essay

Wie hoort er zogenaamd thuis in dit land en wie niet? Daarover kan Robert Vuijsje meepraten

null Beeld Gino Bud Hoiting
Beeld Gino Bud Hoiting

Hoe is het om door het leven te gaan als Amsterdamse scholier van niet-westerse komaf? Robert Vuijsje én zijn zoon kunnen erover meepraten – ook al zijn ze ‘wit’. ‘Pap, ze zetten alle buitenlanders in één klas, samen met alle ADHD’ers.’

September 2021

Mijn zoon heet Sonny, maar we lijken zo op elkaar dat mijn ouders hem ­altijd per ongeluk Robert noemen. Hij lijkt op mij toen ik 14 was – alleen heeft dat voor hem andere gevolgen. 14 jaar zijn en eruit zien als een Marokkaan: ik deed het vijfendertig jaar eerder dan Sonny.

De scheidslijnen zijn scherper geworden, tussen wie zogenaamd thuishoort in dit land en wie niet. Dat is waar dit verhaal over gaat. Het is een particulier verhaal. Ongetwijfeld bestaan er mensen die andere ervaringen hebben, maar dit is mijn verhaal en ik denk dat het iets zegt over Nederland.

Waarom Sonny en ik zo geschikt zijn voor een vergelijkend warenonderzoek: we delen niet alleen een soortgelijk uiterlijk, ook zaten wij op dezelfde basisschool, groeiden we op in een huurhuis in dezelfde straat in Amsterdam-Zuid, we hoorden bij dezelfde sociale klasse, hebben dezelfde Nederlands klinkende achternaam, onze ouders waren allebei gescheiden en we werden grotendeels opgevoed door een moeder die niet uit Nederland komt. Het enige verschil: zijn moeder komt uit Brazilië, die van mij is Amerikaans – en joods, net zoals mijn vader. Verder was voor Sonny en mij alles hetzelfde. Tot hij naar de middelbare school ging en er niet meer uitzag als een schattig klein jongetje.

Ongeveer 1980

Ik ben een jaar of 10 en speel bij AFC, een club uit Amsterdam-Zuid. Op het voetbalveld ontmoet je jongens uit andere delen van de stad, waar de bewoners diverser zijn samengesteld. Tijdens een wedstrijd vraagt een tegenstander: ‘Ben je ook Turk? Of Marokkaan?’ Die vraag heb ik niet eerder gekregen. Ik denk alleen: waarom vraagt hij dat?

Zomer 2019

Sonny is 12, maar ziet er wat ouder uit. Hij speelt op het balkon aan de achterkant van zijn huis. De woningbouwvereniging is daar aan het werk, er staan steigers. Ineens wordt uit een van de ramen in de binnentuin een geweer op Sonny gericht door een overbuurman die roept: ‘Jij hoort hier niet.’ Van de steiger springt Sonny naar binnen en belt 112. Het is de avond waarop hij voor het eerst alleen thuis mag zijn.

Een paar weken later zitten we voor een mediationgesprek bij de wijkagent. We horen dat de windbuks van de buurman door de politie in beslag is genomen. De buurman vertelt lachend dat hij dit wapen had ‘gepresenteerd’ omdat hij Sonny aanzag voor een inbreker. Ik vraag wat hij bedoelde met zijn uitroep dat mijn zoon ‘hier niet hoort’. Was het omdat Sonny eruitziet alsof hij niet in deze buurt hoort te wonen? Volgens de buurman bedoelde hij dat een inbreker niet op die steiger hoorde te staan, het had heus niets te maken met Sonny’s donkere uiterlijk.

Vanaf 1983

Op het Barlaeus Gymnasium werkt een docent klassieke talen die ieder jaar op vakantie gaat naar Griekenland en Turkije, daar bezoekt hij oudheden. Hij is niet mijn docent, maar ik kom hem iedere dag tegen op school. Wanneer hij me ziet lopen, roept hij altijd luid over de gang: ‘Opstand der Turken!’ Daar wordt om gelachen. Hij bedoelt er niets kwaads mee, maar ik onthoud het wel.

Zomer 2020

Sonny is 13 en staat ’s avonds met vrienden op straat, niet ver van zijn huis. Een man begint te roepen dat ze niet tegen zijn auto mogen leunen. Hij schreeuwt tegen Sonny: ‘Jij hoort hier niet.’ Sonny reageert verontwaardigd. Het is de tweede keer binnen een jaar dat hij deze boodschap te horen krijgt, in dezelfde bewoordingen zelfs. Hij begint de man te filmen en vraagt: ‘Wat zei je?’ Op beeld horen we de man antwoorden: ‘Jij hoort hier niet thuis.’

Vanaf 2001

Ik werk in een groot gebouw in Hoofddorp, waar alle tijdschriften van ­Sanoma worden gemaakt. Bij elkaar werken daar misschien wel tweeduizend mensen. De collega’s met een niet-westerse migratieachtergrond, zoals dat toen nog niet heette, zijn op één hand te tellen. Als vaste medewerker heb ik een pasje om het gebouw te betreden. Terwijl ik ’s ochtends bij de ingang het pasje gebruik, vraagt een bewaker vanachter de balie wat ik hier kom doen. Hij staat op, komt naar me toe en vraagt of hij in mijn tas mag kijken. Dit gebeurt vaker.

Van collega’s die bij een concurrerend weekblad werken, hoor ik later dat ik op hun redactie Koko Petalo werd genoemd, naar de man die in Nederland bekend stond als de ‘zigeunerkoning’. Wanneer ik met collega’s naar boekpresentaties of andere bijeenkomsten ga, komt het regelmatig voor dat iedereen naar binnen loopt en ik als enige word ­tegengehouden met de vraag wat ik hier kom doen.

En dan zijn er nog de grappig bedoelde opmerkingen van mensen die wél mijn afkomst kennen. Mijn beste vrienden praten over rijke en machtige joden op een toon waarvan ik denk: dus zó kijk jij naar mij? De moeder van een jeugdvriend legt me een keer uit dat iedereen toch weet dat joden onbetrouwbaar zijn, met al die sluwe advocaten en bankiers. Dat is pijnlijk en soms eenzaam, maar het heeft minder invloed op mijn dagelijks leven dan het contact met wildvreemden.

null Beeld Gino Bud Hoiting
Beeld Gino Bud Hoiting

Met de Braziliaanse Margarete, mijn toenmalige vrouw, de moeder van Sonny, word ik er vaak uitgepikt op Schiphol en andere Europese luchthavens, voor een ‘willekeurige’ controle van onze bagage. Bij een diner in een deftig restaurant in het centrum van Amsterdam wil een ober ons eerst niet naar binnen laten, terwijl mijn vader en zijn vrouw vanaf hun tafel verbijsterd toekijken.

En toch: meestal gebeurt het in een relatief onschuldige, soms lacherige sfeer. Heb ik er echt last van? Kan ik niet zelf kiezen waar ik het liefst wil wonen, stage lopen of werken? Nee, dat niet. Maar het betekent wel iets. Wat ik in de twintig jaar ervoor heb meegemaakt, maakt kennelijk zoveel indruk dat ik er een boek over schrijf. Mijn debuutroman Alleen maar nette mensen verschijnt in 2008 en gaat over een jood die eruit ziet als een Marokkaan. (Je zou hier allerlei benamingen kunnen gebruiken voor iemand die zwart haar heeft en een te donker uiterlijk om door te gaan voor een autochtone Nederlander. Toen mijn ouders opgroeiden, was de hierbij passende term: ‘jood’. In de huidige tijd wordt, denk ik, de lading het beste gedekt door het woord ‘Marokkaan’.)

Zomer 2021

Om twee uur ’s middags zit Sonny op een bankje naast de voordeur van zijn huis, hij is inmiddels 14. Het is een rustige straat in het deel van Amsterdam dat Oud-Zuid heet, niet ver van het Museumplein. Een politieauto stopt, twee agenten stappen uit en vragen: ‘Wat ben je hier aan het doen?’

Sonny zegt: ‘Ik woon hier, is er een probleem?’

Een van de agenten antwoordt: ‘Nee, nu nog niet.’ Ze vragen om Sonny’s ID, controleren zijn gegevens en zien dat hij inderdaad hier woont. Voor ze wegrijden, zegt een van de agenten: ‘Oké, het is in orde.’

Sonny, zijn moeder en ik zitten gezamenlijk in een groepsapp. Een dag later schrijft hij: ‘Naja ik werd ook al als inbreker gezien op me eigen balkon.’

Vanaf 1983

Na de basisschool ga ik met vijf kinderen uit mijn klas naar het Barlaeus Gymnasium. De meest prestigieuze middelbare school van de stad, met het Vossius Gymnasium. Het voelt alsof ik daar thuishoor, net als later op de Universiteit van Amsterdam. Ik heb nooit hoeven denken: die school of die baan is niet voor mij, mensen zoals ik horen daar niet bij. Afgezien van een paar uitzonderingen heb ik kunnen leven als een witte Nederlander. Die uitzonderingen bestonden meestal uit portiers, bewakers en andere passanten die mij niet kenden, me nog niet hadden horen praten en niet wisten dat ik een Nederlands klinkende naam heb.

Het is moeilijk uit te leggen wat een school als het Barlaeus Gymnasium kan betekenen voor een kind. Ter illustratie: ik ben niet de enige oud-Barlaeaan die weleens schrijft voor deze krant. (Hoeveel andere Nederlandse middelbare scholen hanteren zo’n pretentieuze naam voor de kinderen die er ooit op hebben gezeten?) Niet alleen beide columnisten op de voorpagina, Sander Donkers en Paulien Cornelisse, zaten op het Barlaeus. Ook de gezichtsbepalende medewerkers Gijs Groenteman en Teun van de Keuken bezochten deze school. Twee andere prominente columnisten, Aaf Brandt Corstius en Arnon Grunberg, gingen naar het Vossius Gymnasium.

null Beeld Gino Bud Hoiting
Beeld Gino Bud Hoiting

Ik denk dat dit geen toeval is. (Al speelt het bij sommigen uit dit rijtje wellicht ook een rol dat papa of mama vergelijkbaar werk deed.) Het Barlaeus is niet zoals het corps of andere studentenverenigingen, waarbij leden elkaar later baantjes kunnen toespelen. Het zit meer in een manier van denken. Door op zo’n school te zitten, groei je op met de gedachte dat het vanzelfsprekend is dat je later zo’n baantje kan krijgen. Je zit in de klas met kinderen van ouders die ook zulk werk hebben. Tijdens mijn jeugd werd ik omringd door volwassenen die boeken schreven. Daardoor bedacht ik: zo veel slimmer dan ik zijn die mensen niet, als zíj het al kunnen, waarom zou ik het dan niet kunnen?

Op zo’n school zitten, geeft zelfvertrouwen – het gevoel dat je erbij hoort, dat je gezien wordt. Na het Barlaeus Gymnasium voel je geen grote afstand tot iemand van wie de kunstwerken worden geëxposeerd in een vooraanstaand museum. Of die in de Tweede Kamer zit, of lesgeeft aan de universiteit. In mijn latere leven hoorde ik weleens hoe vol ontzag het woord ‘professor’ werd uitgesproken, voorafgaand aan iemands naam. Een Barlaeaan vindt dat een beetje sneu, mensen die zo opkijken tegen een simpele professor.

Zomer 2018

In Amsterdam wordt een systeem gebruikt waarbij je als leerling eerst, op basis van het schooladvies van de leerkracht op de basisschool, een middelbare school wordt toegewezen – daarna pas volgt de Cito-toets. Sonny’s meester wil niet hoger gaan dan een havo/vwo-advies, dus hij kan niet naar een gymnasium. Op de Cito-toets haalt Sonny later een vwo-score, oftewel hoger dan 545 van de maximale 550 punten, maar daar heeft hij niets meer aan.

Sonny gaat naar het Fons Vitae Lyceum, de dichtstbijzijnde school vanaf zijn huis. Dat het een witte school is, komt na een paar maanden voor het eerst ter sprake. Sonny gaat naar het feestje van een klasgenoot. Zijn ouders hebben een zaal afgehuurd. Daar arriveert Sonny met Floris. Floris loopt naar binnen, maar Sonny wordt tegengehouden door de vader van de jarige klasgenoot.

‘Ik was nog niet eens binnen en die vader kwam zeggen dat hij geen problemen wilde op dat feestje’, zegt Sonny als hij ’s avonds thuiskomt. ‘Ik begreep niet eens wat hij bedoelde. Hij kent mij niet, waarom denkt hij dat ik voor problemen zou zorgen?’ Ik moet hem uitleggen dat de vader dit oordeel helaas baseerde op Sonny’s uiterlijk.

Begin 2020

Het begint met vuurwerk. Eigenlijk eindigt het ook met vuurwerk. Een serieus incident, gevolgd door een reeks incidenten die aanzienlijk minder serieus zijn. Sonny steekt een rotje af in de gang van de school. Hij beweert dat het niet de bedoeling was. Dat hij voor de grap een aansteker in de buurt van een rotje hield en toen was het ineens boem. Hij wordt geschorst en daar zijn wij, als ouders, het mee eens.

In de maanden erna word ik geregeld gebeld door school. Ieder incident wordt gepresenteerd als bijzonder ernstig. Alleen gaat het steeds om de categorie: Sonny loopt aan het einde van de pauze de klas in met het restant van een broodje in zijn hand, terwijl in de klas niet mag worden gegeten. Ook heeft hij een keer uit een raam iets geroepen naar een postbode.

Voorjaar 2020

Sonny komt thuis met zijn schoolfoto’s. Mijn vrouw en ik bekijken de klassenfoto. Allebei merken we op dat het een redelijk gemengde klas is, zeker voor zo’n witte school. Sonny antwoordt op een achteloze toon, alsof hij het raar vindt dat wij nog een vraag stellen over iets dat zo vanzelfsprekend is: ‘O ja, ze hebben ons allemaal in één klas gezet, alle buitenlanders.’

Bij Sonny en zijn vrienden is ‘buitenlander’ synoniem voor: kinderen die een gemengde afkomst hebben. Hij vertelt dat zijn klas wordt aangevuld met autochtone ADHD’ers en andere probleemgevallen. Van vrienden op andere scholen in Amsterdam-Zuid hoort hij dat ze dit daar ook doen. Sonny’s docenten vertellen dat het een uitzonderlijk onrustige klas is. Zelf ervaart hij dat ook zo. Voor ons is het geen aanleiding om in gesprek te gaan met school. We denken alleen: jammer dat hij in zo’n onrustige klas zit.

Najaar 2020

Sonny klaagt dat ze hem op school constant in de gaten houden. Bij alles wat hij doet, wordt hij de les uit gestuurd. Hij voelt zich niet meer op z’n gemak en vraagt: ‘Wat willen ze van me? Ik begrijp het niet.’ Ook wordt Sonny brutaler tegen de docenten. Van de leiding krijgen we te horen dat hij een grote mond heeft en te veel in discussie gaat. Mijn indruk is: hij voelt dat hier iets oneerlijks gebeurt en komt in opstand. Alleen doet hij dat in de stijl van een 13-jarige puber.

Thuis begint Sonny te praten over verhuizen naar een ander land of een andere stad. Hij gaat veel om met Resul en Rayan, twee jongens uit zijn klas die eruitzien zoals hij. Zij wonen in een deel van Amsterdam-West waar meer mensen er zo uitzien. ‘Ik vind het daar leuker’, zegt Sonny. ‘Ze kijken niet allemaal zo naar me.’

De gesprekken met school worden steeds frequenter. Gemaakte afspraken worden officieel vastgelegd. Wij beginnen te denken dat ze een dossier opbouwen om hem van school te kunnen sturen. Alleen is er na het eerste incident, met het vuurwerk, niets meer gebeurd dat zo’n serieuze maatregel kan rechtvaardigen. De laatste waarschuwing komt via een docent aardrijkskunde. Ze stuurt Sonny de klas uit nadat hij, in reactie op een andere leerling, zegt dat die zijn smoel moet houden. Per abuis denkt de docent dat hij dit tegen haar zei. Daarna vindt ze dat Sonny, staand op de gang, zo ‘dreigend’ overkomt dat ze hem, en ook ons, niet meer te woord wil staan. Wij mogen haar niet vragen wat er precies is gebeurd, maar krijgen wel te horen dat Sonny van school wordt gestuurd als zich nog één incident voordoet.

Benadrukt wordt dat het niets te maken heeft met zijn schoolresultaten. Dat hadden wij ook al gezien, hij blijft goede cijfers halen. Waar het ze om gaat, is zijn houding. Hij houdt zich niet aan de regels, bijvoorbeeld dat er in de klas niet mag worden gegeten. Vervolgens begaat hij nogmaals dezelfde overtreding, begrijpt niet wat het probleem is en wil in discussie. Ze vinden hem sociaal onaangepast. Ik zeg dat hij buiten deze school in duizenden sociale situaties heeft verkeerd – op zijn basisschool, bij muziekles, in zijn voetbalteam – en dat daar nooit dit soort problemen zijn ontstaan.

Sonny is net 14 geworden en bijna 1 meter 80. Zijn haar is lang, waardoor het gaat krullen en hij heeft een behoorlijk dik zwart snorretje gekregen, maar wil zich niet scheren. Hij ziet er exact zo uit als ik toen ik 14 was. Toch is dit het moment waarop ik tegen hem zeg dat hij beter zijn haar kan knippen en die snor afscheren. Dan zou hij er minder verdacht uitzien en de docenten niet zo afschrikken. In het kort: ‘Dan zie je er niet zo uit als een Marokkaan.’ Daarmee bedoel ik niet dat zo’n uiterlijk slecht is. Ik weet alleen uit eigen ervaring dat het makkelijker is om er niet zo uit te zien. Sinds mijn haar grijs begint te worden en ik door mijn leeftijd geen bedreigende verschijning meer ben, beweeg ik me veel makkelijker door Nederland.

Op school hebben we een gesprek over Sonny’s laatste waarschuwing. Ik vraag de leiding: ‘Hij stond in de gang, mag ik weten wat daar zo dreigend aan was?’ En nadat er geen duidelijk antwoord komt: ‘Was het ook zo dreigend geweest als daar een blonde klasgenoot stond die 20 centimeter kleiner is?’ Op deze vraag komt wel een reactie. De schoolleiding vindt de suggestie die ik hiermee wek erg oneerlijk, ze voelen zich aangevallen.

null Beeld Gino Bud Hoiting
Beeld Gino Bud Hoiting

December 2020

Twee weken voor de kerstvakantie word ik weer gebeld door school: Sonny is de klas uitgestuurd nadat hij tijdens de les opstond om de stekker van zijn bijna lege iPad, waarop ze les hebben, in het stopcontact te doen. Hij had eerst toestemming moeten vragen om op te staan. Daarna zou hij de les hebben verstoord door Sinterklaas en zijn Pieten te bekogelen met pepernoten. We worden uitgenodigd voor een laatste gesprek. Daaraan voorafgaand vertelt Sonny dat dit laatste niet waar is en dat zijn klasgenoten het kunnen bevestigen. Hij toont filmpjes die zijn verhaal ondersteunen: te zien is dat de hele klas pepernoten teruggooit naar Sint en Piet, terwijl Sonny op de gang staat.

Het gesprek is met de plaatsvervangend rector en een coördinator. Ik zeg dat het opmerkelijk is om een kind van school te sturen voor het gooien van pepernoten, zeker wanneer met beelden kan worden aangetoond dat dit niet is gebeurd. De schoolleiding vindt deze feiten niet relevant, het gaat ze om het hele beeld. Sonny wordt van school gestuurd. In een laatste reddingspoging zeg ik dat het een onevenredig zware straf is. En ik vertel over de eerdere incidenten in de buurt van zijn huis, waarbij tegen Sonny werd geschreeuwd dat hij hier niet thuishoort.

‘Ik wil niet pathetisch doen’, zeg ik. ‘Maar beseffen jullie wat hier gebeurt? Dat jullie nu een soort poortwachters zijn voor Amsterdam-Zuid, of voor wit Nederland? Dat jullie aan een kind dat net 14 is geworden deze boodschap geven: ga weg hier, wij willen jou niet, jij hoort niet bij ons. Met als reden dat hij pepernoten heeft gegooid – wat hij niet eens heeft gedaan.’ In de kamer van de rector kijken twee Hollandse hoofden me aan zonder te begrijpen wat ik bedoel. Ze blijven bij hun beslissing.

December 2020

Een week voor de kerstvakantie. Als externe hulpverlener is een paar maanden eerder Fatiha ingeschakeld. Ze legt uit dat het meestal drie of vier maanden duurt voor een nieuwe school wordt gevonden. Al die tijd zit het kind thuis. Officieel is de school verplicht mee te helpen bij het zoeken naar een nieuwe plek, maar in de praktijk moet je het zelf doen, anders gebeurt er niets. We moeten er rekening mee houden dat Sonny de rest van het jaar thuiszit en zal doubleren.

Ik benader alle scholen in de buurt van zijn huis. Die zitten vol. En ze laten weten dat het niet realistisch is om midden in het jaar een plek te vinden. Deze scholen zijn zo gewild dat het als zij-instromer zelfs aan het begin van een nieuw schooljaar erg moeilijk is. Fatiha raadt het Caland­lyceum aan, een school in Amsterdam-Osdorp, bijna een uur van Sonny’s huis. Misschien staan zij wel open voor een leerling die van een andere school is verwijderd. Wat haar ook een voordeel lijkt: het is niet zo’n witte school. Ik heb gehoord van het Caland. Fatiha benadrukt dat het een goede school is, maar laat ik het zo zeggen: drie jaar eerder, toen alle kinderen in Sonny’s omgeving rondkeken naar een middelbare school, was er niemand die het ­Caland overwoog.

Ik bel de school en krijg een decaan aan de lijn die vraagt: ‘Uw zoon komt van het Fons Vitae, weet u wel wat voor school het Caland is?’ Dat weet ik. Osdorp ligt wel in ­Amsterdam, maar hoort niet bij het deel dat is bedoeld voor mensen uit Oud-Zuid. Ik kan hier nog honderd grappig ­bedoelde of Osdorp-bashende opmerkingen over bedenken, alleen hebben we die luxe nu niet. De keuze is: óf naar het ­Caland óf na de kerstvakantie de rest van het schooljaar thuis zitten. De decaan bekijkt Sonny’s dossier van het Fons Vitae en zegt: ‘Als wij het zo zouden doen, konden we hier driekwart van de leerlingen wel wegsturen.’

Januari 2021

Na de kerstvakantie. In Sonny’s nieuwe klas zit één autochtone Nederlandse leerling. Aan het einde van de ramadan, in Nederland Suikerfeest genaamd, heeft de hele school een vrije dag. Dat is nieuw voor mij, ik had niet eerder gehoord dat dit gebeurt op een openbare Nederlandse school. Op het Caland valt Sonny niet meer op, hij ziet eruit als iedereen op deze school. Het enige waarover hij klaagt is de reistijd.

Verder blijkt het inderdaad een goede school te zijn. Over de zogenaamde gedragsproblemen die Sonny volgens de leiding van het Fons Vitae Lyceum zou hebben, horen we na de kerstvakantie niets meer. Aan het einde van het schooljaar concludeert Sonny dat op het Fons Vitae bijna niemand meer over is van de vriendengroep waarmee hij drie jaar eerder begon. Het gaat om een groep van zo’n twintig kinderen, die elkaar opzochten en allemaal afweken van de witte norm op een school in Amsterdam-Zuid.

‘Al die ouders van de Nederlandse kinderen kennen elkaar’, zegt Sonny. ‘Zij gaan met elkaar om. En de buitenlanders zaten in ons groepje.’ De meeste kinderen uit dat laatste groepje wonen in Amsterdam-Oost of West en waren door hun ouders naar een school in Zuid gestuurd. Sonny en één andere jongen, van Surinaamse afkomst, werden van school gestuurd. De rest beslist zelf dat ze bij nader inzien liever naar een school in hun eigen buurt gaan. ‘Ze voelden zich niet thuis op het Fons’, aldus Sonny.

Sinds 2018

In Suriname bestaat een uitdrukking die luidt: opo yu kloru. Het betekent: kinderen krijgen met een partner die een lichtere huidskleur heeft, zodat die kinderen ook lichter zijn en de status wordt verhoogd. Hierover maak ik grappen tegen vrienden die deze methode hebben gevolgd. Ik zeg dat ik het omgekeerde heb gedaan. Mijn vrouw, de moeder van mijn jongste zoon, die nog op de basisschool zit, is van Surinaamse afkomst.

Al mijn vrienden met donkere kinderen hebben gekozen voor witte middelbare scholen. Ze zijn ervan overtuigd dat dit beter is voor de toekomst van hun kinderen. Eén vriend woont in Amsterdam-Zuidoost, een zwarte buurt, en laat zijn zoon in Amsterdam-Zuid naar school gaan. ‘Dit blijft een wit land’, vindt hij. ‘Ik wil dat mijn zoon de witte Nederlander leert kennen. Hoe ze handelen, hoe ze denken. Voor later moet hij weten hoe hij met ze omgaat. Ik heb gezegd: je hoeft geen vrienden met ze te worden, maar observeer ze.’

Anders dan de ouders van Sonny’s vriendengroepje heeft hij niet na drie jaar geconcludeerd dat het voor zijn kind toch beter is om in zijn eigen omgeving naar school te gaan. Wel zag mijn vriend hetzelfde gebeuren als op het Fons Vitae ­Lyceum: na het eerste jaar werden de klassen opnieuw ingedeeld. ‘Het doet me denken aan vroeger’, zegt hij. ‘Veertig jaar geleden kreeg mijn moeder een woning toegewezen. We werden met alle zwarte mensen bij elkaar gezet. Ik zie dat nu ook gebeuren in de klas van mijn zoon.’

In mijn omgeving zie ik dus twee tactieken voor ouders met donkere kinderen: óf naar een witte school, want dat is beter voor hun toekomst, óf naar een gemengde school, omdat het beter is voor de gemoedsrust van de kinderen. Over de eerste reden begin ik me af te vragen: is het werkelijk beter voor hun toekomst? Volgens het referentiekader van onze generatie is wit Nederland toonaangevend. Maar kijk je dan niet naar de wereld met een verouderde blik? Dat de ene school wit was en de andere zwart – Sonny zelf ziet het niet als hoger of lager. (Voor het gemak gebruik ik hier maar de term ‘zwart’, hoewel dat niet het juiste woord is om Nederlanders van voornamelijk Turkse of Marokkaanse afkomst te omschrijven.)

Uit ervaring weet ik dat het vooral gaat om het culturele ­kapitaal waarmee je van school komt. Welk kapitaal houdt Sonny over aan de middelbare school? Hij heeft nu al geleerd dat hij in dit land het nadeel van de twijfel zal krijgen, waar anderen het voordeel mogen hebben. Maar verder: welk kapitaal is de komende decennia waardevoller? Dat van een witte school, waar een leerling maar één blik op de ­wereld heeft leren kennen? Of heb je meer aan een gemengde school? Zodat je niet, zoals de gemiddelde autochtone Nederlander, zo ongemakkelijk en geforceerd hoeft om te gaan met alles wat afwijkt van de witte standaard.

September 2021

Anno 2021 begrijp ik dat tegen dit verhaal allerlei bezwaren kunnen worden gemaakt. Dat Sonny en ik geen Marokkanen zijn bijvoorbeeld. Onze achternaam klinkt oud-Hollands. Zwarte Nederlanders kunnen vinden: jij loopt te janken omdat je denkt dat van school worden gestuurd iets is voor mensen zoals wij, niet voor geprivilegieerde witte inwoners van Amsterdam-Zuid zoals jij. Je zoon wordt naar een zwarte school gestuurd – en dan? Wij zijn niet anders gewend.

Vanaf (extreem)rechtse kant kan worden gedacht: wat is dit voor verhaal, dit bestaat niet in Nederland. Een kind wordt toch niet zomaar van school gestuurd? Klopt het wel allemaal, wat jij beweert? Waarna ze vanaf (extreem)links weer kunnen roepen: ja, dit bestaat wel, maar niet voor mensen die Vuijsje heten. Met zo’n achternaam mag je dit slachtofferschap niet claimen. Of ze kunnen zeggen dat dit nou wit privilege is; je zoontje wordt van school gestuurd en jij mag er een groot verhaal over schrijven in de krant.

De laatste jaren lijken in Nederland twee smaken overgebleven om racisme te ondergaan: zwart en moslim. Dat Sonny half-Braziliaans is, daar zijn er hier te weinig van om een rol te spelen. En joods; ondanks een vrij recente genocide, waarbij deze groep in Nederland voor driekwart werd uitgemoord, gelden wij inmiddels weer gewoon als ‘wit’.

Vanaf ongeveer 1985

Het moet in 1985 zijn geweest dat ik met een paar klasgenoten, niet ver van het Barlaeus, Wil Schuurman door de De Lairessestraat zag lopen. Want ze zat nog niet in een rolstoel. In 1986 viel Wil Schuurman in Kedichem uit een raam, bij een protest tegen de Centrum Democraten, de partij van haar latere echtgenoot, Hans Janmaat. Wij moesten lachen toen we haar zagen lopen. Op straat spraken we haar aan. We vroegen hoe ze toch aan die malle ideeën kwam over ‘buitenlanders’. De sfeer bleef lacherig. Alleen rare, sneue, asociale types hingen racistische praatjes op, daarmee plaatste je jezelf buiten het normale gesprek.

In die tijd zat de partij van Hans Janmaat nooit met meer dan drie zetels in de Tweede Kamer. We zijn vijfendertig jaar verder en wat toen onacceptabel en beschamend was, is nu genormaliseerd. Het zou kunnen dat toen nog schaamte werd gevoeld over de weinig heldhaftige Nederlandse rol in de Tweede Wereldoorlog. Discriminatie en racisme: dat hoorde niet. Dat is nu verdwenen. In de Tweede Kamer zitten meerdere openlijk racistische politieke partijen. Wat vroeger beschaafd-rechts was, is zo bang geworden om stemmen te verliezen aan deze partijen dat ze de noodzaak voelen zich ook racistisch te profileren. En wie hierover begint te zeuren is een irritante ‘deuger’ die zo nodig moet laten zien dat hij moreel verheven is boven de rest.

In de politiek, op internet, in een voetbalstadion of gewoon op straat – het is in ons gaan zitten. Hoe vijandig en ruig wij denken en praten over, in dit geval, jongens die eruitzien als Sonny: in onze hoofden is het normaal geworden, of wij ons daar nou bewust van zijn of niet. De buurman die zijn windbuks richt op een 12-jarig kind, of de juf op wie het ‘dreigend’ overkomt wanneer een 14-jarige leerling voor haar staat: zij zien iets anders dan wanneer ze vijfendertig jaar eerder naar mij zouden hebben gekeken. Terwijl we er exact hetzelfde uitzagen.

Reactie Fons Vitae Lyceum

Simone de Kruijk, rector-bestuurder van het Fons Vitae Lyceum in Amsterdam, laat in een reactie namens de school weten omwille van de privacy van leerlingen niet op individuele gevallen in te gaan. ‘Wel deel ik de persoonlijke mening van Robert Vuijsje dat er aandacht moet zijn voor ‘het nadeel van de twijfel’ in de samenleving, zoals Vuijsje dit noemt. En ik herken dat ook een deel van onze leerlingen hier last van heeft. De school keurt dit ten stelligste af. Echter in het artikel wordt dit particuliere verhaal exemplarisch gemaakt voor de aanpak van de school. De stellige aanname dat kinderen met een niet-westerse achtergrond op onze school als een aparte groep worden geplaatst in specifieke klassen is pertinent onjuist en past ook niet bij de kernwaarden en inclusieve uitgangspunten van onze school en ons bestuur.’

Meer over