327 Central Park West

De afgelopen decennia is New York opgestaan uit de goot. Jan Tromp beziet de stad vanuit zijn appartement aan 327 Central Park West....

Jan Tromp

De auteur Calvin Trillin was begin jaren tachtig een bezienswaardigheid in New York. Trillin verscheen in de stad met zijn modelgezin: vader, moeder, twee kinderen. Kinderen? Gezinnen?

Tegenwoordig telt Manhattan bijna zoveel kinderen als eekhoorns.

Adam Gopnik, verbonden aan het fameuze weekblad The New Yorker, was een aantal jaren weggeweest; hij en zijn gezin leefden in Parijs.

‘Het was bijna komisch’, schreef hij over de terugkeer, ‘New York was weer een kinderstad geworden, met kinderkapsalons waar eens sexshops waren; kale cafés waren omgetoverd in speelzalen.’

Het is alweer een half mensenleven geleden en ook is het waar dat de tijd niet stil staat, maar toch: wanneer je nu door de stad gaat, is het vreemd je te realiseren dat New York tot eind jaren zeventig een rovershol was, een uitgewoonde hotelkamer, voor nette mensen een plek om te mijden.

Manhattan was nog niet de vermakelijke verzameling neuroses van welopgevoede intellectuelen waarmee Woody Allen zijn liefde voor de stad en diens inwoners tot uitdrukking bracht.

Manhattan was destijds meer als in Cruising uit 1980: New York als een stad voor leather boys en SM-clubs.

In de jaren zeventig holde de stad achteruit. De scheepvaart vertrok naar andere havens, Pier 48 aan de westelijke rand van Greenwich Village werd een geliefd trefpunt voor seks, ’s nachts en overdag. The Tunnel of Love werd de plek genoemd. Het rook er ondraaglijk naar pis, maar omdat opwinding sterker is dan stank, was het er altijd druk.

De ondergrondse, dat prachtige, wijdvertakte stelsel van verbindingen, ging naar de knoppen. Er was geen geld voor onderhoud. Vandalisme en geweld hadden de overhand.

Aan Times Square – met al dat lawaai en al die lichtbakken nog altijd geen genoegen – kon je beter snel voorbijgaan in de jaren zeventig. Het was er een geile en gewelddadige bende, het thuis van hoeren, pooiers en drugshandelaars.

Aan het begin van de 20ste eeuw was de Lower East Side volgestroomd met immigranten. Om hun eerste opvang te regelen, waren woonkazernes neergezet. Kwantiteit was van aanzienlijk groter belang dan kwaliteit. Toen het verval inzette, lieten veel eigenaars hun woningen domweg in de steek. De Lower East Side viel in handen van straatbendes. In Harlem, de zwarte wijk in het noorden van Manhattan, was de toestand vergelijkbaar, alleen erger.

Vuil, gevaarlijk en berooid was New York in de jaren zeventig. De stad verkeerde in een diepe depressie.

De kroon spande de South Bronx. Dat was een stadsdeel waar de brandweer geen snipperdagen kende. In 1977 kwam Jimmy Carter er op bezoek, de toenmalige president van de VS. Hij had gevraagd hem niet te sparen. Daarop brachten ze hem naar Charlotte Street. Carter sprak na afloop van ‘the worst slum ever seen’. Hij vergeleek het met Dresden, na het bombardement.

Ga er nu kijken en wandel net als Carter destijds van Charlotte Street naar Boston Road en zie de houten bungalows met hun doodsaaie voortuintjes, de aangeharkte plantsoenen.

‘Change is the everlasting story of New York City’, schreef de New York Times in een reportage over de metamorfose.

Op Manhattan lagen in de jaren zeventig Soho – South of Houston Street – en het naastgelegen Tribeca – Triangle Below Canal (Street) – er verlaten en verwaarloosd bij. De kledingateliers waren vertrokken, veel stond leeg. Het voordeel was dat je er bijna voor niets kon wonen. Andy Warhol kwam erop af en Lou Reed met zijn Velvet Underground.

Ook John Lennon koos voor New York, al ging hij in Dakota Building wonen, aan Central Park West en leidde hij, anders dan Warhol, een nogal teruggetrokken leven.

Het opkrabbelen ging langzaam, doch gestaag. Het herstel kwam niet in de laatste plaats van kunstenaars. De lofts, de uitzonderlijke hoge vertrekken in voormalige kleding- en andersoortige fabrieken, waren een ideale werkplek voor schilders en beeldhouwers: een overvloed aan licht, voor heel weinig geld.

Burgemeester Ed Koch verklaarde: ‘Kunstenaars zijn als mierenhopen. Ze veranderen alles – in dit geval ten goede.’

Twintig jaar lang was Soho het Bohemia van New York. Het hield stand totdat enerzijds de aids toesloeg en anderzijds het grote geld oprukte en projectontwikkelaars ontdekten hoe profijtelijk het was de lofts om te bouwen tot appartementen voor de happy few.

De kunstenaars werden verdreven en hetzelfde lot trof menig galerie. Deze verhuisden van Soho dat dichtbij de subwayverbindingen ligt naar Chelsea, een enigszins nondescripte wijk langs de Hudson. Nu zijn daar alle grote galeries van de stad gevestigd, dikwijls in prachtige semi-industriële panden.

Veel van de kunstenaars vertrokken naar de overkant van East River, naar Williamsburg in Brooklyn. Het was een oude wijk met leegstaande bedrijfspanden. In de woonhuizen leefden voornamelijk orthodoxe joden.

De geschiedenis van Soho herhaalt zich in Williamsburg.

Neem op Grand Central Station de L-train naar Brooklyn, stap uit bij Bedford Avenue en verbaas je over het hippe volkje op straat, de galeries, de cafés en restaurants. De nieuwe rijken hebben het ook ontdekt. Het maakt dat Williamsburg als woonoord in rap tempo onbetaalbaar wordt, in de eerste plaats voor de kunstenaars die erheen trokken. Typisch New York.

Het gaat goed met New York. De stad telt acht miljoen inwoners. In 2030 zal New York negen miljoen inwoners tellen. De misdaadcijfers zijn lager dan ooit. Natuurlijk kent de stad geweld en bijbehorende ellende, maar niet meer in die hemeltergende mate die grote delen van de stad berucht maakte. In de jaren zeventig en tachtig waren 1500, bijna tweeduizend moorden per jaar heel gewoon. In 1990 – de stad was in de greep van de crack – was er een piek van 2245 moorden. Nadien is een spectaculaire daling ingezet, tot 494 in 2007.

Tot aan het uitbreken van de kredietcrisis, eind 2008, floreerde de economie van de stad. De werkloosheid is in lange tijd niet zo gering geweest. De straten zijn schoon. Als het meezit komt er eindelijk een tweede lijn van de subway aan de eastside van Manhattan.

Het tijdschrift New York Magazine brengt al een paar jaar tegen het einde van december een dubbeldik nummer: ‘Reasons to love New York (right now)’. In een redactionele begeleidende tekst staat: ‘New York staat bovenaan onze lijst van de beste steden ter Aarde (better luck next year, Boston).’

Als New York zich bedreigd moet weten, is het door het omgekeerde van de toestand van dertig jaar geleden, toen het uitschot de stad in bezit had. Nu dreigt Manhattan het exclusieve domein te worden van de superrijken, het andere uitschot, zo men wil.

Rem Koolhaas schreef in 1978, toen de Nederlandse architect nog maar aan het begin stond van zijn stormachtige internationale carrière, een lyrisch boek over de stad, een juichend manifest onder de veelzeggende titel Delirious New York. Hij noemde Manhattan ‘een mythisch eiland’ waarin de levensstijl van de metropool en de bijbehorende architectuur tot ‘een collectief experiment’ waren geworden. Hij sprak van ‘schepping en vernietiging’ die onherroepelijk met elkaar waren verbonden.

Koolhaas zocht naar de woorden die je niet nodig hebt als je er middenin zit en aan den lijve het onbenoembare Manhattanism ervaart.

En omdat Manhattan eindig is en de aantrekkingskracht van de stad onbegrensd, werden vanaf het begin van de 20ste eeuw de grenzen verlegd in de hoogte. Koolhaas: ‘Er is geen manifest, geen architectuurdebat, geen doctrine, geen wet, geen planning, geen ideologie, geen theorie; er is alleen maar – Skyscraper.’

Adam Gopnik, auteur voor The New Yorker, heeft het goed verwoord: ‘Zelfs nu we hier zijn ingeburgerd, lijkt New York nog steeds een plek waar je verlangend naar uitkijkt.’ Dat is de romantische kant van New York.

New York is ook een gevecht, een permanente strijd tegen de bureaucratie, het ongedierte, de armoede, tegen het gebrek aan geld omdat het leven er zo onbeschaafd duur is, tegen het gebrek aan ruimte. Het is een strijd tegen al die dingen die behoren tot de intensiteit van het stadsleven, dat je fysiek ervaart in de duizenden met wie je elk moment van de dag op straat oploopt en die elk hun eigen richting gaan, stevig voortstappend, bozig bijna – New York houdt niet van weifelaars.

Het bijzondere is dat de romantische en die harde kant van de stad zich niet alleen met elkaar verzoend hebben, maar eigenlijk niet buiten elkaar lijken te kunnen. Die duizenden die zo driftig voortstappen, elke man of vrouw voor zichzelf, horen ook weer bij elkaar, op een aandoenlijke wijze, omdat ze behalve de harde werkelijkheid ook de dromen met elkaar delen.

Gopnik: ‘Ik ben zo blij dat ik hier woon dat ik het nauwelijks kan geloven. Waar New York voor staat, perfect en permanent, in de literatuur en in het echte leven, is de Hoop. Hoop op een nieuw leven, op iets groots dat gebeurt, hoop op een beter leven of hoop op een groter appartement.’

Art Buchwald was een vermaard stukjesschrijver over het Amerikaanse openbare leven. Hij was altijd geestig en to the point. Op het hoogtepunt van zijn roem verschenen zijn columns in meer dan vijfhonderd kranten overal ter wereld. Washington was zijn basis. Daar stierf hij begin 2007, op 81-jarige leeftijd.

In zijn laatste boek Too soon to say goodbye schreef hij over de naderende dood. Hij fantaseerde erop los over een herdenkingsdienst, een week na zijn begrafenis.

Geen stad in de wereld waar de grote Art Buchwald herdacht kon worden anders dan in de hoofdstad van de wereld. Zijn leven was niet voor niets geleefd en New York zou daarvan getuigen:

‘De dienst vindt plaats in Carnegie Hall. Na mijn crematie wordt de as verzameld en tijdens de herdenkingsplechtigheid uitgestrooid over elk gebouw in New York dat in bezit is van Donald Trump.

‘Zoals ik het zie zal Carnegie Hall mudvol zitten en duizenden mensen staan buiten op de 57ste Straat, hoewel het sneeuwt. De herdenkingsdienst is de meest gewilde gebeurtenis in New York. Zwarthandelaren verkopen stalleskaartjes voor 250 dollar. (...) Als ik het zelf moet verwoorden, het zal een van de meest gedenkwaardige diensten worden die New York ooit heeft meegemaakt. De mensen zullen er nog jaren over spreken.’

De televisie- en filmauteur Peter Mehlman heeft opgeschreven hoe het is om er niet meer bij te horen. ‘Wanneer je deel uitmaakt van de diaspora, ben je pas echt verloren. Dan behoor je tot de duizenden die hier ooit woonden, maar om een of andere reden – liefde, ambitie, allergie – vertrokken. Op die paar tripjes per jaar terug, bevind je je in het schimmenrijk. Geen toerist, geen inwoner. Je ervaringen als New Yorker, gecorrigeerd voor inflatie, hebben een straatwaarde van nul.’

Zo voelt het precies.

Meer over