Zonder oorlog kan hij zijn draai niet vinden

Neven zat alleen in een café in het centrum van Sarajevo. Hij begroette me alsof we oude vrienden waren. Ik zag dat hij dikker was geworden....

Ik had Neven voor het eerst ontmoet in 1994, toen de stad nog werd belegerd. Hij was een jaar of dertig, sprak Engels met een Amerikaans accent en toverde een indrukwekkende stapel visitekaartjes van journalisten uit zijn zak. Neven was een fixer, hij regelde interviews en hij vertaalde. Op de achterkant van de visitekaartjes stonden lovende opmerkingen gekrabbeld. Toen ik hem later de mijne gaf, snapte ik hoe hij aan die stapel was gekomen. Een kaartje met een aanbeveling was een kleine moeite om van Neven af te komen.

'Dit is mijn geluksdag', had hij gezegd toen ik hem voor een dag of drie in dienst had genomen. 'En nu gaan we eerst iets eten. Betaal me maar vooruit, ik lijd al drie dagen honger.'

Geleidelijk begreep ik dat Neven uit de onderwereld van Sarajevo kwam. Zijn Engels had hij overgehouden aan zijn tijd als lijfwacht in Californië. Toen de oorlog losbarstte, had hij zich aangesloten bij een van de bendes die de stad tegen de Serviërs verdedigden. Neven was zelf een Serviër, maar ze moesten met hun rotpoten van zijn rotstad afblijven.

In zijn zak had hij altijd een verkreukelde zwart-witfoto uit die dagen. Tot de tanden bewapend, een sigaar tussen zijn lippen, een zwarte band rond zijn hoofd, een Ray-Ban voor zijn ogen, troonde Neven tussen even afschrikwekkend uitziende vechters. Het moet zijn finest hour zijn geweest. Hij kon met trots vertellen hoe ze een slager hadden leeggeplunderd en ze in de hongerende stad een barbecue van ongekende proporties hadden aangericht. Miss Sarajevo 1993 was zijn liefje geweest. 'Het was een deal natuurlijk', gaf hij toe. 'Ik beschermde haar. Mijn trefzekere negen millimeter voor haar mooie kont.'

Toen de Bosnische autoriteiten korte metten maakten met de bendes, was hij op onduidelijke wijze ontsnapt en bood hij zijn diensten aan aan journalisten. De hele stad kende hem en behandelde hem met een mengeling van angst en ontzag. Eigenlijk was hij geen slechte fixer. Van politiek wist hij niets, maar als het ging om stadse intriges, de zwarte handel en het nachtleven kon je je geen betere gids wensen.

Na het eind van de oorlog was ik hem uit het oog verloren. Van een kennis hoorde ik dat hij in een andere Bosnische stad voor de vluchtelingenorganisatie van de VN werkte. Dat klopte, zei hij in het café. Alleen, hij had ruzie gekregen over de uitbetaling van vakantiedagen en zijn baas door een glazen deur gesmeten. Sinds kort tolkte hij voor de internationale politie, van zijn achtergrond wisten ze niets.

Hij zag er ontheemd uit, alleen aan dat cafétafeltje. Overal zaten mensen druk te praten, het trottoir was vol, het was het uur van de pantoffelparade. Zijn vader was pas gestorven, vertelde Neven, zijn moeder woonde ergens anders, en nee, verzuchtte hij, een vriendin had hij niet. Gebrek aan zelfbeheersing, er kwam altijd een punt dat hij zijn woede niet de baas kon. Het leek alsof hij zonder oorlog zijn draai niet kon vinden.

Het aardigste aan Neven was zijn openhartigheid, of misschien was het brutaliteit. Hij vertelde altijd vrijuit over de oorlog: hoe hij mensen had gedood , hoe hij had geplunderd, hoe hij zich overdag had vermaakt met vechten en 's nachts nachtmerries had gehad . Van Neven hoefde je geen heilige praatjes te verwachten, zoals van al die voorvechters van de multi-etnische zaak waar het in Sarajevo van wemelde. Op de een of andere manier was Neven een grotere idealist dan die mooipraters.

Neven paste niet in het beeld van de Bosnische autoriteiten. Een Serviër, een halve schurk nog wel, eentje die luidkeels afgaf op de regeringspartij. Voor hem geen medaille, geen voordeeltjes, geen overheidsbaan. Toen hij de stad uit was, had een hoge functionaris zijn flat in beslag genomen. Neven wist dat hij de flat nooit zou terugzien en had iets goedkoops gehuurd. We dronken koffie en wisselden nieuwe telefoonnummers uit. Ik aarzelde, wilde ik Neven mijn nummer wel geven? Er schoot me zo snel geen goede smoes te binnen.

'Ik ben de enige die zijn soldij heeft geweigerd', zei hij opeens met die grijns van hem. Bosnië had tijdens de oorlog geen geld gehad om de soldaten te betalen. Nu had elke veteraan - en Neven was tot zijn verbazing tot veteraan verklaard - bij wijze van soldij een bonnenboekje gekregen om de tram, de elektriciteit en dat soort dingen te betalen. 'Ik heb geen reden hun geld aan te nemen', vervolgde Neven. 'Ik heb gevochten en verloren. De anderen hebben de stad veroverd. Ik heb niets om trots op te zijn.'

Bart Rijs

Meer over