven op die bergpunt? Gewoon door mensenhanden gebouwd, zal pachter Erich Pichler een uur later vertellen op het zonnige terras met een uitzicht van 360 graden. 'Van hout en steen dat door bergklimmers stukje voor stukje naar boven is meegebracht. Meer dan 24 ton bouwmateriaal is hier naar boven gedragen. Welkom op het dak van Europa, met het mooiste uitzicht van het westelijk halfrond.'


Na twee dagen lopen hebben we de plek bereikt waarvan wordt gezegd dat je hier eens in je leven de zonsop- en ondergang moet hebben gezien. De Zwitserse bergen, de Julische Alpen en de Dolomieten liggen als een reliëfkaart rondom ons uitgestrekt. De toppen lijken klein en dichtbij. Dat is de Wilder Freiger, daar staat de Botzer, daar ligt de Müllerhütte, daarachter schurkt het Italiaanse Ridnauntal.


Het Becherhaus is een van de oudste en hoogste hutten voor bergsporters in de Alpen. Hij werd in 1894 op 3.195 meter hoogte gebouwd als eerbetoon aan keizerin Sissi van Oostenrijk-Hongarije, naar wie de hut in eerste instantie was vernoemd, het Kaiserin Elisabeth Schutzhaus. Boven de deur van de gastenruimte hangt haar afbeelding in gips, met de tekst 'Unvergessen'- ze stierf enkele weken voor haar geplande klim naar de hut aan de gevolgen van een aanslag door een anarchist.


Voor de toegangsdeur van het Becherhaus, nu vernoemd naar een van de eerste eigenaren, staat een rij doorweekte bergschoenen te drogen in de zon, over de reling hangt een trits natte sokken. Binnen bij het haardvuur wordt Engels, Italiaans en Duits met een Oostenrijkse tongval gesproken.


De meeste berghutten worden van stroom voorzien door kleine waterkrachtcentrales en zonnecellen. Maar deze, de hoogste, wordt volledig met een helikopter bevoorraad, die hele gastanks in-, en alle afval steeds mee terugvliegt.


'Het grootste probleem van de huttentrektochten is dat veel mensen een slaapplaats reserveren en dan niet komen opdagen', zegt beheerder Erich Pichler. 'Een hutmanager koopt proviand in, maar als de weersomstandigheden tegenvallen besluit 60 procent van de klimmers niet te gaan, waardoor de manager de helft kan weggooien. Daar zijn al verschillende pachters failliet door gegaan.'


's Nachts is het er ijskoud en doodstil. Om vijf uur 's ochtends verzamelen alle bezoekers zich met sjaals en mutsen op het terras om de zonsopgang met hun camera's vast te leggen. De gids had niet overdreven; witbesneeuwde bergen kunnen echt pimpelpaars kleuren in de ochtendzon. Roofvogels hebben een oranje gloed over hun veren. Wolken deinzen uiteen als de zon achter de bergen omhoogkomt. Schaduwen worden langer en plotseling baadt alles in goud licht.


Op weg naar het dal, een afdaling van 2.000 meter die zal leiden tot drie dagen hevige pijn in de knieën, zweven de adelaars een stukje mee. Het is gelukt; we hebben het mooiste uitzicht van Europa gezien. En we beloven onszelf dat het niet bij die ene keer zal blijven.


Meer over