ColumnSylvia Witteman

Vrijwel elke vrouw kan, met enige inzet, voor een lekker wijf doorgaan

null Beeld

De Bellamystraat strekt zich zonder enige grandeur uit aan weerszijden van de Ten Katemarkt. De voormalige arbeidersbuurt wordt inmiddels meer en meer ingelijfd door blonde, tweeverdienende klimaatfluisteraars met Van Moof-fietsen en creatieve beroepen, maar er wonen toch ook nog heel wat gewone Amsterdammers, die er in diverse kleuren gezellig het beste van maken.

Voor de gesloten rolluiken van café Topido zaten twee vrouwen van een jaar of 30 op een bankje koffie te drinken uit kartonnen bekers. Ik heb lang gedacht dat café Topido vernoemd was naar de eigenaars; Tonny, Piet en hun dochter Doortje misschien? Zoiets als de Jopopinoloukikoclub van Joop ter Heul? Maar nee: er zat daar ooit een winkel die handkarren verkocht en die winkel heette ‘Tot Ons Plezier Is Deeze Opgericht’. Je moet het even weten.

‘Nog een weekje hè, dan mag het weer!’ zei de ene vrouw. Ze knikte in de richting van het gesloten terras en nam een kneuterig slokje koffie. Ze had een dik lichaam en een klein, bleek hoofdje met een puntige neus, bekroond met een kort, roodgeverfd kapsel. Ze leek sprekend op een kip. Naast haar stond een kinderwagen met een slapende, koffiekleurige baby erin.

‘Nou, ik moet het nog zien’, sprak de andere vrouw. Zij was het prototype van een lekker wijf. Niet dat ze mooi was, maar dat doet er niet toe. Mooi zijn is mazzel voor een enkeling, maar vrijwel elke vrouw kan, met enige inzet, voor een lekker wijf doorgaan, en die inzet had ze bepaald niet nagelaten. Er was een strakke spijkerbroek aan te pas gekomen, een kort, zwart leren jackje, een kapper met een 10 voor föhnen en een schoonheidssalon waar van ganser harte werd bijgeklust met lipfiller.

‘Ze zéggen het toch’, sprak de kip. Ze keek naar de baby, die mopperig ontwaakte. ‘Ze zeggen zovéél’, antwoordde het lekkere wijf. Ze sloeg haar centimeters lange wimpers pruilend op naar het wolkendek.

‘Nou ja, maar als ze het toch zéggen’, wierp de kip tegen. ‘Dat zeggen ze toch niet zómaar...en mijn buuf zegt het ook, haar man heeft een eetcafé in de Pijp, en die laat al nieuwe placemats drukken.’

‘Hij lijkt wel gek’ vond het lekkere wijf. ‘Ik zeg je, we worden wéér genaaid. Ach, kijk die lekkere schat nou...’ Ze pakte het handje van de baby en lachte breed naar hem, met die lippen, en die wimpers. De baby begon geschrokken te huilen. De kip pakte hem uit de kinderwagen en drukte hem sussend tegen zich aan.

‘Nee, ze zeggen zovéél’ hernam het lekkere wijf. Ze huiverde. ‘En ik vind het stervenskoud óók. Nou, voor mijn part kunnen ze allemaal de klere krijgen.’

Meer over