Vrijheid!

Mijn ouders van zeventig, type prinses Juliana en Paulus de Boskabouter, zijn ieder jaar vier maanden op reis. Wij, de drie kinderen, zijn trots op ze, maar tegelijkertijd vinden we het telkens moeilijk die eenzame maanden te doorstaan....

Wanneer mijn ouders terug zijn van een reis, is meestal het eerste dat ze vertellen: 'Eén keer op een camping gestaan, het kon nu eenmaal niet anders, het was in de buurt van New York. . . Athene. . . Lissabon. . .' Ze reizen altijd in hun 'rijdende tent', een simpel busje waarvoor mijn vader zelf losse kastjes en een aanrecht heeft gemaakt, want vanwege het belastingvoordeel moeten de meubels uitneembaar zijn. Onderweg hebben ze eens een jonge Duitser ontmoet die hen uitnodigde zijn kampeerwagen van drieënhalve ton van binnen te bekijken. Geïnteresseerd luisterden ze naar de uitleg van de man, en wilden hem daarna trots hun eigen bus laten zien. Maar hij zei: 'Nee hoor, de tijd van primitieve wagens heb ik gehad.' Mijn vader was nog steeds beledigd toen hij het mij vertelde. 'Terwijl wij alles tot op de millimeter uitgerekend hebben!'

Mijn ouders eerste bus, twintig jaar geleden, was een Citroën HIJ, een donkerrode patatkraam-achtige roestbak waarnaar ze nog steeds heimwee hebben. Daarna kochten ze een degelijker wagen, rood met een verhoogd wit dak, en het busje waarin ze nu rijden, is ook weer rood met wit. In hun oudere fotoalbums zie je: de kampeerauto met ma ervoor, de kampeerauto met ma ernaast, de kampeerauto met ma erin. Omdat wij, de kinderen, daar hartelijk om gelachen hebben, durft mijn vader niet meer zulke foto's te nemen, maar nog steeds is hij bijna net zo verliefd op zijn bus als op mijn moeder.

'Vrijheid!' riepen ze allebei toen ik vroeg waarom ze deze manier van leven zo ideaal vinden. 'Wij kunnen overal staan, als er maar minimaal één lantaarnpaal in de buurt is en één bewoond huis. In een dorp zetten we nooit stoelen buiten, dan wordt het kamperen in plaats van parkeren en dat willen we niet. Daarom hebben we ook altijd het liefst een recht plekje, dan hoeven we onze blokken niet te gebruiken.'

Mijn vader ging hartstochtelijk verder: ''s Morgens word je wakker tussen de mensen die in een bepaald land horen. We wassen ons dan boven een bakje, in totaal gebruiken we zeven à acht liter water per dag. 's Zondags doen we ook de rug en de voeten, en we wassen elkaar het haar. Omdat mama artrose heeft en niet kan wandelen, loop ik meestal 's morgens een eind terwijl zij zich aankleedt. Soms praat ik met iemand, in elk land probeer ik zeker honderd woorden te leren. Als ik in Turkije ''Allah zegen je'' zeg, antwoorden ze lachend: ''Kule kule''. 's Avonds zitten we meestal in het donker. We hebben één lampje van acht watt, dan heb je geen extra accu nodig. Met de gordijnen open luisteren we naar klassieke muziek. Tegelijkertijd kijken we naar de zon die ondergaat, of bijvoorbeeld naar een onweer boven zee.'

Pasgeleden geleden hebben mijn ouders een halfjaar lang Amerika doorkruist. Voor het eerst zouden ze samen met twee andere oudere stellen reizen. De man van één stel wist al hoe alles moest: het inschepen van de auto, het formaat van de kist bagage die meemocht, het rijden door het uitgestrekte land. De tweede man wist veel van autotechniek, het leek een ideaal gezelschap. Maar mijn vader, hoorde ik achteraf van mijn moeder, was van het begin af aan nukkig als hij achter de anderen aan moest rijden ('daar gaat het schaap weer!'), en na enige tijd hebben mijn ouders zich afgesplitst van de rest.

Ze hadden kunnen weten dat er een verschil in mentaliteit bestond. Vlak voor vertrek werden ze gebeld door de anderen. 'Willen jullie een boek meenemen? Dan kunnen we onderweg ruilen.' De reactie van mijn ouders was: 'Een boek? Wij hebben er veertig in onze kist gedaan!' De anderen hadden eten in hun kist gedaan.

Meer over