portrettencreatief met wol

Vol van wol: deze zes liefhebbers maken de mooiste dingen van wol

Beeld fotografie: Anne Claire de Breij | assistenten: Thijs Jagers, Timo Steenvoorden, Marc Deurloo

Voor veel Nederlandse boeren is wol een restproduct, maar deze zes wolfanaten creëren er de mooiste dingen mee. Van vilten wandkleden tot imitatiebont.

De kunstenaar: Claudy Jongstra (57)

Claudy Jongstra is de grootste wolkunstenaar van Nederland. Ze staat bekend om haar grote wandtapijten, maar bundelt ook regelmatig haar krachten met modeontwerpers.

De eerste keer dat Claudy Jongstra gegrepen werd door wol, was 25 jaar geleden in het TextielMuseum Tilburg. ‘Daar stond in een tentoonstelling een joert, een traditionele ronde tent van vilt waarin nomaden wonen. Het materiaal maakte zo veel indruk op me dat ik besloot zelf stoffen te gaan ontwerpen.’

Studio Claudy Jongstra is meer dan een atelier in Friesland; het is een biologische boerderij en werkplaats waar een heel team werkt aan het verkrijgen van de materialen voor Jongstra’s textielkunst. ‘De wol komt van mijn eigen kudde Drentse heideschapen. Dat zijn gebiedseigen dieren, die hier al eeuwenlang worden ingezet voor landschapsonderhoud. Hun wol wordt geverfd met natuurlijke grondstoffen uit biodynamische teelt. Daarvoor heb ik een eigen moestuin en werk ik samen met boeren uit de buurt.’

Alles draait voor haar om het herwaarderen van materialen en ambachten. ‘We zijn de waarde van wol vergeten. Wekelijks krijg ik honderden kilo’s wol van boeren aangeboden. Schokkend, want er waren tijden dat wol als betaalmiddel werd gebruikt.’ Als modeontwerpers haar visie delen, wil ze samenwerken. Zo maakte ze vilten mantels met dramatische kragen voor Viktor & Rolf en een jas gekleurd met indigo voor Maison Margiela. ‘Ontwerpers merken dat het roer om moet, dat het systeem niet houdbaar meer is, dat er een culturele omslag moet komen. Zij hebben zoveel invloed. Samen kunnen we een grotere beweging op gang brengen.’

Het succesbedrijf: Stéphanie Caulier 

Met 150 duizend volgers op Instagram zijn de grofgebreide vesten van Mr Mittens een ware handgemaakte hit, vooral onder jonge vrouwen. Oprichter Stéphanie Caulier begon het merk breiend vanaf haar eigen bank.

Beeld Anne Claire de Breij

Toen de Vlaamse Stéphanie Caulier met haar vriend meeverhuisde naar zijn geboorteland Australië, besloot ze uit verveling te starten met sjaals breien en verkopen. ‘Als kind breide ik ook veel. Mijn moeder en grootmoeder zijn echte handwerkers, dus het zat er al jong in.’ Vrij snel voegde ze een grofgebreid vest toe aan haar repertoire.

‘Omdat ik een van de eersten was die zulke handgebreide producten verkocht, werd ik snel opgepikt.’ Voor ze het wist stond haar vest in Australische modebladen als Vogue en Harper’s Bazaar. Ook slimme samenwerkingen met influencers droegen bij aan de snelle groei in populariteit. ‘Toen ik de eerste grote inkoop van 300 kilo wol in huis haalde, zei mijn vriend: ‘Hier gaan we nooit vanaf geraken.’ Nu verbruiken we meer dan 10.000 kilo per jaar.’

Haar bedrijf runt ze nog steeds vanuit huis, nu in Antwerpen. Mr Mittens is inmiddels te koop bij grote, vooraanstaande (online) modehuizen als Harrods en Net-A-Porter. Breien doet ze allang niet meer zelf; Mr Mittens heeft honderden breisters in dienst, die in Peru werken aan de ‘heartworking knitwear’ van het merk. ‘De collectie is steeds verder uitgebreid: naast chunky wol hebben we nu ook fijne wol, katoen en kasjmier. Het is misschien iets té uitgebreid geworden, al die collecties en producties. Op den duur wil ik weer focussen op de klassiekers.’

De wever: Lieke Pansters (37)

Lieke Pansters werkte lang in Milaan, in het hart van de modewereld. Nu produceert ze vanachter haar weefgetouw unieke kledingstukken en geweven kunstwerken en bouwt zo aan haar eigen weefstudio.

Beeld fotografie: Anne Claire de Breij | MUA : Siddharta Simone

Lieke Pansters wil nu juist even geen druk, geen grootse dromen of verwachtingen, geen planning. Ze werkte tien jaar als ontwerper in Milaan en pakte, toen ze daar steeds minder vreugde uithaalde, haar oude hobby weer op: weven. ‘Het is het clichéverhaal dat iedereen kent over de modewereld. Al die collecties die elkaar opvolgen; je bent als ontwerper meer machine dan mens. Er is geen tijd en aandacht meer voor individuele stukken.’

Achter haar weefgetouw is het precies andersom. Er gaat een proces van uren aan vooraf voordat ze aan een trui, top of jurk kan beginnen. ‘Eerst span ik de dragende draden voor de schering met de hand op een raam. Dan moet ik het weefgetouw handmatig inrijgen.’ Ze werkt op een Japans exemplaar, en doet aan vrij weven. Niet ontwerpen vooraf, maar gaandeweg een ontwerp laten ontstaan. ‘In Nederland kennen we het Zweedse weefgetouw, waarop je patroontjes maakt. In Japan laten ze dat los, en gaat het om het vrij manipuleren van de draden en de techniek.’

Zo weeft ze expres ‘foutjes’ in wat ze maakt: plekken waar draden te strak of te los zitten. ‘Zo ontstaan interessante patronen en texturen.’ Is de stof gesponnen, dan wordt hij daarna vervilt voor de stevigheid. Voor haar vrije werk, geweven doeken, spint ze de wol ook zelf. ‘Voor kledingstukken is dat te veel werk. Dan gebruik ik machinaal gesponnen wol, veelal uit Italië.’ Vorig jaar verscheen haar eerste collectie, ‘LIEKEPANSTERS01’. Naast handgeweven kunstwerken verkoopt ze vooralsnog alleen truien en jurken. ‘In één exemplaar zit zo’n drie dagen werk.’ Onlangs zijn haar truien gefotografeerd voor de Nederlandse Vogue. Wat de toekomst verder brengt weet ze nog niet. ‘Vooralsnog gaat het vooral om de rust die ik vind in het maken.’

De ondernemer: Ron Beckers (59)

Het begon met een V-halstrui en is inmiddels een gevestigd mannenmerk: Joe Merino. Oprichter Ron Beckers zit nog steeds bovenop zowel de zakelijke als de creatieve kant van zijn bedrijf.

Beeld Anne Claire de Breij

Met Ron Beckers, de man achter Joe Merino, kun je uren praten over de technische kanten van wol. Welke schapen een vacht hebben met de laagste microns bijvoorbeeld: hoe dunner de vezel, hoe fijner en zachter het breisel dat je ermee kunt maken. ‘Nee, zelf kan ik niet breien, daar ben ik te ongeduldig voor. Maar je kunt me alles vragen over de wol en de breimachines.’

Ron Beckers, die jarenlang met zijn moeder een confectiebedrijf in damesmode runde, bracht in 2011 zijn eerste wollen trui op de markt. Fijn gebreid, met een kleine V-hals en het kenmerkende oranje streepje op de rechtermouw. ‘Ik wilde een goed en veelzijdig kledingstuk maken dat elke kerel in zijn kast moet hebben.’ Hij bleek de ‘kerels’ erg goed te begrijpen: het Joe Merino-imperium dijt nog altijd uit. Qua collectie, inmiddels verkoopt hij zelfs joggingpakken, en qua locatie: ‘Momenteel doen we het erg goed in Duitsland’. Voor de productie werkt hij trouw samen met een fabriek in Shanghai. ‘Die eigenaar is ook een wolfanaat. In het begin was ik zijn kleinste klant, nu zijn grootste.’

Beckers’ hoofd staat nooit stil, altijd werkt hij wel aan nieuwe ‘projectjes’. Zoals wollen bodywarmers, sneakersokken en regenjassen. ‘Vaak begint het als een limited edition. Maar dan loopt het zo goed dat het in de collectie blijft.’ Vrouwenmode doet hij nooit meer. ‘Nee, we hebben ooit als test de Julia Merino gemaakt. Was gedoe en geen succes. Vrouwen hebben zulke andere verwachtingen van kleding. Onze kleding staat leuk, hoor. Mijn vrouw draagt onze vestjes graag. Maar daar blijft het bij.’

De vernieuwer: Borre Akkersdijk (35)

Wie denkt dat Borre Akkersdijk een modeontwerper is, en zijn Byborre een kledingmerk, heeft het mis. Hij noemt wat hij doet textielinnovatie, en wil dat zo veel mogelijk anderen gebruikmaken van zijn werk.

Beeld Anne Claire de Breij

Borre Akkersdijk is de man achter het label Byborre. ‘We zijn een textielinnovatiestudio. Wij focussen op het ontwikkelen van vernieuwende technieken voor het maken van textiel.’ Ja, soms verwerkt Byborre dat textiel zelf tot een ontwerp, voor de editions die ze halfjaarlijks uitbrengen. Belangrijker nog is dat het bedrijf samenwerkt met grote partijen in de modewereld. ‘Je kunt wel als kleine ontwerper de wereld willen veranderen, maar beter is het om systemen te bedenken die iedereen kan gebruiken.’

Zo heeft Byborre het project True Color gedaan met Adidas. ‘We wilden een productieketen ontwerpen met zo min mogelijk stappen. Om de kledingindustrie uit te dagen na te denken over de gevolgen voor het milieu. We kozen voor ongeverfde, natuurlijke stoffen. Zo ontstond een proces dat materialen in hun puurste vorm gebruikt. We zijn nu nog bezig die kleding in de winkel te krijgen, dat duurt vaak jaren.’

Byborre is onderzoekspartner van The Woolmark Company. ‘Je kunt hen zien als de organisatie die het imago van merinowol goed houdt, en de prijs voor boeren.’ Byborre gebruikt het materiaal voor veel speciale projecten. ‘Zo zijn we nu bezig met thermokleding voor drie Britse Noordpoolwetenschappers. Zij moeten op hun expeditie zes maanden hetzelfde aan. Wol is dan uiterst geschikt, want antibacterieel en warmhoudend. De natuur heeft daar zo veel functionele aspecten in gestopt, dat kun je niet beter bedenken.’

Het talent: Rienk Steunebrink (20)

Zijn krukje van zwarte lelies was vorig jaar nog te zien op de Dutch Design Week. Nu heeft student Rienk Steunebrink zich voor zijn eindexamen gestort op imitatiebont van wol. Dat ontwikkelt hij onder het toeziend oog van Claudy Jongstra.

Beeld Anne Claire de Breij

‘Het is eigenlijk schilderen met wol’, legt Rienk Steunebrink uit, als hij vertelt hoe hij zijn bontinterpretaties maakt. ‘Je begint met lichte kleuren, en gaat dan diepte toevoegen.’ Het bont maken van wol, geverfd met natuurlijke stoffen, wordt zijn eindexamenproject voor de Cibap-vakschool in Zwolle. Het is een plek waar het werk als creatief vakman nieuw leven wordt ingeblazen.

Hij kwam op het idee tijdens zijn stage bij Claudy Jongstra, die hij deed in het kader van de opleiding fabrics and design. Daarvoor had hij nooit speciaal over wol nagedacht. ‘Ik wilde mijn bewustzijn van natuurlijke materialen beter ontwikkelen. Zo kwam ik erachter dat er heel veel verschillende soorten wol zijn, met uiteenlopende eigenschappen. Het is een prachtig materiaal waar nu veel te weinig mee wordt gedaan.’

Toen hij voor een project Vlaamse portretten uit de 16de eeuw onder ogen kreeg, viel zijn oog op de bontkragen van de geportretteerden. ‘Hoe zou ik die kunnen weergeven in wol? Dat is, net als bont, een dierlijk product, maar een stuk diervriendelijker.’ Voor zijn afstuderen wil hij een kledingstuk ontwerpen. ‘Zelf heb ik een jas in gedachten, maar misschien is dat te voor de hand liggend.’ In zijn toekomstdroom hangen zijn wolbontjassen in grote, chique warenhuizen. ‘Het is wel mijn doel een eigen merk op te zetten, maar ik ben ook vrij bescheiden. Ik ga in ieder geval mijn best doen.’

Meer over