ColumnThomas van Luyn

‘Waarom dóé je dat nou?’, vroeg mijn garageman

Thomas van Luyn Beeld Aisha Zeijpveld
Thomas van LuynBeeld Aisha Zeijpveld

De APK-man zei dat dit mijn laatste autovakantie was geweest met deze auto. Hij was op, moe, versleten (de auto, niet de APK-man). Dat kwam door mij, want met de bouw van deze Mercedes C200 Kompressor Kombi Elegance uit 2002 was niks mis. Die had tot mijn dood mee kunnen gaan, om daarna met een miljoen kilometer op de teller met mij begraven te worden. Archeologen hadden over duizend jaar onze grafheuvel gevonden en geconstateerd dat ik een zeer belangrijk man moest zijn geweest dat ik met zo’n kostbaar stuk techniek ter aarde was besteld. Ook omdat er tien slavinnen in de auto zaten om mij in het hiernamaals… maar nu ben ik wel heel hypothetisch bezig. Feit is dat mijn auto op is, door een paar kleine inschattingsfoutjes mijnerzijds met vérstrekkende gevolgen. Zo heb ik de voorkant een paar keer losgetrokken, door met de neus net over de kleine hekjes langs de gracht te parkeren. Die neus bleef daar dan achter haken als ik later weer achteruit uit het parkeervak reed – dan trek je dus een en ander los aan je auto. De eerste keer is een incident, de tweede keer een blunder, de twintig keer daarna van een domheid die exponentieel toeneemt bij elk incident. Bij één van die keren ontstond er een kier waardoor het naar binnen kon regenen. Ik merkte dat aan het feit dat ik natte voeten kreeg bij het rijden en dat alle elektronica ineens uitviel. Het computerdinges bleek nat te zijn geworden en was gaan roesten, en sindsdien geeft hij steeds rare foutmeldingen en vallen er willekeurige richtingaanwijzers uit.

Een andere curieuze gewoonte is dat ik de neiging heb ineens loeihard over te hoge obstakels te rijden. Ik ben een voorzichtige en capabele automobilist, maar eens per jaar heb ik een krankzinnige aanval van ongeduld. Dan besluit ik de stoep te nemen tussen een paal en een vuilcontainer door, waar ik helemaal niet doorheen pas: deuk. Of ik besluit uit het niets dat ik best even snel over een hoge vluchtheuvel kan rijden om te keren. Dan hoor ik ‘bonk ggggt’ en heb ik weer de schokdempers gebroken en een stuk van de bodem kapotgereden. Mijn garageman snapt er niets van. ‘Waarom dóé je dat nou?’, vraagt hij dan. ‘Dat was ik niet, dat was de duivel die in mij was gevaren’, antwoord ik dan, volledig naar waarheid.

Dan is er ook nog het stadsleven, dat te veel was voor de brave Duitse bejaarde die mijn auto was. Plotse drempels, gaten in de weg, paaltjes uit het niks, fietsen die tegen de auto worden gekwakt, dronken automobilisten die ’m schampen als hij weerloos geparkeerd staat – een onwaardig bestaan voor zo’n nette wagen.

Ik heb er alle theaters mee aangedaan, ik heb mijn gezin er naar alle uithoeken van Europa in gereden, ik heb er sublieme momenten in gehad, op nachtelijke dijkjes en in regenachtige McDrives, ik heb erin op muziek in gestuiterd, ik heb er seks in gehad, ik heb erin gehuild, ik heb erin gemediteerd, ik heb erin gefeest, ik heb erin geleefd, ik ben erin gestorven. Wat dóé je met zo’n auto, als-ie op is? Ik fantaseer erover om te gaan rijden naar China, zo ver als hij me toestaat. Dan, als-ie het begeeft uitstappen, en de Mongoolse steppe in lopen, tot ik het zelf ook begeef.

Meer over