'Zo goed kende ik hem eigenlijk niet'

Cornald Maas in gesprek met kinderen van gescheiden ouders. Deze week: Masha van Vlijmen (30), itemregisseur. Haar ouders gingen op haar 5de uit elkaar....

‘Ik was 5 toen mijn ouders uit elkaar gingen. De herinneringen aan die tijd zijn een beetje vaag. Al snel nadat mijn vader vertrokken was voelde het als vanzelfsprekend dat ik hem in de weekends opzocht en verder bij mijn moeder woonde. Aanvankelijk was ik de enige in de klas met gescheiden ouders, en daarmee had ik het moeilijk. Soms was ik jaloers op kinderen die uit ‘normale’ gezinnen kwamen. In een klasgenotenboek schreef ik dat het mijn wens zou zijn dat mijn ouders weer bij elkaar zouden komen.

Mijn moeder is altijd een echte moeder geweest: zorgzaam, warm, betrokken. Na de scheiding is ze twee studies begonnen. Hoewel ze het financieel niet altijd gemakkelijk heeft gehad, heeft het mij nooit aan iets ontbroken. Dat ze na vier jaar een nieuwe vriend kreeg vond ik in het begin lastig: opeens moest ik mijn moeder delen met iemand, en in delen was ik niet zo goed, omdat ik geen broertjes of zusjes had. Toen hij mij vertelde dat hij voor Kerst een ring en het lievelingsparfum voor mijn moeder had gekocht, heb ik mijn geld van de spaarbank gehaald, drie weken zakgeld vooruit aan mijn vader gevraagd, en kocht ik heel veel cadeautjes voor mijn moeder – alleen maar om mijn stiefvader te overtreffen. Later heeft mijn moeder me uitgelegd dat van een kind houden iets heel anders is dan van een man houden, en dat ik me geen zorgen hoefde te maken. Pas toen begon ik het te snappen en verdween de jaloezie: met mijn stiefvader en zijn kinderen uit zijn eerste huwelijk kreeg ik een goede band.

Tegen mijn vader keek ik op, en ik wilde het goed doen, zodat hij trots op me kon zijn. Hij uitte zich niet makkelijk, maar ik had het idee dat hij niet zo dol was op kleine kinderen. Van spelletjes hield hij niet, in de Efteling mopperde hij dat de rijen te lang waren. Vrij kort na de scheiding trouwde hij met een vrouw met wie hij twee dochters kreeg. Bij de geboorte van de tweede was ik aanwezig: ik was erg met het onderwerp bezig dankzij de biologielessen op school. Spannend vond ik het, en opwindend, en wat me vooral trof was dat mijn vader mijn stiefmoeder lief aaide en masseerde terwijl ze op de baarkruk aan het bevallen was. Met mijn veel jongere stiefzusjes, die ik liever zusjes noem, kreeg ik later een goede band: ‘mamazus’ noemden ze mij, omdat ik op ze lette, ze te eten gaf, met ze rondwandelde in de kinderwagen, voor ze zorgde. Pas de laatste tijd beginnen we echte gesprekken te voeren.

Mijn vader is altijd een fervent zeiler geweest. Al drie weken na mijn geboorte moest ik mee de boot op – mijn moeder vond het doodeng. Later moest ik op zeilcursus, waar ik met pijn in de buik heenging, omdat ik veel liever ging kamperen: dan maakte je pas vriendjes. Ik vond er niks aan, aan zeilen, ik verveelde me rot op de boot, en ik werd al gauw zeeziek. Vanaf mijn 15de ging ik niet meer mee.

Maar mijn vader gaf zijn passie niet op. Hij ging vlak bij het IJsselmeer wonen, hij zocht op internet naar boten met een verhaal zoals hij dat noemde. Uiteindelijk kocht hij een zeilschip in Frankrijk en besloot hij zijn droom waar te maken: een wereldreis, in etappes, zodat hij af en toe ook zijn gezin kon laten overvliegen. Zes jaar geleden vertrok hij, en ik zag het niet zitten. Ik kocht een boek voor hem over een zeezeiler die was verongelukt, om hem op andere ideeën te brengen.

Mijn vader vertrok toch, hij zeilde vanaf de Canarische eilanden over de Atlantische Oceaan naar Frans-Guyana. Daar zouden mijn stiefmoeder en zusjes hem ontmoeten, maar een dag voor hun vertrek had hij nog niet gebeld. Ik voelde meteen dat het niet goed zat. Ze zijn toch gegaan, en hebben daar een maand lang op mijn vader gewacht, zonder resultaat. Ik hield intussen vanuit Nederland contact en raadpleegde een zeilvriend van mijn vader. Twee dagen nadat mijn stiefmoeder was teruggekeerd in Nederland stond opeens de waterpolitie voor de deur: dat een vrachtschip de boot van mijn vader had gevonden, niet door piraterij of een storm gehavend, maar zonder een spoor van hem. Het bordje eten in de kajuit wees erop dat er plotseling iets gebeurd moet zijn. Nooit hebben we kunnen achterhalen wat. Maar feit is dat we onder ogen moesten zien dat mijn vader dood was. Ik heb de ogen uit mijn kop gejankt, maar ik was ook erg boos. Leuk dat dit jouw droom was, dacht ik, maar nu zitten wij met de gebakken peren. Wat doe je ons aan? Vlak voordat de herdenkingsdienst plaatsvond heb ik de voicemail van zijn gsm, die teruggestuurd was naar Nederland, vol gescholden. Uit verdriet en uit onmacht.

Op mijn bovenarm heb ik zijn sterrenbeeld laten tatoeëren, bedoeld als eerbetoon, maar stiekem hoop ik ook dat mensen vragen erover stellen zodat ik over mijn vader kan vertellen. De boosheid van toen is verdwenen, maar het gemis is niet kleiner geworden, integendeel. Zo goed kende ik hem eigenlijk niet, en pas nu ben ik op een leeftijd gekomen dat ik hem veel vragen had durven stellen. Waarom moest je zonodig zeilen? Hoe vond je het om vader te zijn? Wat vind je van mijn aanstaande, met wie ik eind oktober trouw?

Tijdens het huwelijk zullen mijn stiefvader en de beste vriend van mijn vader me weggeven, mijn stiefmoeder zal iets namens hem zeggen. Zo is hij er toch een beetje bij. Maar evengoed vind ik het verdrietig dat hij, nu mijn leven op orde is, die dag niet kan zeggen wat ik graag zou hebben gehoord: dat hij trots op me is.’

Meer over