25 mei 1935: Student van 21 loopt vier wereldrecords

Charles Riley reed die dag in zijn oude T-Ford de ruim 300 kilometer tussen Cleveland en Ann Arbor, Michigan. De bejaarde atletiekcoach had maar één doel: Jesse Owens zien sporten. Jesse, die hij een paar jaar eerder in Cleveland als scholier aan de East Technical High School onder zijn hoede had genomen, nadat de jongen, een kleinzoon van slaven, met zijn familie uit Alabama naar het noorden was verhuisd. Geen briljante scholier, die Jesse, maar wat een benen!

Rolf Bos

Coach Riley dacht terug aan de dag dat hij een straatwedstrijdje over 100 yards had georganiseerd. Jesse was 15 geweest, hij had gewonnen, natuurlijk; maar toen de coach op zijn stopwatch had gekeken was hij geschrokken. Hoe snel was ik, coach?, had Jesse gevraagd. Riley had gestameld: Elf seconden! Jesse: Is dat snel? Riley: Het is te snel, geen enkele 15-jarige kan zo snel zijn.

Riley glimlachte bij die herinnering terwijl hij de tribune van het Ferry Field Stadium van de universiteit van Michigan beklom, waar meer dan twaalfduizend atletiekliefhebbers hadden plaatsgenomen om het fenomeen Owens te zien sporten. Owens sprak op het middenterrein met zijn universiteitscoach. De 21-jarige student had een paar weken eerder wat gestoeid met medestudenten, was van een trap gedonderd en had nog steeds last van zijn rug, juist op de dag van het Big Ten kampioenschap, de belangrijkste wedstrijd van het jaar. Riley zag vanaf zijn zitplaats dat Owens zelfs moeite had om zijn shirt aan te trekken; hoogspringer David Albritton moest hem bij het omkleden helpen.

Ondertussen sprak zijn huidige coach, Larry Snyder, hevig op Owens in: Jesse, het is gekkenwerk om met jouw blessure vandaag te sporten, het is het niet waard, er wachten belangrijker evenementen, volgend jaar zijn de Olympische Spelen in Berlijn. Jesse: Coach, laat me het proberen. Kunnen we niet kijken hoe de eerste wedstrijd gaat? Snyder had Owens ingeschreven op vier onderdelen: drie sprintnummers en het verspringen. Vooruit dan maar, zei hij hoofdschuddend.

En toen was het kwart over drie in de middag. Zonder een opwarmrondje begaf Owens zich naar de start van de 100 yards. Het gravel knarste onder zijn spikes terwijl hij met zijn tuinschepje een startgat groef. De adrenaline gutste door zijn lijf, de pijn, dacht de atleet terwijl hij zijn startpositie innam, waar is de pijn in mijn rug? Weg!

Hij startte langzaam, maar versnelde in het tweede deel. Eindtijd: een handgeklokte 9.4, evenaring van het wereldrecord. Het publiek stond op de banken, maar Jesse was teleurgesteld. Ik had sneller gekund, riep hij naar zijn euforische coach.

Maar er was geen tijd voor omkijken: een kwartier later was al het verspringen. Jesse legde een witte zakdoek in de zandbak op de plek van het wereldrecord van de Japanner Nambu, 7.98 meter. Om 3.35 uur nam Jesse zijn aanloop. Hij sprintte, zette af en zweefde en zweefde en zweefde... Hij landde ver voorbij zijn zakdoek: 8.13 meter!

Nog kreeg Owens geen rust. Tien minuten later liep hij de 220 yards: opnieuw een wereldrecord: 20.3! En nog was het niet voorbij: om 16 uur snelde Owens naar een nieuwe wereldtijd op de 220 yards horden: 22.6! Ongekend: vier wereldrecords binnen een uur. (Zes eigenlijk, want Owens had op de yards- afstanden ook de records op de 200 meter en 200 meter horden verbeterd.)

Om tien over vier huilde coach Snyder van blijdschap in de kleedkamer waar Owens zat uit te hijgen. Buiten drong het volk op, iedereen wilde deze wonderatleet, deze ‘bruine gazelle’, aanraken. Owens ontkwam door uit het raam te klauteren. Buiten wachtte zijn oude schoolcoach Charles Riley. Samen reden ze in diens T­Ford terug naar Cleveland.

Meer over