ColumnSylvia Witteman

Waarom kalkt iemand ‘Iedereen is onzeker’ op het raam van een failliete snackbar?

null Beeld
Sylvia Witteman

Onderweg naar de bloemenkraam passeerde ik een aan corona bezweken Surinaamse snackbar waar ik in betere tijden menig broodje bakkeljauw heb gegeten, met peper en zuur. De toonbank staat er nog, maar verder is het er woest en ledig. Op de ongelapte ruit heeft iemand in grote, roze letters geschreven: ‘Iedereen is onzeker.’

Dat is misschien wel waar. Misschien ook niet. Martin Bril had hier een hele column over kunnen tikken, in zeventien minuten. Een snelle werker. Maar hij was dan ook niet onzeker. Of toch, maar dat wist hij dan meesterlijk te verbergen, wat op hetzelfde neerkomt.

‘Iedereen is onzeker.’ Wat beweegt iemand om dat op het raam van een failliete broodjeszaak te kalken? De roze verf deed een meisje vermoeden. Had haar moeder, haar vriendje of haar beste vriendin net iets te vaak gezegd dat ze niet zo onzeker moest zijn? Ik weet uit ervaring dat zulke goede raad meestal een averechts effect heeft, net als ‘wees toch gewoon jezelf’ en ‘trek je toch niet alles zo aan’.

Intussen stond ik in de rij voor de bloemenkraam. Het aanbod was, misschien vanwege de plotselinge kou, nogal beperkt. Geen zonnebloemen, geen oranje lampionnetjes, geen rozen. Wel gladiolen, waar ik een hekel aan heb, en een eng soort bloemen die op doorgeschoten spruitjes leken. En hortensia’s.

Hortensia’s. Een twijfelgeval. Het zijn vaak van die enorme, plompe witte bloemkolen, maar deze waren eigenlijk wel schattig. Aan de kleine kant, en net zo frisroze als de tekst op de etalageruit.

De jonge vrouw voor me kocht een bos en kreeg er van het bloemenmeisje instructies bij. ‘Schuin afsnijden, onderste bladeren weghalen en in wárm water zetten. Echt lekker warm, alsof je aan het douchen bent.’

De vrouw keek verbaasd, maar maakte zich zonder tegenspraak uit de voeten, met haar bloemen. De volgende klant was een man die een bos gladiolen kocht. De enige bloemen die hij kende, waarschijnlijk, van de Tour de France. Ook hij kreeg er goede raad bij. Schuin afsnijden. Niet in de zon zetten, of bij de verwarming.

Toen was ík aan de beurt. ‘Geef me maar een bos hortensia’s’ zei ik. Ze wikkelde ze in papier, ik betaalde en pas toen ik op mijn fiets stapte, realiseerde ik me: ze had niets gezegd. Niets over warm water of schuin afsnijden of de onderste bladeren. Waarom niet? Zag ze mij aan voor iemand die alles weet wat er te weten valt, over hortensia’s? Lag het aan mijn jas? Aan mijn haar? Had ik soms een typisch hortensiagezicht? Was ik, met andere woorden, een ouwe trut?

Onzeker, dat in ieder geval wel.