interviewAstrid Brugman en Jolanda Rietel

‘Wij weten hoe het voor de kinderen voelt om te moeten knokken’

Zelf gingen ze naar school in een tijd dat het woord kansenongelijkheid nog niet bestond. Ze knokten zich omhoog. Astrid Brugman en Jolanda Rietel staan nu al ruim dertig jaar voor de klas. De documentairemakers van Klassen lieten via hun werk zien hoe ongelijkheid eruitziet in 2021.

Irene de Zwaan
De basisschool van juffen Astrid Brugman en Jolanda Rietel, De Vier Windstreken in Amsterdam-Noord, was te zien in de docuserie Klassen. Beeld Eddo Hartmann
De basisschool van juffen Astrid Brugman en Jolanda Rietel, De Vier Windstreken in Amsterdam-Noord, was te zien in de docuserie Klassen.Beeld Eddo Hartmann

Laatst hadden ze een uitje met de klas, naar het Rijksmuseum. Stond daar een groepje kinderen van een andere school bij de lift te smoezen. Het was een hele witte klas, met veel blonde kinderen. Een wereld van verschil met hun eigen klas, waarin kinderen van diverse komaf zitten.

‘Op een gegeven moment sprak die juffrouw me aan’, zegt Jolanda Rietel (56). ‘Ze zei: u bent toch van Klassen? Daarna kwamen ook al die kinderen naar me toe om te zeggen dat het echt een eyeopener voor ze was. Want de kinderen uit de serie, waren kinderen net als zij.’

Dat is positief bedoeld, verduidelijkt collega Astrid Brugman (61). ‘We horen het wel vaker van autochtone Nederlanders. Ze zeggen dan: wat een fantastische serie! Maar weet je wat het gekke is? Dat ze niet hun kinderen hier komen brengen.’

Hier, dat is op basisschool De Vier Windstreken in Amsterdam-Noord, een van de scholen die een jaar lang werd gevolgd in Klassen, de alom geprezen serie van de makers Ester Gould en Sarah Sylbing. De zeven afleveringen maakten voor een breed publiek inzichtelijk wat in het onderwijsveld al veel langer bekend is, namelijk dat de omgeving waarin een kind opgroeit grote impact heeft op zijn schoolprestaties. Kansenongelijkheid in het onderwijs werd, mede dankzij de serie, een van de belangrijkste thema’s uit 2021.

De Vier Windstreken staat in een wijk waar de huizenprijzen nog zeldzaam betaalbaar zijn (want: veel sociale huur) en waar achter de voordeur van alles speelt. Van grote, gezellige familiebijeenkomsten met rijkgevulde tafels, tot schuldenproblematiek, spanningen en huiselijk geweld. Het zijn leerlingen uit dit soort gezinnen die bij Astrid en Jolanda in de klas komen.

De twee juffen van groep acht, immer kleurrijk gekleed en rijk behangen met sieraden, zijn al bijna dertig jaar collega’s. Dat is te merken. Ze vullen elkaar niet alleen perfect aan, maar maken soms zelfs elkaars zinnen af – met een haast identieke Amsterdamse tongval.

Onenigheid hebben ze eigenlijk nooit, beamen ze. ‘Of ja, één keer’, zegt Jolanda. ‘Héél lang geleden’, vult Astrid aan. Ze kijken elkaar vragend aan: waar ging het ook alweer over? Jolanda: ‘Ik weet alleen nog dat we een paar dagen nagenoeg niet met elkaar gesproken hebben, maar daarna was het gewoon weer over.’

Hun missie beschrijven ze, zonder ironie, als ‘de wereld verbeteren’. Daarmee bedoelen ze: ervoor zorgen dat hun leerlingen zich ontwikkelen tot zelfstandige wezens. Liefst zo weerbaar en gelukkig mogelijk.

Om die missie te doen slagen, maken de juffen in hun vrije tijd eigen lesmateriaal, speciaal toegespitst op de doelgroep, en geven ze de kinderen elke dag een raadsel mee om thuis op te lossen. ‘Wat is een betaalmiddel waar je gelukkig van wordt?’, staat er dan bijvoorbeeld op het digibord. Het antwoord: chocola.

In de serie wordt duidelijk wat het effect is van deze raadsels. Als een medewerker van de Hortus Botanicus, de botanische tuin van Amsterdam, tijdens een uitje met de klas vraagt van welke plant chocolade wordt gemaakt, gaan alle vingers de lucht in. ‘De cacaoplant!’ En weten ze ook uit welk land cacao komt? Weer alle vingers de lucht in. ‘Brazilië!’ Zelfs de Heliconia is de kinderen niet onbekend. ‘Dit is ‘m!’, roept een leerling, alsof hij zojuist een pot met goud onder de regenboog heeft gevonden. Op de achtergrond glimt juf Astrid van trots. Ze heeft de kinderen de hele week op dit uitje voorbereid, door ze voor te lezen over de Azteken en door ze opdrachten te laten maken over cacaoplantages. Zie hier het resultaat: de kennis is blijven hangen.

Astrid en Jolanda doen veel meer dan onderwijs geven, ze bekommeren zich ook over het welzijn van de kinderen. In een van de ontroerendste scènes uit de serie, is te zien hoe Jolanda in een stevige omhelzing met een aantal leerlingen is beland. Op de achtergrond klinkt het nummer Afscheid, gezongen door Glennis Grace. De leerlingen hebben zojuist ongemakkelijk met elkaar geschuifeld onder een ronddraaiende discolamp. En dan komen de tranen. ‘Jongens, jullie gaan een hele leuke tijd tegemoet’, zegt Jolanda, terwijl ze de leerlingen over hun schokkende schouders streelt. ‘Ik ben hier. Als je me nodig hebt, dan ben ik er.’

De serie is soms pijnlijk om naar te kijken, maar stemt tegelijkertijd hoopvol. Het laat zien dat school juist voor kinderen uit kansarme gezinnen een uitweg kan bieden. ‘We willen echt dat onze kinderen het redden’, zegt Astrid, die zich voor het gesprek naast Jolanda op een houten kinderstoeltje heeft gewurmd in een verder muisstil klaslokaal. Het is studiedag voor leerkrachten, de kinderen zijn thuis of op de opvang.

De discussie over kansenongelijkheid in het onderwijs is door de serie aangezwengeld. Is er een jaar na dato iets veranderd?

Astrid: ‘Er is veel aandacht voor gekomen. Wat ik merk, is dat mensen denken dat kansenongelijkheid alleen komt door het feit dat de kinderen een beperkte woordenschat hebben. Omdat er thuis Turks of Arabisch wordt gepraat. Maar het is zoveel meer dan dat.

‘Wij zien kinderen die makkelijk het vwo aankunnen, want ze hebben de intelligentie, de juiste werkhouding. Alleen: deze kinderen moeten tien keer zo hard werken. Er wordt van huis uit weinig met ze ondernomen. Voorlezen, een uitstapje ergens heen – het gebeurt gewoon niet. Het is niet dat de ouders het niet willen hè, maar ze weten het niet.’

Het ontbreekt ze aan pedagogische kennis?

Astrid: ‘Ja, daarom pleit ik er steeds voor: geef die ouders voorlichting. Laat ze hier in de ouderkamer bijeenkomen en laat ze voorlezen, desnoods in hun eigen taal. We krijgen soms kinderen op de kleuterschool binnen waar nog nooit mee gesproken is, ook niet in een andere taal. Gewoon helemaal niet.’

Hoe is dat mogelijk?

Astrid: ‘Nou, dan verzorgt de moeder haar kind. Ze zet een flesje neer, knuffelt even, geeft het kind te eten.’

Jolanda: ‘Maar er wordt dan niet gezegd: ‘We gaan even je schoenen aantrekken, we gaan even wandelen. Dus die kinderen komen hier op school en spreken geen woord Nederlands.’

Wat doen jullie met zulke kinderen?

Astrid: ‘Die krijgen extra hulp op school. In kleine groepjes krijgen ze versneld een cursus om te kunnen functioneren op school.’

Jolanda: ‘Dan leren ze de taal, maar ook hoe ze in een kring moeten zitten, hoe ze naar de wc moeten. De basisvaardigheden in een klas, zeg maar. ’

Wat is de reden dat autochtone Nederlanders hun kinderen hier niet naar school brengen?

Jolanda: ‘Ik denk een ongegronde angst dat als hun kind een vwo-leerling zou zijn, dat het dan naar beneden wordt gehaald door de zwakkere kinderen. Wat natuurlijk helemaal niet het geval is. We hebben hier sterke kinderen en zwakke kinderen en die worden allemaal op hun eigen niveau bediend.’

Astrid: ‘Vaak komen ouders met een excuus. Zo van: ik woon net niet genoeg in de buurt.’

Jolanda: ‘Ze praten het voor zichzelf een beetje goed. Terwijl: wij hebben vroeger allebei onze dochter hier op school gehad en daar zijn ze echt niet slechter van geworden.’

Astrid: ‘Eerder beter, want ze zijn opgevoed met het idee dat we allemaal gelijk zijn. Als ze straks naar het voortgezet onderwijs gaan, dan kom je niet meer op dat witte schooltje hè. Dan is het gemengd.’

De Amsterdamse onderwijswethouder Marjolein Moorman reist in de serie af naar Engeland, waar een schooldirecteur haar streng toespreekt. Het probleem is niet de segregatie in het onderwijs, zegt hij, maar het gebrek aan hoogwaardige kennisoverdracht. Heeft hij een punt?

Astrid: ‘Vind ik wel.’

Jolanda: ‘Je moet ervoor zorgen dat je kinderen uitdaagt. Dus je moet je taal niet gaan aanpassen aan hun niveau, maar juist daarboven gaan zitten. Spreekwoorden en gezegden kennen ze bijvoorbeeld niet, maar als je die maar vaak genoeg gebruikt en uitlegt wat je ermee bedoelt, gaan ze die vanzelf ook gebruiken.’

Astrid: ‘Wat ik belangrijk vind, is dat ze normen en waarden krijgen bijgebracht. Als we een uitstapje maken, dan spreken we altijd alles met ze door. Dat ze ‘goedemorgen’ zeggen bij binnenkomst, en gedag als ze naar huis gaan. Hetzelfde als ze de bus instappen. Als ze eenmaal weten hoe ze zich moeten gedragen, dan gaat het ook goed. Onze uitstapjes zijn altijd leuk. En als het dan toch misgaat, dan gaan ze die keer daarop niet mee.’

Jolanda Rietel: ‘Ik zeg altijd: als ik morgen denk, dit onderwijs is helemaal niets meer, dan stap ik op. Maar ik ga nog altijd elke dag met plezier naar m’n werk.’ Beeld Eddo Hartmann
Jolanda Rietel: ‘Ik zeg altijd: als ik morgen denk, dit onderwijs is helemaal niets meer, dan stap ik op. Maar ik ga nog altijd elke dag met plezier naar m’n werk.’Beeld Eddo Hartmann

Dat klinkt wel heel streng.

Astrid: ‘We zijn ook heel streng.’

Jolanda: ‘Sommige collega’s hebben moeite om kinderen tot de orde te roepen, dan gaan ze op een belletje zitten tingelen.’

Astrid: ‘Dat vind ik zo onnatuurlijk! Ik hoef nooit te schreeuwen. Ik zeg gewoon ‘sst’, en dan zijn ze stil.’

Het is niet aan ze af te lezen, maar Astrid en Jolanda zijn moe. De coronacrisis heeft een zware wissel getrokken op hun gestel. Twee keer ging de school in lockdown, wat betekende dat ze een groot deel van de dag achter een scherm doorbrachten. ‘We hadden de mazzel dat de school heeft geregeld dat elk kind in de bovenbouw een laptop heeft’, zegt Jolanda. ‘Dus die konden ze maandag ophalen, en dinsdag zijn we meteen vol online les gaan geven, de hele dag door.’

Via de webcam drongen de juffen rechtstreeks door tot de leefwerelden van hun leerlingen. ‘Op de achtergrond hoorde je dan de ouders stofzuigen of heel hard telefoneren’, grinnikt Jolanda. ‘Of er kwam opeens een hele Surinaamse familie binnengewandeld. We hadden zelfs een kind dat op het balkon ging zitten, daar was het lekker rustig.’

Na de tweede lockdown, waren ze beiden opgebrand. ‘Ik hoop dat we straks weer rust krijgen met die corona, dan houd ik het nog wel een paar jaar vol’, zegt Astrid. ‘Maar als dit zo door blijft gaan, dan denk ik wel eens: pff, het wordt me te veel.’

Uit de jaarlijks gepubliceerde De Staat van het Onderwijs van de Onderwijsinspectie blijkt dat de kansenongelijkheid tijdens de coronapandemie alleen maar verder is toegenomen. ‘Juist die leerlingen die al uit lastigere omstandigheden kwamen, hadden vaker niet de juiste randvoorwaarden om deel te kunnen nemen aan het afstandsonderwijs, zijn vaker buiten beeld geraakt, hebben grotere achterstanden opgelopen en hebben lagere adviezen gekregen voor het voortgezet onderwijs’, staat in het rapport.

Is dit herkenbaar voor jullie?

Astrid: ‘Nee, dat is bij ons niet gebeurd.’

Jolanda: ‘Dat láten we ook niet gebeuren. Alle basisvakken, zoals taal, rekenen en spelling, zijn tijdens de lockdown gewoon doorgegaan, online. In de middag deden we dan wereldoriëntatie en de raadsels die we maken. De cito’s zijn die periode gewoon goed gemaakt.’

Op veel scholen ging het er anders aan toe: ouders beklaagden zich over leerkrachten die zich er wel heel makkelijk vanaf maakten met YouTube-filmpjes en halfbakken Zoom-meetings, eens per week.

Astrid: ‘Ja, die verhalen kennen we ook. Vanaf het moment dat ik in het onderwijs werk, wordt er tegen mij gezegd: je doet het goed, maar verwacht niet dat een ander het ook zo doet, want het hoeft niet.’

Jolanda: ‘Wij vinden dit ook echt leuk hè. Ik zeg altijd: als ik morgen denk, dit onderwijs is helemaal niets meer, dan stap ik op. Maar ik ga nog altijd elke dag met plezier naar m’n werk.’

Maken jullie je in deze tijd extra zorgen om de kinderen?

Jolanda: ‘Er zijn altijd kinderen over wie je je zorgen maakt, omdat je weet dat de thuissituatie niet heel fijn is.’

Astrid: ‘We werken al zo lang in het onderwijs. Je gaat eraan wennen. En dan heb je nog weleens... Ik heb er nu een, waar ik veel aan denk. In situaties dat de kinderen lang thuis zijn, maak ik me dan zorgen, ja.’

Kun je daar iets meer over vertellen?

Astrid: ‘Liever niet.’

Jolanda: ‘Ik heb ooit een kind gehad dat ernstig mishandeld werd. Dan roep je de hulp in van allerlei instanties, maar vervolgens gebeurt er niets. Dus het blijft maar doorsukkelen. Elke keer na een vakantie kwam het kind terug met iets in het gips. Het liefst zou je zo’n kind willen meenemen, dan weet je dat het in ieder geval veilig is.’

Na al die jaren voor de klas, hebben de juffen er een neus voor ontwikkeld. Is een kind bleek, opvallend stil of laat het zijn huiswerk versloffen, dan is dat een indicator dat het thuis niet goed gaat. Zo is het ook bij Anyssa, een van de leerlingen die in Klassen diepe indruk maakte op veel kijkers. Een ontwapenend en goed gebekt kind, 10 jaar oud. Ze heeft de capaciteiten om naar het vwo te gaan, mits ze haar huiswerk zou maken. En juist dat laatste schiet erbij in.

Anyssa woont bij opa en oma in Noord, maar als het aan haar moeder ligt, komt ze weer bij haar wonen. In West. Misschien nog wel erger dan die dreigende verhuizing, is dat opa ziek is. Opa is haar alles, ondanks het verschil in leeftijd en intelligentie. Hij zal nog tijdens de opnames komen te overlijden.

‘Zit jij soms heel erg in je hoofd met alles wat er speelt en heeft gespeeld?’, vraagt Jolanda tijdens een van de afleveringen aan Anyssa, nadat ze is opgetrommeld voor een gesprek op school. Haar opa en oma, ook aan tafel, kijken wat schaapachtig voor zich uit. Anyssa lacht ongemakkelijk, trekt haar schouders hoog op en antwoordt schoorvoetend: ‘Ja, best wel’.

Het gaat nu goed met Anyssa, vertelt Jolanda. ‘Ze woont bij moeders, in West, en ze zit in de tweede klas van de havo. School is haar uitvlucht. Kijk, liefde heeft ze absoluut gehad hoor, bij opa en oma. Het was een en al liefde. Maar verder was het armoe troef. De voedselbank, kledingbank, nooit op vakantie. Daarom zeg ik ook steeds tegen haar: zorg dat je uit dat milieu komt, want het is natuurlijk best zorgwekkend allemaal.’

Dat het mogelijk is om je uit een milieu te ontworstelen waarin je bent opgegroeid, weten Astrid en Jolanda als geen ander. Astrid groeide op in de Jordaan, een eigenzinnige Amsterdamse volksbuurt, bekend om z’n smalle straten en bruine kroegen. Ook Jolanda bracht er een deel van haar jeugd door, omdat er veel familie woonde. Zelf werd ze geboren bij de Amsterdamse Albert Cuypmarkt.

Van kansengelijkheid had in die tijd nog niemand gehoord. ‘Kinderen uit de Jordaan hadden überhaupt geen kansen’, zegt Astrid. ‘Er werd van alles over ons gedacht: onze uitspraak was fout, we waren dom, ordinair. Ik mocht naar de mavo, dat was al heel wat. Het merendeel van m’n vriendinnen ging gewoon van school af, om te werken. Of om moeders te helpen in het huishouden.’

Jolanda: ‘Wij zijn als gezin uiteindelijk naar Tuindorp (in Amsterdam-Noord, red.) verhuisd. Daar kwam ik bij een leerkracht terecht die vond dat meisjes één recht hadden, en dat was het aanrecht. De jongens hadden handwerken en wij hadden handarbeid, en dan moesten wij de spullen en het zaagsel opruimen. Ik ben uiteindelijk naar de mavo gegaan, ondanks de hoogste citoscore van de klas. Maar ja, ik was een meisje hè?’

Je moest trouwen en vroeg kinderen krijgen?

‘Ik moest gewoon maar naar de huishoudschool. Tegen mijn vader zei die leerkracht op gegeven moment: zelfs het aanrecht is niet goed genoeg voor haar. En aan kinderen kan ze beter helemaal nooit beginnen.’

Hoezo?

‘Ik was dwars, ik pikte dingen niet. Mijn vader heeft afgedwongen dat ik naar de mavo kon. Dat was ook genoeg, want ik wilde kleuterjuf worden. Dat wist ik al vanaf m’n 4de. Daarna heb ik nog een speciaal-onderwijsdiploma gehaald, dus ik heb altijd geknokt.’

Hoe kon je zo jong al weten dat je juf wilde worden?

‘De eerste keer dat ik naar school moest, ben ik gillend en schreeuwend over de vloer het gebouw in gesleept. Als oudste kind in het gezin wist ik helemaal niet wat school was. Dus het was gewoon: je bent vandaag 4 geworden en huppakee, je wordt gedropt. Toen ik eenmaal binnen was, stond daar een ronde tafel met een taart en vier kaarsjes. De kinderen zaten er in een kring omheen. En ik dacht...’ Ze neemt een diepe teug lucht en legt haar hand op de borst. ‘Ik was eigenlijk meteen om. Toen ik om 12 uur de school uitliep, zei ik tegen m’n moeder: ik word later juf.’

Astrid Brugman: ‘Mijn ouders vonden het belangrijk dat hun kinderen een diploma zouden halen, want zelf hadden ze dat niet. Daarom vind ik het ook zo belangrijk dat ouders daar op hameren.’ Beeld Eddo Hartmann
Astrid Brugman: ‘Mijn ouders vonden het belangrijk dat hun kinderen een diploma zouden halen, want zelf hadden ze dat niet. Daarom vind ik het ook zo belangrijk dat ouders daar op hameren.’Beeld Eddo Hartmann

Gebruiken jullie je eigen leven wel eens als voorbeeld in de klas?

Jolanda: ‘O ja zeker, wij zijn naar de kinderen toe altijd heel open over ons eigen leven. Dan zeg ik: ik heb het ook niet altijd goed gehad en ik ben er ook uitgekomen. Dus jullie kunnen het ook, als jullie maar sterk genoeg zijn.’

Astrid: ‘Absoluut. Wij weten hoe het voor de kinderen voelt om te moeten knokken. Ik had thuis het geluk dat mijn vader altijd met ons bezig was. Dingen maken, spelletjes doen. In het weekend gingen we vaak weg. Mijn ouders vonden het belangrijk dat hun kinderen een diploma zouden halen, want zelf hadden ze dat niet. Daarom vind ik het ook zo belangrijk dat ouders daar op hameren, dat heeft voor mij het verschil gemaakt.’

Wat is het mooiste of liefste dat een leerling ooit tegen jullie heeft gezegd?

Jolanda: ‘Laatst kwam een oud-leerling langs. Het was een leerling uit mijn allereerste klas, een roodharig jongetje. Mijn collega voor wie ik destijds moest invallen, wist niet wat ze met hem aan moest. Een verschrikking. Ik heb een zwak voor dat soort kinderen, dus ik vond het meteen een ontzettend leuk joch. Uiteindelijk is hij doorverwezen naar het speciaal onderwijs. Via Facebook kregen we weer contact, hij wilde graag langskomen. Stond hij opeens weer voor me, zó (gebaart met haar hand naar boven) lang geworden. En toen zei hij: juf, ik werd altijd door iedereen weggeduwd, maar door u had ik het gevoel dat ik er mocht zijn. Door u werd ik gezien. Daar doe je het voor, om een kind dat gevoel te geven.’

Astrid: ‘Ik had een paar jaar terug twee leerlingen in de klas, Tabarak en Fleh, die uitgezet zouden worden naar Irak. De huur van hun huis was al opgezegd, de uitkeringen waren stopgezet. Tabarak had zoiets van: ik doe niets meer aan school, want ik ga toch weg. Uiteindelijk mochten ze blijven. Toen ben ik na schooltijd met Tabarak gaan zitten om haar flink bij te spijkeren. Eigenlijk kon ze nog net niet naar de mavo, maar dat hebben we toen wel gedaan. Laatst was ze hier weer, in tranen. Ze ging voor tandtechnicus studeren. Dat is dankzij u, zei ze.’

CV Jolanda Rietel

4 maart 1965 Geboren in Amsterdam.

1987Diploma Gemeentelijke Pabo Amsterdam.

1990Diploma Buitengewoon onderwijs met specialisatie onderwijs aan kinderen met leer- en gedragsmoeilijkheden aan de Hogeschool Midden Nederland.

1987 - 1988 Invalwerk op verschillende scholen te Amsterdam Noord.

1988 - 1989 Jan van Zutphen-school in Amsterdam-Noord.

1989 - tot heden Openbare bassischool De Vier Windstreken, Amsterdam-Noord.

CV Astrid Brugman

10 februari 1960 Geboren in Amsterdam.

1976 Jacob van Lennep Mavo.

1979 Diploma kleuterleidster.

1979-1984 Kleuterleidster, Lathyrus (later Floraschool) in Amsterdam-Noord.

1980 Avondopleiding hoofdakte.

1982 Avondopleiding volledig bevoegd onderwijzer.

1989 Opleiding voor adjunct-directeur.

1984-1993 Groepsleerkracht en twee jaar adjunct-directeur Floraschool.

1993-heden Groepsleerkracht en Snappet-coördinator (digitaal onderwijsplatform) obs De Vier Windstreken.

Fotografie Eddo Hartmann, visagie: Chris Volkers (House of Orange)

Meer over