Voetreis naar Rome

Maanden deden de middeleeuwse pelgrims erover om naar Rome te lopen. De belangrijkste route vanuit Noord-Europa was sinds de achtste eeuw de Via Francigena....

'EERST DEED ik het alleen uit religieuze overwegingen. Tegenwoordig doe ik het ook om interesse te wekken in middeleeuwse pelgrimsroutes.' In een café op het plein van Berceto, een oud stadje tussen Parma en La Spezia, vertelt beroepspelgrim Luigi Grazioli over zijn reizen. Drie keer de voettocht gemaakt naar Santiago de Compostela. Twee keer dwars door Spanje getrokken. Twee jaar geleden in 57 dagen de 1830 kilometer gelopen van Canterbury naar Rome. Een van de etappes eindigde in de dom van Berceto, pal tegenover het café.

Deze zomer gaat de ex-onderwijzer op tocht van Rome naar Jeruzalem. En in september 1999 krijgt hij in de kathedraal van Canterbury de zegen voor zijn tweede voetreis naar Rome. Opnieuw zal hij dan het duizend jaar oude voetspoor volgen van Sigeric, aartsbisschop van Canterbury. Als de paus op 24 december 1999 de Heilige Deur van de Sint Pieter opent en daarmee ook het kerkelijke jubileumjaar 2000, zal Grazioli erbij zijn.

Miljoenen pelgrims zijn hem voorgegaan. Al in de vroege Middeleeuwen, dus lang voordat paus Bonifacius VIII het jaar 1300 uitriep tot het eerste jubileumjaar, begonnen de pelgrimstochten naar Rome. In de hoofdstad van de christenheid baden de pelgrims op het graf van Petrus en de andere heiligen. Later kwam er een ander doel bij: het kopen van aflaten. De grootte van de aalmoes bepaalde uiteraard de kracht van de aflaat.

De pelgrims waren van alle standen: vorsten en rijken, maar vooral avonturiers, zieken, gebrekkigen en gewone gelovigen. Ze gingen op reis uit devotie of boetedoening, ter inlossing van een belofte of om te smeken om een gunst. Hun reizen konden maanden duren, want tijd speelde in de Middeleeuwen geen enkele rol. Soms bleven ze onderweg steken. Hoe groter de ontberingen, hoe sterker hun positie om hemelse gunsten te vragen.

Die moeizame tochten symboliseerden de levensreis van de mens naar zijn einddoel in het hemelse Jeruzalem. Maar langs 's Heren wegen kon het er aards aan toegaan. Rovers, honger en ziekten lagen steeds op de loer. Lokale potentaten hieven zware tol. Geldwisselaars misbruikten de onwetendheid van de pelgrims. Herbergiers bleken vaak dieven. Soms sloegen de vrome reizigers zelf aan het plunderen. De vrouwen onder hen kwamen vaak aan de kost door prostitutie, totdat de paus niet alleen de pelgrimshoertjes, maar alle vrouwen het pelgrimeren verbood. Is dat verbod eigenlijk ooit opgeheven?

De belangrijkste route vanuit Noord-Europa was sinds de achtste eeuw de Via Francigena of Via Francisca, de Frankenweg. In Italië heette ze ook Via Romea, de Romeweg. Het was niet één enkele route, maar een net van wegen. De Francigena-wegwijzers die Italiaanse VVV's hebben neergezet, kunnen dan ook misleidend zijn. Maar alle wegen leidden naar hetzelfde doel: Rome.

Vanuit Frankrijk staken stoeten pelgrims, soldaten, handelaars, kunstenaars, bandieten en andere reizigers de Alpen over via de Grote Sint Bernhard of de Mont Cenis. In Italië kwamen die routes vlak na de oversteek van de Po bij elkaar in de stad Piacenza. Dat punt is de Piazza Borgo, waar afgeknotte torens oude tijden oproepen.

Nog altijd is te zien dat Piacenza een knooppunt van pelgrimsroutes is geweest. Zelfs het hoofdziekenhuis, het Ospedale Grande, dankt zijn bestaan aan de pelgrims. Het komt voort uit een fusie in 1471 van 46 ospedali, door monniken gerunde gasthuizen waarin de pelgrims een bed, eten en geestelijke hulp kregen. Later kwam de nadruk te liggen op ziekenzorg. De gasthuizen werden ziekenhuizen, maar de naam bleef.

In de kathedraal van Piacenza blijf ik staan voor een zuil met een bijzondere sculptuur. Ik zie wat vele pelgrims vóór mij hebben gezien: een model-pelgrim. Ruw kleed, tas om de schouder, staf in de hand. De kathedraal was voor de pelgrims een verplichte stop, net als de kerk van de stadspatroon Antoninus en die van Santa Maria di Campagna. Voor mij ook. In het Palazzo Gotico is een prachtige expositie met de hoogtepunten van de laat-middeleeuwse kunst uit Piacenza en omgeving.

Vanuit Piacenza leidt door het dal van de Trebbia, waar Hannibal eens de Romeinen versloeg, een Francigena-variant naar het bergstadje Bobbio. Deze kasteelroute is vooral bij Ierse pelgrims in trek. Hun landgenoot Columbanus stichtte in Bobbio in 614 een klooster en een bibliotheek. Met haar negenhonderd manuscripten was de plaatselijke abdij een van de grootste intellectuele centra van Europa. De abdij is verbouwd en ontwijd. Maar de oude binnenplaats waaraan de bibliotheek grensde, geurt nog altijd naar middeleeuwen.

Diezelfde sfeer hangt in en rond de dom van Fidenza, na Piacenza een vaste halte voor de pelgrims. Een beeld van een romaanse kerk. Het plein is stil, de kerk nog stiller. Naast het priesterkoor is een trap naar beneden. Ik schuif een gordijn weg. De crypte. Onder het altaar staat een kist van glas, zilver en goud. En daarin de objecten die sinds oeroude tijden vurig zijn vereerd: de knoken en de schedel van de martelaar Domninus.

Deze bekeerde Romeinse soldaat werd op last van de keizer onthoofd. Hij raapte daarna zijn hoofd op en ging ermee vandoor. Hij viel dood neer op de plaats waar nu de crypte is. Dat wonder is vastgelegd op een schilderij in een zijkapel, die gedeeltelijk is gebouwd op het oude plaveisel van de Francigena. Domninus' andere wonderen staan, in steen, op de gevel van de dom.

Veel gevelsculpturen hier herinneren de huidige lopers naar Rome aan hun verre voorgangers. De Drie Koningen, die golden als de eerste pelgrims. Rijke en arme pelgrims. Pelgrims geleid door engelen. Een zieke pelgrim. Pelgrims te voet of te paard met staf en knapzak. En een raadselachtig fries van vechtende dieren en mensen, en van een man die een vrouw onder de rok grijpt. Een pelgrim die zijn handen niet kan thuis houden?

Een tak van de Francigena loopt van Fidenza door naar Parma, stad van kunst, cultuur en keuken. De meeste pelgrims bogen echter bij Noceto zuidwaarts af naar Fornovo, het oude Forum Novum, waar ze stopten bij de negende-eeuwse pieve. In een nis van die parochiekerk staat nog altijd het hoofdloze beeld van een Francigena-pelgrim. Aan zijn riem draagt hij zeven sleutels: die van de belangrijkste basilieken van Rome.

Maar Rome is nog ver. Net als de oude pelgrims moet ik eerst de Apennijnen oversteken via een route door en boven het dal van de Taro. Ik laat het industriegebied en de Povlakte achter me en wandel door een natuur die sinds aartsbischop Sigeric niet veel veranderd kan zijn. Jammer dat de middeleeuwse pelgrims geen oog hadden voor de natuur en geen gevoel voor de totale afwezigheid van stank, herrie en neurose. De weg voert langs bergen en dalen, langs dorpjes en kastelen. De tijd lijkt bevroren. Absolute rust. Absolute vrede.

Middeleeuwse wegen waren alleen geplaveid waar ze door bebouwingen liepen. Hier en daar zijn nog resten te zien van dat oude wegdek. De Francigena heet hier de Via Monte Bardone, naar een stadje dat zelf heet naar de Longobarden. In Bardone wacht me in de zoveelste kerk de zoveelste verrassing: oeroude sculpturen van een realistische kruisafname en een symbolische strijd van goed en kwaad. Het veld naast de kerk heet Campo del ospedale. Die naam is het enige wat over is van een van de belangrijkste gasthuizen aan de Francigena.

Het plaatsje Berceto, de laatste pleisterplaats vóór de overtocht over de Cisa-pas, loont op zichzelf al alle moeite van de reis. Maar zorg dan wel als gids don Giuseppe Bertozzi te hebben, sinds 38 jaar pastoor en huisarcheoloog van de dom van Berceto. In zijn eentje voert hij strijd tegen de officiële wetenschap, die het oudste deel van zijn kerk dateert in de twaalfde eeuw. Don Bertozzi vindt dat vier eeuwen te jong.

Hij staat me in zijn kerk op te wachten. Hij lijkt eerst nurks, maar als hij eenmaal is ontdooid, is hij niet meer te stuiten. Hij sleept me mee naar zijn opgravingen. 'Hier, door deze doorzichtige tegels ziet u dat de vloer vroeger een stuk lager lag. Daar, dat zijn fundamenten van een oudere kerk. En dit oude kloostervertrek - we dalen af in een ruimte naast het priesterkoor - heb ik zelf ontdekt.'

De pronkstukken van de kerk en haar schatkamer zijn Longobardische sculpturen, een geborduurde mantel uit de achtste of negende eeuw en een glazen kelk van vóór het jaar 1000. Over die kelk is een film te maken, met don Bertozzi in de hoofdrol. Het script heeft hij al: 'In 1972 werd het altaar vervangen. Uit pure intuïtie ben ik op die plek gaan graven. Stiekem 's nachts, want ik had geen vergunning. Ik kwam terecht in een holle ruimte. Een graftombe met twee geraamtes erin. Bouwvakkers hebben het graf omhooggehaald. Tussen het afval vonden ze een glazen kelk. Een priesterkelk. Helemaal heel. Hij was meegegeven aan een van doden.'

Naast de kathedraal loopt de middeleeuwse Via Roma. De weg naar Rome. De Cisa-pas, op 1039 meter hoogte, valt tegen. Er staat een foeilelijk Mariakerkje, waarin aan de Maagd gewijde shirts hangen van beroemde Italiaanse sportlieden. Hier eindigt de regio Emilia Romagna en begint Toscane. De Francigena kronkelt verder door de stilte en de groene natuur van de streek Lunigiana.

Vanuit Pontremoli klimt de weg smal omhoog naar het lege dorp Biglio. Aan de klokkentoren hangt zinloos een touw. Toch even beieren. De enige bewoner, een stokoude man, wordt er niet wakker van. Na Biglio wordt de Francigena een steil pad, dat klimt en daalt tussen overwoekerde terrassen en velden. De kastanjebomen zijn ziek, de wijngaarden verwaarloosd, vee is er niet meer. Maar het uitzicht op twee Apennijnenketens en het dal ertussen is groots. Het enige geluid komt van de vogels.

Gids Giulio is van de streek. Hij gooit een steen naar de kop van een passerende gifslang en plet hem met een krakend geluid. In het volgende dorp wonen drie mensen en een kat. Giulio maakt een praatje over paarden en planten. Na nog een half uur zwoegen lijkt de vlek Orturano een metropool. 'Dit is nog altijd de snelste weg tussen Biglio en Orturano', zegt Giulio, een stafkaart in de hand. In duizend jaar is er dus niets veranderd.

In het enige hotel van Montelungo klaagt de herbergier tegen zijn enige gast over de leegloop. 'Er zijn nog maar twee kinderen in het dorp: de onze. Sinds de autostrada er is, strijkt niemand hier meer neer. Deze dorpen hebben geen toekomst.' Behalve als de Francigena weer een pelgrimsweg wordt, en zijn hotel een ouderwets gasthuis.

Beroepspelgrim Luigi Grazioli heeft goede hoop. 'In het verleden zijn oorlogen gevoerd om pelgrims te lokken. De laatste jaren zie je langs de route naar Santiago de Compostela in Spanje een enorme economische opbloei. De pelgrims die straks langs de Francigena naar Rome gaan, kunnen de stervende dorpen redden van de dood.'

Meer over