ColumnPeter Buwalda

Voor alles is een oplossing, ook voor gehannes met de s-toets

null Beeld

Eerst haperde de s. Ik moest steeds harder duwen voor ik er een kreeg. Als ik er al een kreeg.

‘Yes’, zei ik een keer. ‘Wat is er?’ ‘Hij heeft een s gemaakt.’ ‘Een s gemaakt? Wie?’ ‘Mijn laptop.’

Dit was al niet goed, natuurlijk, blij zijn dat je laptop een letter ‘maakt’. Hij is geen pottenbakker, de letter is geen pot.

Toch overheerste lange tijd dankbaarheid. Het ‘hoorde erbij’. S. Vestdijk, een rolmodel, kampte ook met een haperende letter op zijn typmachine. (‘Welke?’ ‘Weet ik niet meer. Misschien de i, de m, de o of de n? Daarom noemde hij zich altijd S., natuurlijk. Dat is wetenschappelijk hard, nu. Mooie bijvangst.’)

(Later tekende Vestdijk die ontbrekende letter in, handmatig – een heidense klus.) (Aangezien Vestdijk een roman in een maand schreef, was dat intekenen van die overal en nergens ontbrekende letter nogal inefficiënt, trouwens. Gaat zo een extra week inzitten, waarschijnlijk twee. Of een keiharde maand! Deed hij vanwege zo’n langharig werkschuw toetsje twee keer zo lang over een meesterwerk.)

Hier, ten kastele, kachelde mijn eigen s snel achteruit. Geregeld schoot hij pas na een tijdje lossssssssssssssssss, en moest ik de boel eerst opdweilen – maar voorzichtig, niet alles. Hoewel ik niet Willy van der Steen was, bezig aan Suske en Wiske en Sissende Sampan, vond ik het: gesodemieter.

Je moet denken in vaccins. Die s gaat niet meer weg. Dus kopieerde ik een s die ik al eens had geschreven, en plakte hem als ik er eentje nodig had er gewoon in. Beter dan dat geklieder van Vestdijk. Kijk.

Maar soms heb je een hoofdletter S nodig, mensen vergeten dat. Deed-ie ook niet meer, natuurlijk. Helaas kun je niet én een s én een S kopiëren, het is of-of. Ja, over twintig jaar, ja, dan wel. Dank u. We leven nu.

Weet je wat, dacht ik, ik kopieer gewoon het woordje ‘Soms’, en plak het hele geval erin als ik een van beide essen nodig heb, en dan wis ik wel wat overtollig is. Zuchtend ging ik ermee aan de slag. En raad eens? Werkte prima.

Tja, en toen begon de a. Zomaar uit het niets. (Uitzaaiingen, aldus dr. Arnie, mijn lijfarts, zoude ik hem geconsulteerd hebben. Durfde ik niet.) Heel hard draaien met mijn duimtop, dan kwam-ie soms, maar zelfs dan vaak: zoek het uit, mt.

Goede rd werd teed duurder.

Eigenlijk moest ik ergens, in een oude column of zo, een zin vinden waarin een A, een a, een S, en een s voorkwamen, en die kopiëren! Meteen zoeken, kwartieren lang, en hebbes. ‘Met een knipoogje trok Bob Stanhope, beter bekend als Arendsoog, Witte Veders arm uit de kom’. Alles aan boord. Niet te lang, en: geen hekel aan, wel zo prettig als je hem om de haverklap ziet verschijnen.

Klasse. (Doe ik een volle minuut over, over ‘klasse’. Da’s wel minder klasse. Je zit voortdurend bonsaiboompjes te snoeien.)

(Zelfcensuur ligt sowieso op de loer. Voor je het weet schrijf je ‘top’. En erger. Grote delen van deze column speelden zich bijvoorbeeld op de Mississippi af, waarvan ik toch maar de Maas maakte, wat ook niet opschoot, dus maar de Waal, bleef sappelen, toen de IJssel, ook niks, tenslotte maar de Rijn, in feite een nare rivier, altijd al gevonden, bovendien zit je met je aak, gehannes, dus toen ben ik maar gewoon thuis gebleven.)

Meer over