ColumnSylvia Witteman

Wies had haar tanden in zo’n duivelse kolf gezet. Het bloedrode sap droop haar langs de kin

null Beeld

Op de laatste mooie dag van het jaar was ik verdwaald geraakt in een groene buitenwijk van de stad. Mijn telefoon had ik thuis laten liggen, niet met opzet, hoor: je hebt mensen die voor hun plezier kunstmatige hindernissen op hun levenspad creëren (de zogeheten ‘survivaltocht’) maar die mensen zijn niet helemaal barkie, zoals mijn kinderen zouden zeggen.

Niets aan de hand, als het te gortig werd kon ik altijd iemand de weg vragen, (een bijna uitgestorven gebruik, zoals keisnijden, piskijken of krotenspitten) maar dat had geen haast, en kijk eens aan, wat hadden we hier? Een omheinde bloementuin, met een uitnodigend bordje ‘open’ bij de ingang.

Het was er doodstil. De tuin bleek zo’n door toegewijde vrijwilligers aangeharkt burgermanslusthofje, met stijve heggetjes, naambordjes bij elk groeisel, en bankjes die van tussenschotten voorzien zijn, om te voorkomen dat de een of andere arme zwerver erop gaat liggen slapen. Volksvijandige architectuur.

Op zo’n rotbankje keek ik naar de vlinders, die erop los dartelden alsof ze ervoor betaald werden, toen ik vanachter de fuchsia’s drie vrouwen zag opdoemen. Ze waren in de tachtig, twee van hen coherent gekleed en nog fiks ter been, van die dames die elk jaar een abonnement op het concertgebouw nemen, al vinden ze Jaap van Zweden ‘verschrikkelijk ordinair’.

Tussen hen in schuifelde een derde voort op rubberlaarzen, met lege ogen onder kortgeknipt haar. ‘Mooi hier, hè, Wies?’ sprak een van haar secondanten, op de toon waarmee men een poes toespreekt. Wies knikte, en rukte onverhoeds het kopje van een zonnebloem. ‘Niet doen, Wies!’

Wies begon de bloem giechelend te verkruimelen. Achter haar rug wierpen de dames mij een verontschuldigende blik toe. Ik glimlachte terug, want ook wij hebben een oude dame in de familie die niet meer helemaal barkie is. Ze zou nooit bloemen vernielen, maar ze verwart de prullenbak met de wc, en dat is óók best lastig.

Wies, intussen, bekeek gefascineerd een plant die ik niet kende. Een doodenge plant die een soort gifroze uitstulpingen vertoonde, zo groot als maiskolven, overdekt met boosaardig glanzende, zwarte vruchten. ‘Oosterse karmozijnbes’ heette het gedrocht, op zijn naambordje.

‘Niet doen, Wies!’ klonk het in koor, maar het was al te laat: Wies had haar tanden in zo’n duivelse kolf gezet. Het bloedrode sap droop haar langs de kin. In paniek wrong een van de dames haar het ding uit de hand. Wies kauwde.

‘O God’ zei de dame. ‘Als dat nou giftig is?! Wies?! Spuug uit!’

Wies slikte. Er viel een stilte. De vlinders dartelden.

De andere dame kuchte en en besloot: ‘Nou ja. We zien wel waar het schip strandt.’

Meer over