ColumnPeter Buwalda

Zo moeten uitvinders zich voelen

null Beeld

Ik hoorde een oud interview met Kees Fens, het duurde vijf uur en ging over lezen en schrijven. Eigenlijk vluchtig. Hij vertelde onder meer dat hij sinas en patat vieze woorden vond. Mja, best, maar clusterfuck en lifehack vind ik viezere woorden. Ik zou ze niet snel in een column gebruiken, ware het niet dat ik deze week zelf een lifehack heb verzonnen, een paar, nadat ik het woord voor de eerste keer gehoord had. Dat is erg knap, natuurlijk.

‘Als je je iPhone op de vliegtuigstand zet’, meldde Jet, ‘dan laadt hij veel sneller op – lifehack.’

‘Een wat?’ Het klonk als Engels voor harakiri, vond ik. Lifehacks zijn slimmigheidjes, legde ze uit, waarmee je iets irritants wat zich voortdurend voordoet, in dit geval dat je plotseling weg moet en daarom te laat opmerkt dat je nauwelijks nog batterij hebt, eenvoudig kunt fiksen.

Ik meteen aan de slag. Ik heb namelijk een nieuwe iPhone, hij is groter en gladder dan de vorige, die eruit zag alsof ik hem had laten vallen op een landmijn. Als ik mijn nieuwe op de leuning van mijn leeszetel legde, een vrijwel onbewust handeling als ik een werk van bellettrie ter hand neem, zo’n telefoon is in wezen een extern ingewand, een uitgewand dus, werd ik na een minuut of twintig opgeschrikt door een harde ‘klonk’, een bijna vlezig geluid, niet hol, maar vol en rijk.

Steeds, zeker vier keer, bleek het de toverlantaarn te zijn die zonder aanleiding van de leuning was gegleden, nota bene een plat, nergens hellend vlak van fluweel. Heel paranormaal, in feite. De vloer was geenszins van fluweel, maar van hardhout, gelukkig was-ie alle keren niet gebarsten, opgeteld een wonder. Jezus redt, andere verklaringen heb ik niet.

Je moet een hoesje kopen, zei Jet. Maar daarop kon ik niet wachten, voor ik het in huis zou hebben, waren we twee etmalen verder. En over Jezus gesproken, wie weet was het juist zijn onzichtbare hand geweest die het ding er zo volhardend afduwde. In de ogen van de Ware Wijnstok, zoals hij zichzelf noemde, moet ik toch een in tongen sprekende ketter zijn die behalve vagevuur met aftrek van voorarrest best een gebarsten iPhone verdient.

(‘De Hemel’, zegt Reijmerink, ‘daar verzorgen de Duitsers de administratie, de Italianen de catering en de Engelsen de humor.’ De g’noten knikken belangstellend. ‘In de Hel, daar doen Engelsen het eten, de Italianen de administratie en de Duitsers maken de grappen.’ De g’noten lachen. We zijn op jaarclubvakantie, Berlijn, een soort voorarrest. Ouwe moppen mogen. Schnitzels. Bier op rare tijdstippen.)

Nu de lifehack. Wat ik en mijn uitgewand nodig hadden, was wrijving. Wat zou Newton doen, vraag ik me in zulke gevallen af. Newton zou een pleister op de spekgladde achterkant van zijn iPhone plakken, precies in het midden, zo’n klassieke ruwe. Jet zag het me doen, ze keek alsof ik pijlsnel gedementeerd was, mijn iPhone inmiddels letterlijk aanzag voor een wezentje dat je na een lelijke val diende te behandelen met jodium en een pleister.

‘Kom maar, kleintje,’ zei ik op zevertoon, en ik legde de iPhone op de leuning. Meteen voelde ik gigantische grip ontstaan, de vezelige pleisterhuid nestelde zich juichend tussen de fluweelhaartjes. Muurvast. Ik zeeg neer in de zitting, streelde kleine Bubi’s bovenkant en voerde een eerste test uit, stevige, korte duwtjes tegen de zijkant. Hij veerde zowat terug, alsof hij vastzat met een zuignap op een badkamertegel.

‘Probeer maar eens’, zei ik tegen Jet, verzaligd. ‘En?’

‘Niet te geloven.’

Meer over