ColumnPeter Buwalda

We stemden allemaal op Wim

Met Wim Kok heb ik bijzondere dingen meegemaakt. Zo heb ik hem een keer tot huilens toe verdedigd. Mijn toenmalige schoonmoeder huilde ook. Iedereen huilde. De clash om Wim luidde het einde van mijn relatie met de dochter in.

Eerst moet u weten dat ik zelf een arbeidersjongen ben. Een gekookte aardappel is voor mij een gebakje. Het liefst had ik hier, ten kastele, een prikklok en om kwart voor 5 een harde zoemer. Wat is er mooier dan midden in de zin de pen te droppen, de handen te wassen met korrelzeep, en, hup, de fabriek uit te wandelen, de vrijheid tegemoet als een arbeider?

Wilt u dit artikel liever beluisteren? Hieronder staat de door Blendle voorgelezen versie.

Helaas zag de schoonfamilie me als een geleerde. Terwijl ik onder Wims heerschappij slechts Nederlands studeerde, een taal die we allemaal spraken. Mijn entree bracht het gezin evenwel in rep en roer, vertelde de dochter, die zelf hoger beroepsonderwijs deed, ook niet mis, mompelde ik, maar nee-nee, de hogeschool was geen universiteit, dat moest ik begrijpen. De vader volgde Nederlandse les via de Leidse Onderwijsinstellingen. Naast zijn bed lag al maanden De aanslag.

De televisie ging uit. Ter tafel kwam het Van Dale Handwoordenboek. Ik kende alle woorden, volgens de moeder. Ze bladerde fronsend, vader, zuster en zwager keken gespannen toe. Haar vinger hield stil: ‘Mandaat’, zei ze.

‘Volmacht’, zei ik. De hoeksteen keek naar de moeder, die glimlachend knikte.

‘Gravitatie’, zei ze na enig zoekwerk.

Ik: ‘Zwaartekracht.’ Opnieuw richtten alle blikken zich op de moeder. ‘Wéér goed’, zei ze. Ik begreep dat het spel leek op driebanden, mijn schoonfamilie wilde dat ik een zo lang mogelijke serie neerzette.

‘Gaucho.’

‘Dat is een Braziliaanse cowboy’, antwoordde ik. De moeder tuitte haar mond, waardoorheen iedere ochtend zes aspirines gingen, ter opstarting van de dag. ‘Hier staat nomadische veedrijver in Argentinië en aangrenzende staten.’

De overige leden van de schoonfamilie keken me geschrokken aan.

‘Dat zeg ik’, zei ik, want zo was ik dan ook wel weer. (De Bosatlas erbij, Zuid-Amerika bestuderen, erna de precieze betekenis van ‘cowboy’ vaststellen, etc. etc.)

De volgende ochtend moesten de vriendin en ik meteen na het ontbijt wegwezen, want de schoonouders moesten iets doen, iets geheimzinnigs, een familiegeheim dat mij nooit onthuld zou worden, de vriendin beet nog liever haar tong af dan dat ze me – al in de trein naar huis – vertelde dat de vader en de moeder op zondag de lagere school schoonmaakten, voor een extra zakcentje – vond ik ze nu stom?

Ik hield van ze. Bovendien stemden we allemaal op Wim, over wie we tijdens een van de gezellige woordenboekavondjes te spreken kwamen, het had iets te maken met de vader, die zat in de metaal, en nu had Wim iets besloten waaruit bleek dat hij ‘een Haagse zakkenvuller’ was.

‘Is dat zo?’, informeerde ik.

‘Die man verdient zelf miljoenen’, zei de moeder.

‘Nee hoor’, zei ik. ‘Volgens mij verdient hij ongeveer twee ton.’

Er brak iets in de schoonmoeder, misschien haar maagzweer. De woede was explosief en totaal onvoorzien. Maar ook wel begrijpelijk. ‘Dus meneer de professor hier’, bulderde ze, ‘denkt ons nu gódverdomme ook nog te gaan vertellen hoeveel de baas van Nederland binnen...  binnen... HARKT??’

Meer over