ColumnSylvia Witteman

Voor ik mijn nederige bestelling kon doen, beende er een man in marstempo naar de toonbank

null Beeld

Bij een mij onbekende groenteboer was ik binnengelopen voor een vergeten winterpeen. Vóór ik mijn nederige bestelling kon doen, beende er een man in marstempo naar de toonbank en riep op urgente toon naar het meisje erachter: ‘Ik ben op zoek naar eieren met dubbele dooiers. Die hebben jullie toch?’

Hij was een jaar of 45, voos en bleek, zo iemand die zelden buiten komt. Hoopvol keek hij het groentenmeisje aan. ‘Eieren met dubbele dooiers...’, zei ze verbaasd, en vonniste: ‘Nee, die hebben we niet.’ De man keek verslagen. ‘Weet je het zeker?’, vroeg hij. ‘Mijn moeder zei het. Die had het weer van Els. Je weet wel, Els! Vaste klant hier.’

‘Els...’, zei het meisje peinzend. Ik dacht na over dubbele dooiers. Als je eieren koopt van een boerderij zit er weleens zo’n verrassingsei tussen, een speling der natuur, de dierlijke variant van een klavertje vier. Heel feestelijk vond ik dat altijd, tot ik eens, op reeds gevorderde leeftijd, per ongeluk in de supermarkt een doos kocht waarin álle eieren dubbele dooiers bleken te hebben.

Ik riep mijn kinderen erbij en ontsteld staarden wij in de koekenpan. We vonden het een beetje eng. ‘Geven ze die kippen steroïden of zo?’, vroeg mijn zoon. Maar de waarheid bleek weer eens saai: die eieren worden gewoon op grootte gesorteerd, en de grootste hebben nu eenmaal meestal dubbele dooiers.

‘Els!’, riep de man. ‘Klein vrouwtje, in de tachtig, beetje krom. Mank, ook. Klompvoet, met één zo’n grote schoen. Rollator. Beroerte gehad, praat moeilijk. Bruine jas. Els! Je kent Els toch wel?’

‘Bruine jas... rollator...’, herhaalde het meisje nadenkend. ‘Ja, en van háár had mijn moeder het dus, dat jullie eieren met dubbele dooiers verkopen’, zei de man. ‘Els! Met dat hondje! Zo’n klein, wit keffertje.’

‘O, wacht eens even...’, zei het groentemeisje. ‘Heeft die mevrouw, ja hoe zeg je dat, een beetje een scheve mond?’ De man stak een gebalde vuist de lucht in. ‘Yes!’, riep hij. ‘Dat is Els! En van háár had mijn moeder het dus, dat jullie eieren met dubbele dooiers verkopen!’ Hanig keek hij het meisje aan.

‘Ik heb ze écht niet’, zei het meisje. ‘Sorry. Ik heb die mevrouw trouwens ook al een hele tijd niet gezien.’ Ze keek kritisch naar een doosje frambozen en pikte er tussen duim en wijsvinger een rotte uit.

‘Els?’, antwoordde de man. ‘Nee, dat klopt. Die is al een half jaar dood. Ze was óp, hè. Maar van háár had mijn moeder het dus, dat jullie...’

Ik luisterde niet meer. Ik dacht alleen nog maar aan dat kleine, witte hondje. Wat zou er van hem geworden zijn?

Meer over