Voogdij van achter het bureau

Tijd om een frietje te eten met een pupil is er niet meer. Een groeiende papieren rompslomp zet de gezinsvoogdij onder druk....

MIRJAM SCHOTTELNDREIER

EEN KWARTIER na het afgesproken tijdstip zwaait alsnog de deur open. Een stralende jonge vrouw komt, met autosleutels in de hand, lachend binnenzeilen. Het is de moeder van de 15-jarige Joyce. Onwillekeurig dringt zich de gedachte op: kan deze goedgeklede, vrolijke dame haar kinderen niet aan? Het vooroordeel dat ouders van wie de kinderen onder toezicht zijn gesteld ook uiterlijk in deplorabele staat verkeren, wordt meteen afgestraft.

Dochter Joyce staat onder toezicht bij de Stichting interculturele Jeugdzorg Amsterdam (SiJA). Truus Winter, die deze ochtend op het pedagogisch centrum zit te wachten op moeders komst, is haar gezinsvoogd. Het gesprek met moeder, gezinsvoogd, een groepsleider en een maatschappelijk werker is georganiseerd omdat plaatsing van dochterlief niet lekker loopt. Driemaal per week wordt ze geacht na schooltijd in het centrum aanwezig te zijn, tot en met de avondmaaltijd.

Maar Joyce vertikt dat laatste: tafelmanieren en eetgedrag van haar groepsgenoten staan haar niet aan. De groepsleider klaagt dat ze elke maaltijd de aandacht naar zich toetrekt. De maatschappelijk werkster vindt dat Joyce, die al eerder met justitie in aanraking kwam, eigenlijk een te zwaar geval is voor deze instelling. Moeder toont zich verbaasd over het gedrag van haar dochter.

Truus Winter hoort het allemaal aan, maar verheft haar stem pas als de aanwezigen op een wel heel aantrekkelijk compromis voor de lastige puberdame afkoersen. Als Joyce 's avonds niet mee wil of mag eten, zal moeder thuis nog een potje koken. Winter: 'Laten we niet vergeten dat we hier zitten om een gedragsverandering bij Joyce voor elkaar te krijgen. Zo krijgt ze wel erg gemakkelijk haar zin.'

Later, in een café, zegt Winter dat haar strenge Surinaamse opvoeding, waarin weinig plaats was voor jeugdige inspraak, haar soms van pas komt in haar huidige werk. 'Je kunt je gauw verkijken, maar het probleem hier is dat moeder niet consequent is. Dit meisje moet nog een hoop leren want het kan helemaal mis gaan met haar. Dat ze nu nog vrijheid heeft, zou haar scherper onder de neus gedrukt moeten worden.'

Winter (36) groeide op in het Surinaamse Wageningen, een dorpje in district Nickerie, als dochter van een sterke, sociaal zeer actieve moeder, verpleegster van beroep. Aanvankelijk was Winter onderwijzeres, maar het werk gaf haar te weinig voldoening. Ze wilde directe hulp verlenen. En verder studeren. Daarom vertrok ze naar Nederland. Inmiddels is ze omgeschoold tot gezinsvoogd; ze volgde intern bijscholingscursussen en studeert er in de avonduren pedagogiek bij.

'De afgelopen anderhalf jaar was zwaar', glimlacht ze bescheiden in haar kantoortje in het Amsterdamse herenhuis, waar een onderdeel van de SiJA is gevestigd. Niet alleen omdat het wennen is voor een nieuwkomer, die wegwijs moet worden in het uiterst gevarieerde werk waarin geen zaak hetzelfde is. Maar ook omdat ze de mores onder de knie moest krijgen. 'Nederlanders zijn assertief, verbaal ingesteld. Je merkt dat je steeds opnieuw getest wordt. Deskundigen schermen met vakjargon om je te peilen. Als blijkt dat je erover kunt meepraten, is het goed, nemen ze je serieus.'

Maar niet alleen Winter heeft het zwaar. De hele sector zucht onder de werklast, die uitgedrukt wordt in het aantal pupillen per gezinsvoogd. De gemiddelde caseload bedraagt 29 pupillen. Dat is veel, temeer omdat een wetswijziging eind 1995 het werk administratief en juridisch heeft verzwaard. Had voorheen de kinderrechter zowel de verantwoordelijkheid voor de maatregelen als voor de uitvoering ervan, sinds twee jaar zijn die taken gescheiden en draagt de gezinsvoogdij de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van maatregelen.

'Ik kan me er af en toe heel kwaad over maken dat wij zo slecht beloond worden', schiet de over het algemeen opvallend kalme en gedecideerde Winter op een ochtend uit haar slof. De hele morgen heeft de telefoon gerinkeld, haar bureau ziet geel van de memo's. 'Als wij ons werk serieus nemen, laat de overheid dat dan ook doen.'

Op de achtergrond gaapt al een paar uur een computerscherm met een half afgeschreven tekst haar aan. Een verzoek aan de rechter tot verlenging van een ondertoezichtstelling (ots) moet af, maar dat zal deze morgen weer niet lukken. De receptie belt: Jasmijn staat voor de deur. Even later daalt Winter de smalle trappen af naar een kleine ontvangstkamer.

'Het is gisteren een beetje misgegaan', begint de 15-jarige Jasmijn haar relaas. En wederom wordt een beeld verstoord. De hoogblonde, bijna bekakt pratende gymnasiaste voldoet niet aan het cliché dat voogdijkinderen kansarm zijn en slechts door een kloeke voogd-hand voor het criminele pad kunnen worden behoed. Jasmijn moet haar verhaal even kwijt: dat ze zich nergens thuisvoelt, niet in haar pleeggezin, niet bij haar moeder, niet bij haar vader. 'Ik reis maar rond.'

Winter spreekt haar pedagogisch toe: 'Je hebt in principe een eigen plek. Maar wat jij doet, is steeds vluchten voor conflicten. Ik ga het zo benoemen: je voelt geen liefde, en daarom heb je geen vertrouwen. Maar je kunt je pas thuis voelen, als je innerlijke rust hebt. Die heb je niet. En je zult merken dat als je op kamers woont, dat je je dan ook niet thuisvoelt als je geen innerlijke rust hebt. Je moet inzien dat als iemand je corrigeert, dat ook liefde is. Hou op met weglopen.'

Later: 'Het is een leuke meid, verbaal begaafd, maar ook zeer eigengereid. Ze is steeds op zoek naar liefde, maar stoot die ook af. Ze heeft het altijd allemaal zelf gedaan. Dat is haar dilemma. Jasmijn is in feite een erg verwaarloosd meisje. Juist tegen die achtergrond stelt ze hoge eisen aan zichzelf, ze moet van zichzelf heel goed presteren. Dat wordt soms te veel. En ze moet nu leren de ouderrol te verlaten en weer in de rol van het kind te kruipen. Dat is heel moeilijk. Omgekeerd moeten haar ouders hun rol als opvoeders weer op zich nemen.'

Je hebt leuke zaken, zoals de omgang met Jasmijn: omdat er hoop is, betrokkenen zich in principe inzetten en met elkaar kunnen praten en er, boven alles, iets goeds van willen maken. Je hebt ook 'rotzaken', waar alles muurvast zit en de situatie op geen enkele manier lijkt te verbeteren. Voor zo'n zaak gaat de busreis op een middag naar een dorpje buiten Amsterdam, waar een Marokkaanse weduwe met vier kinderen het niet bolwerkt. Althans, naar de hoge maatstaven van de Nederlandse maatschappij.

Op een basisschool zitten op een woensdagmiddag de directeur, een leerkracht, een coördinator van het Opstapproject, een leerplichtambtenaar, een vrijwilligster en gezinsvoogd Winter bijeen. De vraag is hoe, uit oogpunt van preventie, het verder moet met de vierjarige Sana. Het meisje kwam aanvankelijk zeer onregelmatig op school en moeder heeft weinig besef van vakantietijden.

En er is meer mis. Fatima, de dochter van veertien, bezoekt al even onregelmatig haar school voor speciaal onderwijs. Hoewel haar eigen ontwikkeling daardoor sterk te wensen overlaat, wat Winter zorgen baart, is ze tegelijk de steunpilaar in huis. Ze is voor moeder contactpersoon met de bedreigende buitenwereld, en de kleine Sana hangt aan haar. Thuis wordt over moeder heen gelopen. Want de twee volwassen broers die nog thuiswonen, gaan hun eigen gang. Onderling praten de kinderen vaak Nederlands, waar moeder niets van begrijpt.

Winter: 'In deze zaak bekruipt me vaak een gevoel van onmacht. Je moet rekening houden met de culturele onmacht van moeder, maar tegelijk weet je dat de maatschappij hoge eisen stelt en vraagt om structuur. Moeder voelt zich aan alle kanten gecontroleerd, men overvraagt haar. Ze is niet gewend het gezag naar zich toe te trekken, ze kan de rol van opvoeder helemaal niet aan. De hele hiërarchie in het gezin is zoek na vaders dood. Maar ik moet me opwerpen voor Fatima, die in haar ontwikkeling wordt bedreigd.'

Al maanden overweegt Winter Fatima uit huis te plaatsen. 'Ze is volledig grenzenloos, verzet zich tegen de Marokkaanse cultuur, die ze veel te streng vindt, en gaat uit zo lang als ze zelf wil. Ze komt hele periodes niet op school. Van de leerplichtambtenaar moet er nu echt iets gebeuren. Maar Fatima wil niet uit huis en moeder heeft al gezegd dat dat haar dood zal betekenen. Dat is wat overdreven, maar geestelijk zal dat best zo zijn. Fatima is haar contact met de wereld, verder heeft moeder niemand.'

Een paar weken later treffen Winter en het Marokkaanse gezin elkaar bij de rechter. Winter heeft een telefoontje gekregen dat er plaats is in een instelling voor Fatima. Het Marokkaanse gezin verzet zich heftig. 'Ik vond het vooral een moeilijke beslissing omdat je zo'n gezin uit elkaar trekt en niet weet of je daar goed aan doet. Tegelijk duurt de situatie al jaren en verandert er niets in die familie. Dus ben ik naar mijn teamleider gestapt en heb de zaak voorgelegd. Ik heb er lang over nagedacht. Voor zo'n zware beslissing wil ik geruggesteund worden door de organisatie. Nu ben ik eruit. Voor Fatima moeten we deze stap zetten, maar het risico bestaat dat moeder en dochter volharden in hun houding en niet meewerken. Op zeker moment moet je erkennen dat je vermogens beperkt zijn.'

BIJ DE Amsterdamse rechtbank is pakweg tien minuten tijd voor deze complexe zaak. De advocaat van de Marokkanen is niet komen opdagen. Moeder zegt via een tolk dat ze 'doodgaat' als Fatima uit huis wordt geplaatst, en verdedigt haar dochters schoolverzuim met de opmerking 'dat een heleboel andere leerlingen dat ook doen'. De rechter hoort het aan en spreekt Fatima nog eens berispend toe. 'Als je moeder de baas is, dan zou je misschien ook eens wat beter naar haar kunnen luisteren.' Niet boos, niet woedend, maar verdwaald op een verkeerde planeet - die indruk wekken Fatima en haar moeder als zij even later de rechtbank verlaten.

Winter: 'De rechter geeft vast toestemming voor een uithuisplaatsing, maar je ziet dat ze geen idee heeft van de ingewikkelde achtergrond van dit probleem, omdat rechters tegenwoordig verder afstaan van de praktijk.' Voor de wetswijziging, wisten rechters een hoop van hun cliënten. Nu niet meer. De rechter is op afstand komen te staan en toetst nu nog slechts de besluiten van de gezinsvoogdij-instellingen.

De overkoepelende organisatie voor de voogdij-instellingen, Vedivo, heeft in verband met de hoge werkdruk inmiddels gedreigd wachtlijsten in te voeren voor nieuwe pupillen. Een forse stap, en de verantwoordelijke staatssecretaris Schmitz van Justitie doet het dreigement af als voorbarig. Dezer dagen wordt immers een rapport verwacht met de uitkomsten van een onderzoek naar de werklast, de te hoge caseload. Een extra bedrag van ruim tien miljoen gulden is voor dit najaar beloofd.

Maar daarmee is de angst niet weg. In Utrecht spraken vorige week gezinsvoogden, georganiseerd in de Belangenvereniging voor Medewerkers in de Jeugdbescherming en de Jeugdreclassering (BMJ), tegenover Schmitz de vrees uit dat dit geld alleen zal worden gebruikt voor de eveneens nijpende tekorten aan apparatuur en huisvesting, die sommige instellingen al aan de rand van het faillissement hebben gebracht.

Als het geld verspreid wordt ingezet, zal nog altijd weinig veranderen aan de overbelasting. De Vedivo heeft berekend dat per gezinsvoogd voor de bijna 29 duizend pupillen in het land slechts een krappe vier uur per week is overgebleven voor persoonlijk contact; dat was vroeger acht uur. Gezinsvoogden kunnen nog maar eens in de zes weken een uur persoonlijk aandacht besteden aan een zaak; aan de pupil, maar ook aan ouders of andere betrokkenen.

Toch laat Truus Winter, actief in de Pinkstergemeente, zich niet gek maken. Aan de muur hangt een spreuk van de discipel Johannes: God is liefde, en wie in de liefde blijft, blijft in God, en God blijft in hem. 'Uit het geloof haal ik kracht om dit werk te doen. Anderen verbazen zich erover dat ik altijd zo rustig blijf, maar het klopt.'

Van de directe hulpverlening, waarvoor ze haar eerdere beroep verliet, komt inmiddels niet zoveel terecht. 'Ik heb een geestelijke ommezwaai moeten maken toen ik merkte dat ik als gezinsvoogd in plaats van hulpverleenster meer een casemanager moest zijn, die op grotere afstand de benodigde hulp rondom kind en gezin coördineert. Maar deze manier van werken bevalt me inmiddels prima.'

Een collega, die het oude regime nog heeft meegemaakt: 'Zelf ga ik nog wel eens een frietje eten met een pupil, of ik help desnoods mee met verhuizen als het nodig is. Ik ben van de oude stempel en heb nog wel moeite met al dat formalistische gedoe en het papierwerk. Ik geloof nog steeds dat je door persoonlijk contact veel te horen krijgt, wat de hulp uiteindelijk makkelijker maakt. Maar ik denk dat Truus het nieuwe ideaaltype is. Ze krijgt haar administratieve taken goed rond, maakt makkelijk contact met cliënten en houdt behoorlijk afstand. Ze beseft donders goed dat je anders gauw wordt uitgezogen.' Sector-directeur Ruth Kervezee van de SiJA: 'Iedereen vindt ons werk o zo belangrijk, maar wij krijgen steeds meer taken, juridisch en administratief, terwijl we geacht worden frequent contact te hebben met onze cliënten. We hebben al de nodige reorganisaties achter de rug en nu wordt van ons verwacht dat we gaan samenwerken in verband met het op te richten bureau Jeugdzorg. Heel goed allemaal, maar dan ook graag de middelen erbij. We zitten hier ondertussen wel te verzuipen.'

Meer over