Voorzichtig

Backpackers, campinggasten, new-agers, safarigangers, avontuurlijke wandelaars, bergbeklimmers, Cote d'Azur-aanbidders. Hoe brengen Nederlanders hun zomervakantie door? De Franse Alpen (4), slot van de serie vakantiegangers: 'Noggggg...watmeters.'..

Zeventien wekkers gaan af, onnodig want we waren allang wakker vanwege de spanning die elke keer weer aan het beklimmen van een berg voorafgaat.

Drie uur in de nacht. Geroutineerd, soepel, stoer zelfs glijden we van onze matrassen het duister in en op de tast trekken we poolondergoed aan, broeken van Mammut en Style France, goretex-overbroeken en TNF-expeditieshirts, thermosokken, als roofdieren sluipen we door de berghut, naar de eetzaal waar we zullen proberen te ontbijten.

Maar er is geen ontbijt en de eetzaal is leeg. Op één man na, in de hoek, de huttenwaard, een morsig type met gaten in zijn trui en weinig flux de bouche.

'Il pleut', zegt hij.

'Regent het hard?'

'Il pleut fort', zegt hij, en dan niks meer, maar in zijn ogen is een heldere boodschap te lezen: rot op terug naar je bed.

Dat was gisteren. Vandaag een nieuwe poging.

Zeventien wekkers gaan af, drie uur in de nacht, we rekken ons uit, 'il ne pleut pas' zegt een Fransman en de huttenwaard heeft ontbijt - daar gaan we dan, de nacht in. Zeventien hoofdlampjes op een rijtje in het aardedonker, het lijkt wel Kerstmis.

De Italianen voorop, dan de Fransen, dan wij, dan weer wat Fransen, dan de Engelsen.

Het veld valt snel uit elkaar. De Franse lampjes halen ons in en raken de weg kwijt. De Engelse lampjes raken ook de weg kwijt, haken af en gaan terug naar de hut. Dichte mist nu. De Franse lampjes nemen een vreemde route maar komen precies uit waar ze moeten zijn. De Nederlandse lampjes raken de weg kwijt. We zien anderhalve meter voor ons uit. 'Links ligt de gletsjer', zegt Fred. 'Nee man, rechts', zegt Simon, die gelijk heeft. Half struikelend over losrollende blokken steen bereiken we de ijsval, waar we stijgijzers aantrekken.

We hebben daglicht nu, na twee uur klimmen, maar ook een sneeuwstorm. De rugzakken bevroren en ijs op onze mutsen, de wand zo steil dat we soms op de voorste punten van onze stijgijzers moeten staan om hoger te komen, we krijgen brokken ijs in het gezicht van de Fransen die een paar honderd meter hoger bezig zijn en we voelen ons weldadig warm van binnen, wat niet alleen te maken heeft met de dure outdoorkleding die we dragen.

Naarmate we stijgen daalt het aantal woorden dat wordt uitgewisseld.

3142 meter:

'Ik hou wel van sneeuwstormen, is het niet zo warm op de gletsjer.'

'Echt koud is het nu ook weer niet, vriespunt hooguit.'

'Effe oppassen nu, spleet daar en een link stuk blank ijs.'

3454 meter:

'Hier zijn de Italianen omgekeerd, de watjes.'

'Kunnen niet tegen kou.'

'Zuiderlingen hè.'

3812 meter:

'We gaan het halen jongens, ik voel het.'

'Jezus heb jij geen problemen'

'Noggggg...watmeters.'

3900 meter:

'B-bijna.'

'Krg. Krg.'

'Fff.'

Op 3902 meter zeggen we even niets meer. Het ziet er naar uit dat dit de top is.

We hijgen uit en bellen naar huis met de Nokia.

'Hoi Pa! We hebben top gehaald, Aiguille d'Argentière!'

'Hoe is het daar?'

'Koud, min tien, sneeuw. Mooi!'

'Sneeuw?'

'Ja het is hier bijna vierduizend.'

'Jongen, pas je wel op?'

Even kijken we naar beneden de diepte in en we denken aan de afdaling, dat zal nog een lastige worden, de versgevallen sneeuw rolt in kleine lawines naar beneden en heeft het spoor al uitgewist, als we samen aan het touw gaan en Fred valt dan. . .

'Tuurlijk pa. We passen op.'

Meer over