14 september 1960: Verdediging van de olieprijs was het doel

De westerse wereld had niet meteen door wat er was gebeurd, op 14 september 1960. In november besteedde de Amerikaanse inlichtingendienst CIA in een rapport over het Midden-Oosten slechts een paar regels aan de OPEC.

Michael Persson

Het had er ook een beetje overmoedig uitgezien, toen ministers van vijf olie-exporterende landen op die dag in september in een stoffig zaaltje in Bagdad hun handtekening zetten onder een document over olieverkoop. Voortaan zouden ze meer gaan verdienen aan het zwarte goud. Venezuela en Saoedi-Arabië hadden het voortouw genomen, Irak organiseerde de conferentie, Koeweit en Iran volgden. Het waren landen die eigenlijk nog in de kinderschoenen stonden. Wat had het Westen van hen te vrezen?

Dat de oprichting van de organisatie van Olie Producerende en Exporterende Landen het eerste gecoördineerde economische verzet was van een aantal ontwikkelingslanden tegen hun voormalige koloniale overheersers, zou pas later duidelijk worden.

Vóór 1960 was de situatie als volgt. Een aantal landen had enorme voorraden olie in de grond. Die olie werd eruit gehaald door westerse maatschappijen als Shell, British Petroleum en Standard Oil of New Jersey, het latere Exxon. Deze maatschappijen waren ook eigenaar van de olievoorraden. De landen moesten zich tevreden stellen met 50 procent van de opbrengst. Ze hadden één houvast: een vooraf afgesproken prijs voor elk vat olie. De afspraak met de oliemaatschappijen was dat de landen daar de helft van kregen.

Dat ging eind jaren vijftig mis. De Sovjet-Unie exporteerde steeds meer olie, en de Verenigde Staten stelden olie-importquota in, waardoor de oliemaatschappijen hun Arabische olie niet meer kwijt konden tegen de afgesproken prijs. De marktprijzen lagen een stuk lager. Omdat de afdracht aan de Arabische landen wél vastlag, verdienden de bedrijven er steeds minder aan. Dan moeten we die afspraken maar schenden, dachten ze. BP was de eerste die op die manier de ‘afgesproken prijs’ naar beneden bijstelde in augustus 1960. De andere maatschappijen volgden. Toen was de beer los.

Binnen een paar dagen had Irak uitnodigingen verstuurd naar Saoedi-Arabië, Koeweit, Iran en Venezuela. De OPEC was geboren, met als doel: de verdediging van de olieprijs.

De eerste tien jaar van haar bestaan deed de OPEC niet veel. De vraag naar olie was kleiner dan het aanbod en dus beconcurreerden de OPEC-leden elkaar, wat de prijs laag hield. Dat veranderde toen begin jaren zeventig de vraag toenam, en de prijzen omhoog gingen. De OPEC-landen ontdekten hun macht. Eerst speelden ze de oliemaatschappijen tegen elkaar uit, en namen een steeds groter deel van de oliekoek. Vervolgens maakten ze zichzelf eigenaar van de velden, door deelname of zelfs door complete onteigening. En ten slotte gingen ze minder produceren, zodat de prijs steeg. De OPEC had de wetten van vraag en aanbod ontdekt.

En terwijl de economie van de olie veranderde, veranderde de politiek evenzeer. Het ‘oliewapen’ werd uitgevonden. Toen de oliemaatschappijen in 1973 niet akkoord gingen met een door de OPEC voorgestelde prijsstijging, namen de Arabische landen voor het eerst hun toevlucht tot een embargo. Elke maand zouden ze de productie met 5 procent verlagen, tot het westen akkoord zou gaan met hun eisen. De oliecrisis van 1973 was het gevolg, met een economische crisis als toegift.

Paradoxaal genoeg gaf dat succes ook de grenzen aan van de macht van de OPEC. Hoge olieprijzen kunnen leiden tot een recessie, waarna de vraag instort – en de OPEC-economieën dus ook.

Dus probeert de OPEC de prijzen tegenwoordig stabiel te houden. Niet te laag, maar zeker ook niet te hoog. Pas als de olie echt schaars wordt, wordt de OPEC echt op de proef gesteld.

Meer over