laat het stoppenjulien althuisius

Wat een 12-jarige skater uit Zandvoort te maken heeft met een online recept voor pad thai-saus

null Beeld

Niet alle moderne verschijnselen hoeven we goed te keuren. Er zijn zaken waar we ons tegen ­kunnen, nee móéten verzetten. Deze week keert Julien Althuisius zich tegen foodbloggers die te lang van stof zijn.

Ik weet nog goed hoe ik als jongetje, ik was een jaar of 10, iedere avond na het eten ging skaten op de boulevard van Zandvoort. In de zomer woonden daar meer Duitsers dan Nederlanders. Iedereen had altijd een grote mond over Duitsers, maar ze waren wel de enige automobilisten die voor een zebrapad stopten. Ze leenden zich ook goed voor flauwe grappen. Als je heel stoer was, riep je een Duitse passant op straat wat na. ‘Sie haben etwas verliert!’ zei je. En als ze zich dan omdraaiden en je vragend, maar dankbaar aankeken, zei je ‘Der Krieg!’.

Die zomeravonden konden eeuwig duren. Het zachte licht, de zilte lucht en verder alleen maar het geluid van het ratelen van je inlineskates over de treden van de trappen op de boulevard. Elke keer was je bang dat je zou vallen en elke keer als dat niet gebeurde gierden opluchting en adrenaline door je steltachtige ledematen. Het ging niet altijd goed. Een keer, ik was 12 of 13, skatete ik in mijn eentje in de buurt van het treinstation. Het was een trappetje van slechts een paar treden dat ik al talloze keren had bedwongen. De moeilijkheid zat hem in de rechte, heuvelachtige aanloop ernaartoe en de bocht die je moest nemen om het trappetje – dat haaks op die aanloop stond – af te gaan. Die bewuste zomeravond aan het begin van het schooljaar bleef ik met één skate half op het trappetje hangen, probeerde me in de lucht om te draaien om de val te breken, maar landde uiteindelijk met één hand vol op de grond. Een felle pijn schoot door mijn pols. Huilend, met mijn ene arm in de andere, skatete ik toen naar huis. In het ziekenhuis bleek dat mijn pols gebroken was. Ze probeerden hem te zetten, maar dat ging niet zo goed. Omdat het al laat was kon ik niet gelijk geopereerd worden en moest ik de volgende dag terugkomen. We gingen terug naar huis, met wat pijnstillers. Die nacht deed ik geen oog dicht.

Misschien vraag je je nu af waar ik naartoe wil met deze anekdote. Wat het te maken heeft met het punt dat ik in deze rubriek wil maken. Niets. En het gaat ook niet per se ergens heen.

Het enige wat ik met dit verder irrelevante verhaal wil is laten zien wat veel te veel foodbloggers doen: eindeloos om de fluks afkoelende brij heen draaien.

Wat ik graag wil lezen als ik in de keuken sta en snel een recept voor een pad thai-saus zoek op mijn telefoon: hoeveel vissaus, sojasaus, rijstazijn en suiker ik nodig heb. En misschien vergeet ik nog een ingrediënt, maar daarom zoek ik het recept ook op.

Wat ik niet wil lezen: een essay van vijfentwintighonderd woorden over een reis naar Thailand, waar de auteur zo veel van heeft geleerd en zo veel kleuren zag en elke ochtend ging wandelen over de markt waar al zijn zintuigen zo geprikkeld werden en dat hij nog steeds soms wegdroomt, als hij in een café achter zijn laptop zit en het buiten regent, en dan in gedachten weer op die markt loopt, waar hij de ingrediënten voor een authentieke pad thai koopt, maar eerst nog even over welke noedels je het beste kan gebruiken. Er zijn namelijk verschillende soorten rijstnoedels. Zo heb je...

Alsjeblieft. Stop! Er is een tijd en plaats voor meanderende, autobiografische verhandelingen. Die tijd is niet etenstijd en die plaats is niet mijn keuken.

‘Ooit ga ik een boek schrijven’, schreef de Amerikaanse schrijver Dea Poirier in februari op Twitter, ‘over een receptenblogger die in elk recept op zijn website een moord opbiecht, maar nooit gepakt wordt omdat niemand die twaalf pagina’s tekst voorafgaand aan het recept leest.’

Als het boek er ooit komt, zal ik elke letter ervan verslinden.