columneva hoeke

Zo schreden we door Arnhem, een gebraden haan en zijn kippen

Eva Hoeke Beeld Aisha Zeijpveld
Eva HoekeBeeld Aisha Zeijpveld

De Man nam me mee naar huis en daarmee bedoelde hij Arnhem, want zo noemt hij zijn geboortestad wanneer hij er langer dan twee uur is. Vanaf vertrek was al duidelijk dat ik hier een stukje over zou moeten schrijven en ook wat de toon zou moeten zijn. Liepen we langs een grote boom, zei hij ineens: ‘Leuk voor je column.’

Ik: ‘Wat?’

Hij: ‘Die prachtige grote boom. Die is zo groot omdat de grond hier vruchtbaar is, en omdat de mensen bomen hier met rust laten, in tegenstelling tot de Zaanstreek.’ En zo was er bij ieder plekje wel een verhaal. ‘Dit’, zei hij bij het beklimmen van de Hommelseweg die een beetje omhoogloopt, ‘is nou een typisch Arnhemse heuvel.’ En bij een overdekte foodhall aan de Rijn, een concept dat je werkelijk in elke stad kunt vinden en waar hij normaal trouwens niet naar binnen te schoppen is, constateerde hij dat Arnhem voorop loopt, ‘komt omdat we zo internationaal georiënteerd zijn’.

Weer dat verhaal over die brug in de oorlog.

De kinderen pasten zich ook razendsnel aan. ‘Het is hier mooier dan thuis hè, papa?’, hoorde ik ze om de paar meter zeggen. En: ‘In welk land zijn we nu?’ Hij: ‘Gelderland.’ Van een stel passerende junken op de Sonsbeeksingel kreeg die van 4 spontaan een pluchen eenhoornknuffel in handen geduwd, een gebeurtenis die we in het Dorp, eerlijk is eerlijk, niet snel zouden meemaken. ‘Zie je wel’, zei de Man, ‘zelfs de ju-...’

Ja-haa, ik wist het onderhand, zelfs de junkies waren hier beter dan in de rest van het land, net als het drinkwater en de huizenprijzen. Verschil met vorige keren: hij was inmiddels zo vaak met zijn kop op televisie geweest dat Arnhem nu ook aardig over hém sprak. Om de paar meter werd zijn naam geroepen, in het voorbijgaan werden handen uitgestoken en op terrassen werden praatjes aangeknoopt, de een nog vleiender dan de ander. Bij ijssalon Trio op de Steenstraat wilde er zelfs één met hem op de foto, drie keer raden wie ’m moest maken. En de Man? Nou, die groeide in zijn rol. Stond hij bij de eerste foto nog wat ongemakkelijk te grijnzen, bij de derde fan gooide hij volledig in strijd met zijn natuur een arm om de ander heen, een stadium dat wij zelf al lang en breed voorbij zijn. En zo ging het maar door. Hier een biertje, daar een haring (van een haringspecialist die Gamba heet, ook ‘typisch Ernems’), alles werd hem zo gul en vanzelfsprekend aangereikt dat de eerste rekening bijna tegenviel, net als de constatering dat het vooralsnog vooral mannen waren die op hem afkwamen. ‘De vrouwen hebben me nog niet ontdekt’, sprak hij peinzend. ‘Dat komt nog wel lieverd’, stelde ik hem gerust. Ik zag vooral een kleine grote stad waar ze nog blij zijn als er een soort van BN’er is die de hele tijd hardop zegt wat ze zelf ook vinden, namelijk dat ze het toch maar mooi met elkaar en zichzelf getroffen hebben. ‘Jezelf een medaille omhangen’, noemde de Man dat, ‘zijn we in Arnhem heel goed in.’

En zo schreden we voort, de gebraden haan en zijn kippen.

Koffie in het Spijkerkwartier, eten bij Cosí, slapen in Molendal, ’s ochtends nog een wandeling door het Sonsbeekpark en daarna namen we zelfs een stukje Arnhemse mentaliteit mee naar huis. Want toen de Dochter (4) eenmaal thuis haar eigen kamertje binnen stiefelde, keek ze in de spiegel en sprak ze met een gelukzalige zucht: ‘Ik heb me zo gemist.’

Leuk voor mijn column.

Meer over