A.L. Snijders

Een bundel als een jongensclub waarin je je soms opgenomen voelt.

A.L. Snijders: Wapenbroeders

AFdH uitgevers; 287 pagina's; euro 15,-.

'Een kassameisje ging achter een jongen aan die de winkel uit rende zonder te betalen. Ze kreeg hem te pakken. Gepeupel wilde de jongen schoppen en slaan - de tijdgeest. Zij liet dit niet toe, ze verdedigde hem, met succes.'

Incident van ruim een jaar geleden bij Albert Heijn in Amsterdam. Getuige was de zoon van A.L. Snijders. Hij vertelt erover aan zijn vader via de telefoon: 'Ik zei haar dat ze rechten moest gaan studeren. Gisteren sprak ze me aan, ze had zich laten inschrijven bij de universiteit, rechten. Hoe vind je dat, goed verhaal, hè?'

Prachtig verhaal, maar volgens Snijders zou het nog mooier zijn als het meisje van buitenlandse origine zou zijn geweest. Waarop zoon reageert: 'Dat was ze.'

Dit pareltje werd de uitvinder van het zeer korte verhaal in de schoot geworpen. Zomaar. Hoefde hij niks meer aan te doen, behalve dan goed op te schrijven. Juist daarin is de schrijver, aan wie in 2010 de Constantijn Huygens-prijs werd toegekend, tamelijk bedreven. Snijders schrijft strak sobere zinnen in stoer proza. Het roept associaties op met brede schouders, machines, gereedschap en ruikt het ene moment haast naar carbolineum. En het volgende naar bos.

Wapenbroeders heet deze zevende verzameling, die bestaat uit 131 zeer korte verhalen. Snijders schreef ze in 2012. Het boek is fraai vormgegeven, en voorzien van beeldmateriaal. De kunstenaar Roland Sips (1954-2012) leverde 12 pages, zoals Sips de beelden van galgjes, schommels en wanten in desolate landschappen noemde. Schrijver en kunstenaar waren bevriend. Wat Snijders over hun vriendschap schrijft, spreekt tot de verbeelding: 'Roland kwam soms langs op weg van Enschede naar Dieren. Ik keek naar een voetbalwedstrijd, hij ging naast het toestel zitten en keek naar mij terwijl ik naar het beeld keek. We zeiden niks.'

Allicht niet.

Waarover schrijft Snijders nog meer? Over zijn kleinzoon, die zijn aandacht op de grond richt, graag takjes in de aarde steekt, terwijl de schrijver zelf de blik juist naar boven richt en daar in het bos, hoog in een boom, een man in de weer ziet met een motorzaag. De man zit vast aan allerhande klimgerei waardoor het lijkt alsof hij vleugels heeft. Een grote engel.

We lezen over bijna vergeten dichters en schrijvers als Jan Kal en Nico Scheepmaker. Over Hugo Brandt Corstius, door Snijders steevast aangeduid met 'de wiskundige schrijver' en over de jonge Maartje Wortel, met wie Snijders bevriend raakte nadat ze aan elkaar gekoppeld waren voor een optreden. Het gaat over Tommy Wieringa, de man die over autonome vliegtuigbouw schreef in Joe Speedboot (2005), en over hun gemeenschappelijke vriend kunstenaar-schrijver Joost Conijn, een soevereine geest die eigenhandig een vliegtuig in elkaar knutselde. Onmiskenbaar zijn zij Snijders' geestverwanten; dezelfde fascinaties en liefhebberijen. Dat maakt Wapenbroeders tot een jongensclub waarin je je bij vlagen opgenomen voelt.

Toch zijn er ook momenten waarop je achtergelaten wordt. Bijvoorbeeld wanneer Snijders schrijft over een man in een scootmobiel. De schrijver fietst, wil hem inhalen. Eer het zover is, is het voertuig te water geraakt. De man ligt langs de oever, zijn been raar geknakt. Snijders probeert te helpen. Hij raakt het been aan. 't Voelt vreemd. 'Het is een kunstbeen,' zegt een omstander, waarop Snijders loslaat.

Wanneer er meer hulp arriveert, gaat Snijders ervandoor. Abrupt eindigt het verhaal. Ontgoocheld blijf je zitten met de flarden van deze geschiedenis. Hoe gaat het verder?

De vorm van het zkv is onverbiddelijk.

undefined

Meer over