Interview

Zuster Marianne (100): ‘Op mijn vijftiende wist ik dat ik het klooster in wilde’

Zuster Marianne in de kapel van het klooster van de Zusters van Liefde in Tilburg.  Beeld Aurélie Geurts
Zuster Marianne in de kapel van het klooster van de Zusters van Liefde in Tilburg.Beeld Aurélie Geurts

Marianne Hoefnagels is evenals de Volkskrant 100 jaar. Hoe kijkt deze religieuze vrouw, die zich als 21-jarige aansloot bij de Zusters van Liefde, naar de eeuw die achter haar ligt, en wat vindt zij van het huidige tijdsgewricht?

Marjon Bolwijn

‘Moederhuis’ staat er in grote letters boven de toegangsdeur van het klooster in hartje Tilburg, waar zuster Marianne Hoefnagels woont. Waar ze wéér woont, want 79 jaar geleden stapte ze hier voor het eerst binnen om zich aan te sluiten bij de Zusters van Liefde. De in 1832 in Tilburg opgerichte congregatie kiest niet voor een devoot en afgezonderd bestaan binnen kloostermuren, maar voor een actief maatschappelijk leven in onderwijs en armen- en ziekenzorg. In binnen- en buitenland stichtte zij scholen en zieken- en bejaardenhuizen, die op het hoogtepunt gerund werden door 10 duizend zusters. Die missie bracht Marianne Hoefnagels naar de sloppenwijken in Brazilië, waar ze zich veertig jaar lang inzette om het leven van de bewoners, vooral vrouwen en kinderen, te verbeteren.

Als jonge blom sliep ze in dit kloostergebouw in Tilburg op een slaapzaal met schotten tussen de bedden. Een strozak diende als matras. Nu heeft ze een ruim driekamerappartement met een moderne keuken met glanzend witte kastjes. Het verbouwde klooster met zijn brandschone gangen die naar groene zeep ruiken, dient tegenwoordig als onderkomen voor de honderd bejaarde Zusters van Liefde die er in Nederland nog over zijn – en waarvan de oudste 105 lentes telt. Jonge aanwas is er niet meer. De zusters zorgen nu voor elkaar, met hulp van zorgverleners.

In wat voor gezin bent u opgegroeid?

‘In een klein dorp in Brabant, in een fijn gezin met acht kinderen en geweldige ouders. Mijn moeder heeft ons veel geleerd, dingen waar ik nu nog plezier van heb, zoals hoe je netjes moet eten. Mijn vader was boer, een stille man.

‘In mijn jeugd waren er in het dorp drie auto’s: een van de smid, een van de slager en de derde was van mijn oom, een man die met alles vooraan wilde staan. De auto van de slager fungeerde ook als taxi voor de dorpelingen.

‘Mijn ouders waren heel religieus. Voordat mijn vader iets nieuws ging doen, sloeg hij altijd eerst een kruis. Op zondagochtend gingen we naar de mis. Dat was verschrikkelijk. De eerste mis was al om 7 uur in de ochtend. Dan moest mijn moeder, die vaak zwanger was, heel vroeg opstaan om achtereenvolgens de koeien te melken, de kleinste kinderen te verzorgen en ontbijt te maken, om daarna met ons naar de kerk te gaan, een half uur lopen verderop. Je moest, want anders kwam je in de hel terecht. Mijn vader zorgde voor de varkens en de paarden. Hij ging altijd naar de tweede mis, om 10 uur.’

Wat was er zo verschrikkelijk aan de zondagse mis?

‘Niet zozeer de mis was verschrikkelijk, maar dat die zo vroeg begon en mijn moeder daarvoor nog veel werk moest doen. Ze was na afloop zó moe. Na de maandelijkse communie, waarvoor ze nuchter, dus zonder eten en drinken, in de kerk moest verschijnen, werd ze altijd ziek. Klagen deed ze nooit. Onze ouders maakten ons kinderen sowieso nooit deelgenoot van hun problemen, zoals de geldzorgen door een veel te hoge huur van ons huis.’

Wat was uw meisjesdroom?

‘Ik heb nooit iets anders gewild dan zo dicht mogelijk bij God zijn. Achteraf heeft God zich al op mijn vijfde aan mij geopenbaard. De lerares op de kleuterschool vertelde het lijdensverhaal van Christus. Over hoe hij voor Pilatus en later voor Herodes stond, ter dood veroordeeld werd en niemand iets deed om hem te verdedigen, zelfs de apostelen niet. Ik vroeg de juf, zuster Rosaria, waarom niemand het voor Jezus had opgenomen. Daar wist ze geen antwoord op. Thuis stelde ik dezelfde vraag aan mijn moeder. Ook zij wist zich geen raad met mijn vraag.’

Ze raakt geëmotioneerd, met een trilling in haar stem vervolgt ze: ‘Dit deed mij zó veel, ik was zo verontwaardigd dat niemand in opstand was gekomen tegen het vonnis. Dat dit mij raakte, was een eerste teken dat God mij riep. Op mijn vijftiende wist ik dat ik zuster wilde worden in een klooster.’

Het gezin Hoefnagels met vader Frans en moeder Maria in het midden. Voor de kijker rechts naast haar moeder zit zuster Marianne.
 Beeld Aurélie Geurts
Het gezin Hoefnagels met vader Frans en moeder Maria in het midden. Voor de kijker rechts naast haar moeder zit zuster Marianne.Beeld Aurélie Geurts

Wat vonden uw ouders daarvan?

‘Ze zeiden dat ze kinderen niet hebben gekregen om te houden, maar vonden mij nog veel te jong. Op mijn achttiende, toen ik weer thuis kwam na vier jaar als kindermeisje te hebben gewerkt in een gezin, vertelde ik nu het klooster in te willen. Mijn moeder zei: ‘Wacht nog maar even, je hebt nog niks van de wereld gezien.’ Maar toen brak al snel de oorlog uit. Ik kon nergens heen en er was niks te doen. In 1942 ben ik ingetreden bij de Zusters van Liefde. Het betekende dat ik al mijn spullen moest achterlaten en niet meer terug naar huis kon. Het eerste jaar mocht mijn familie mij één keer opzoeken, daarna twee keer per jaar.’

Wat voor voorstelling had u van een leven als zuster?

‘Ik had geen idee en dacht: ik zie wel. Na de religieuze opleiding van 4,5 jaar kreeg ik de opdracht het klooster schoon te houden. Ik had de leiding over het schoonmaakteam, twintig jaar lang heb ik alles gepoetst.’ (Ze zucht diep.) ‘Dat deed ik niet graag. Zodra ik mijn schort kon afdoen en naar de kapel ging om te zingen en bidden, was ik gelukkig. En toen, op mijn veertigste kwam mijn tweede roeping. Dat werd de mooiste tijd van mijn leven. Ik kreeg van het bestuur de opdracht als missionaris naar Brazilië te gaan.’ (Ze straalt van oor tot oor.) ‘Ik kreeg te horen dat je in Brazilië met vier jaar lagere school onderwijzer mocht zijn. Nou, ik had er zeven gehad.’

En toen was u eindelijk af van al het gepoets?

‘Ik kreeg de huishouding van het ziekenhuis dat we gingen oprichten onder mijn hoede. Ik heb zoveel meisjes uit arme gezinnen leren werken. In de stad in het noordoosten van Brazilië waar we aan de slag gingen, Santa Rita, was geen school en niet één ziekenhuis, kraamzorg was er ook niet. Met hulp van de eigenaar van een rietsuikerplantage hebben we een ziekenhuis gebouwd. Na twaalf jaar ging ik met nog een paar zusters midden in een sloppenwijk wonen. We hadden een klein kamertje met twee stapelbedden, zonder stromend water. ’s Avonds brandden we kaarsen, omdat de elektriciteit vaak uitviel. Ik organiseerde activiteiten voor kinderen van prostituees, om ze van de straat te houden. Ook gaf de kerk mij de opdracht naailes te geven aan prostituees. Maar die bleken ’s nachts te werken en overdag te slapen. Er kwamen toen andere vrouwen die graag kleding wilden leren maken. Dat ben ik toen gaan doen. Zo hielpen we deze armen zelf geld te verdienen.’

Aan welke vrouw denkt u nog weleens terug?

‘Marlenie, een vrouw met vijf kinderen en een man zonder werk, die veel dronk. Ze stond op het punt de prostitutie in te gaan. Iemand had haar naar mijn naaicursus gestuurd. Ze had er feeling voor. Ik zag haar veranderen in een levendige, blije vrouw. Ze ging de kleding verkopen en is niet de prostitutie ingegaan. Later kon ze voor het ziekenhuis werken en kreeg ze een vast salaris en pensioen. Toen ik in 2001 op mijn tachtigste terugkeerde naar Nederland, zijn we brieven gaan schrijven en de laatste tijd bellen we elkaar.’

Welke levenslessen heeft u geleerd van uw werk in de sloppenwijken?

‘Dat je met geduld veel voor elkaar krijgt. En met mensen in armoede kun je het beste overweg als je niks vreemd vindt en doet alsof hun manier van leven heel gewoon is.’

Was uw keuze voor de Zusters van Liefde ook een manier om als vrouw maatschappelijk actief te kunnen zijn, iets wat in uw tijd niet kon: het was trouwen en huismoeder worden.

‘Mensen in mijn omgeving zeiden vaak: je moet trouwen en kinderen krijgen, maar ik wist zeker dat mijn leven anders moest verlopen. Ik wilde iets betekenen voor anderen.’

Hoe kijkt u naar de ontkerkelijking in deze tijd?

‘De kerk heeft veel dingen fout gedaan, zoals die vroege mis om 7 uur zondagochtend en het dreigen met de hel. Er gaan tegenwoordig veel minder mensen naar de kerk, maar ze geloven nog wel.’

Hoe zien uw dagen er tegenwoordig uit?

‘Ik kan niet veel meer, want ik hoor en zie slecht. Ik sta om 7 uur ’s ochtends op. Na het wassen en aankleden ga ik een half uur mediteren en dan maak ik een boterham klaar. Wat jullie in vijf minuten doen, daar doe ik drie kwartier over. Na de afwas ga ik in de huiskamer koffiedrinken. Daar hoor ik het laatste nieuws, want de krant lezen gaat niet meer. Zo hoorde ik dat de paus pas in een vluchtelingenkamp op Lesbos was en de katholieke kerk geen nachtmis houdt met Kerst, omdat ze zich willen houden aan de coronamaatregelen, maar sommige protestantse kerken doen het wel. Drie keer per week volg ik via de tv onze mis in de kapel, hier in het klooster, soms ga ik er ook naartoe. Ik bid voor vluchtelingen op zee. Verder rommel ik een beetje aan, doe ik een middagslaapje en daarna komt zuster Ursula (88 jaar, red.) mij voorlezen. Warm eten doe ik liever alleen op mijn kamer. Omdat ik slecht zie, ben ik bang dat ik knoei.’

Hoe vindt u het om 100 jaar te zijn?

‘Het gaat vanzelf. Als ik eerder had kunnen gaan, was het goed geweest. Het is klaar, want ik kan niks meer voor een ander doen. Misschien dat er mensen zijn die iets hebben aan dit interview.’

Meer over