ColumnSylvia Witteman

Voor deze nachtmerrie ging de een of andere verblinde stakker een miljoen neertellen?

null Beeld

Onder een wazige herfstzon stond ik op de pont naar Amsterdam-Noord aan Rilke te denken ( ‘Herr: es ist Zeit. Der Sommer war sehr groß. Leg deinen Schatten auf die Sonnenuhren’, etcetera) tot ik in mijn tas onverwacht een rolletje King-pepermunt aantrof dat mijn volledige aandacht opeiste (hoe kwam het daar? Ik eet nooit pepermunt!) en die hele Rilke vergat, want zo gaat dat met dichters.

Aan de overkant van het IJ herinnerde ik me mijn reisdoel weer. Ik had op Funda, die tantaluskwelling voor woningzoekers, een huis zien staan. De vraagprijs bedroeg 1 miljoen euro, en het betrof ‘een bijzonder object voor wie een eigen invulling wil geven aan zijn woonwens’ (dat is makelaarstaal voor ‘een krot’) te verkopen onder de ‘as is, where is-clausule’ (makelaarstaal voor ‘zelf weten hoor, maar dit is écht een krot.’)

Waarom kost een krot een miljoen, had ik me afgevraagd, een krot in Noord, dat buiten een Poolse winkel met best lekkere worstjes, en een veerpont naar de stad, niets te bieden heeft? Had dat krot wellicht een onweerstaanbare charme, die op de foto’s niet tot zijn recht kwam? Lag er een kist vol dubloenen en saffieren verstopt in dat groezelige achtertuintje?

Ik had het huis gauw genoeg gevonden, veegde een spinneweb opzij (sorry, spin!) en loerde door het raam naar binnen. Het was nog erger dan op de foto’s. Nergens een snoezig marmeren schoorsteenmanteltje of innemend plafondengeltje te bekennen: dat was er allemaal in de jaren zeventig uitgeramd om plaats te maken voor een langzaam verblekende nachtmerrie van kromgetrokken fineer, verzakte gipsplaatplafonds en het behang van je dode oudtante. Het was nog klein en donker ook. En hier ging de een of andere verblinde stakker een miljoen voor neertellen?

Er schoof een wolk voor de laaghangende zon, er schoot een magere kat weg uit de struiken, en daar was Rilke weer, met zijn herfst. ‘Wer jetzt kein Haus hat baut sich keines mehr. Wer jetzt allein ist, wird es lange bleiben...’

Ik dacht aan mijn eigen huis. Nou ja, het is niet alleen van mij, maar ook van huisgenoot P. en vooral ook van de bank. Het staat scheef (als je een pingpongbal op de vloer legt rolt die het hele huis door (tot vermaak van de katten), en het tocht door allerlei kieren en gaten (van een concrete ‘invulling van onze woonwensen’ is het nooit helemaal gekomen) maar ik héb tenminste een huis.

Ik wel. Maar mijn kinderen niet. Die zullen bij mij moeten blijven wonen tot ze een miljoen gespaard hebben.

Onderweg naar huis, op de pont, zag ik dat het krot al onder bod stond.

Meer over