InterviewSeada Nourhussen

‘Veel mensen denken dat ik bitter, zuur en onaardig ben. Maar ik ben vet leuk en grappig’

Ze is hoofdredacteur van het enige Nederlandse ‘black owned’-opinieblad: OneWorld. Journalist Seada Nourhussen verzet zich tegen ongelijkheid, onrecht, seksisme, racisme – en nog een heleboel meer. Daarmee ligt ze geregeld onder vuur, maar dat houdt haar niet tegen. Integendeel. ‘Ik mis openlijke strijdbaarheid onder journalisten.’

Sara Berkeljon
Seada Nourhussen. Beeld Anne Claire de Breij
Seada Nourhussen.Beeld Anne Claire de Breij

Dit is de reden dat Seada Nourhussen weinig interviews geeft: ‘Er is vaak geen oprechte interesse in mijn visie op journalistiek. Regelmatig wordt mij gevraagd om iets te zeggen over racisme, of over diversiteit. Het gaat vrijwel nooit over mijn vak. Media nodigen me uit als token, om wat ik in hun ogen zou vertegenwoordigen. Ze willen me tegenover iemand anders zetten – debat, dat is leuk voor de ophef. Of ze willen praten over iets wat ik op Twitter heb gezegd – maar Twitter is niet mijn baan. Om al deze redenen ben ik niet happig. Jij bent een van de eersten met wie ik een groot interview doe.’

Pas bij het derde verzoek in twee jaar tijd zegt ze ja. Omdat OneWorld, het opinieblad waarvan ze sinds 2018 hoofdredacteur is, tien jaar bestaat. ‘Een mooie aanleiding. En ik moet natuurlijk ook wel met de pers praten, want we moeten onszelf meer in de kijker spelen.’

De twijfel die ze aanvankelijk voelde, had ook met de afzender te maken: de Volkskrant. Ze werkte er als twintiger twee jaar, als beginnend journalist op de kunst- en economieredactie, maar stoort zich nu aan wat zij ziet als de verrechtsing van de Volkskrant en aan Volkskrant-columnisten die tekeer gaan tegen ‘woke’ en identiteitspolitiek. Nourhussen: ‘Wat veel witte journalisten niet begrijpen, is dit: de Volkskrant had tot voor kort een columnist als Arthur van Amerongen in de kolommen, iemand die het n-woord gebruikt en suggereerde dat zwarte schrijvers zoals ik hun eigen teksten niet schrijven. Waarom zou ik denken dat mijn verhaal goed terechtkomt op een redactie waar dat soort mensen de ruimte krijgen? Ik kan ook Max Pam of Sylvia Witteman noemen – als dát de stemmen zijn, denk ik wel vier keer na. En, belangrijker: onder de vorige hoofdredacteur werd een zin uit de identiteitsverklaring geschrapt waarin stond dat de Volkskrant opkomt voor ‘de verdrukten en ontrechten’. Dus nee, dat is geen wereld waarin mijn verhaal per se veilig is.’

Nourhussen (43) is niet alleen de enige zwarte vrouwelijke hoofdredacteur van Nederland, sinds 2021 is ze – samen met uitgever John Olivieira – ook licentiehouder van OneWorld. Toen de titel in 2020 in zwaar weer kwam en alle werknemers, inclusief hoofdredacteur Nourhussen, werden ontslagen, nam Nourhussen het besluit de titel over te nemen en haalde ze Olivieira erbij. Samen bouwden ze met een kleiner team verder aan het enige Nederlandse ‘black owned’-opinieblad, met een oplage van zevenduizend en jaarlijks twee miljoen lezers online – ter vergelijking: Vrij Nederland heeft tegenwoordig een oplage van ruim vijftienduizend.

Online en in het papieren magazine, dat vier keer per jaar verschijnt, brengt OneWorld ‘journalistiek voor rechtvaardigheid’. Dat betekent: veel ruimte voor ‘gemarginaliseerde perspectieven en stemmen’ en aandacht voor thema’s als seksisme, racisme, armoede en ‘klimaatrechtvaardigheid’: het idee dat de opwarming van de aarde een politieke en ethische kwestie is, omdat de klimaatcrisis de mensen die er het minst aan bijdragen het hardst treft, door historisch onrecht als kolonialisme.

De waan van de dag gaat heel bewust aan OneWorld voorbij. Nourhussen: ‘De journalistiek is wekenlang bezig geweest met een zogenaamde onthulling over de verrader van Anne Frank. Ik denk: wat maakt het uit wie Anne Frank heeft verraden? Het zou moeten gaan om de vraag hoe het kan dat vanuit Nederland relatief zoveel meer joden zijn afgevoerd dan vanuit buurlanden, dát zou het gesprek moeten zijn. Dat is de invalshoek die OneWorld kiest. De vraag is: durven we werkelijk naar binnen te kijken of gaan we het een maand hebben over of een slecht boek uit de handel zal worden genomen?’

Seada Nourhussen. Beeld Anne Claire de Breij
Seada Nourhussen.Beeld Anne Claire de Breij

In artikelen over de oorlog in Oekraïne vraagt OneWorld zich af of sancties en wapenleveranties wel zin hebben, en wordt het verschil in ontvangst benadrukt tussen de Oekraïense vluchtelingen en die uit andere delen van de wereld. Nourhussen: ‘Ik snap dat Oekraïne dichterbij is, ook in politieke en economische zin. Ik snap dat dat leidt tot het gevoel: what if we’re next? Vanwege dat eigenbelang en omdat de vluchtelingen op etnische Nederlanders lijken, is er ineens een directe bereidheid om Oekraïners in huis te nemen. Ineens is het een soort broedervolk. Het is zo selectief. Dat vind ik pijnlijk, heel pijnlijk. Ik denk dan aan hoe Afghaanse vluchtelingen, mensen die voor Nederland hebben gewerkt, vorig jaar werden verwelkomd in Harskamp: met racistische leuzen en brandende autobanden. Afghaanse vluchtelingen worden nu nog van noodopvang naar noodopvang gestuurd. Toen zagen we op televisie dat mensen aan vliegtuigen hingen om aan de Taliban te ontsnappen, toch? Dat was toch óók acuut? Die dubbele standaarden, daar kan ik niet tegen.’

Sinds haar aantreden kreeg OneWorld een scherper profiel, bijvoorbeeld door een woordenlijst te publiceren met ‘koloniaal taalgebruik’ dat op OneWorld niet meer zou voorkomen (daarover later meer), en door een manifest waarin onder andere expliciet staat dat OneWorld ‘niet waardenvrij’ is. ‘Wij zullen onszelf daarom ook nooit als ‘neutraal’ omschrijven. Wij zijn liever helder over onze missie dan dat we valse neutraliteit verkondigen.’

Dat andere journalisten zichzelf wél graag als neutraal bestempelen, verbaast Nourhussen. Niemand is neutraal, dus moet je ook niet alsof doen. ‘Je moet als journalist je eigen macht en positie in ogenschouw nemen. Het is gevaarlijk dat machtige mensen vaak zelf niet doorhebben hoeveel macht ze hebben. Eigenlijk is het zoals Joris Luyendijk zegt: ze zijn daardoor niet in staat om onderdrukking en machtsmisbruik te herkennen. Ik vond het overigens wel aandoenlijk, hoe Luyendijk probeerde uit te leggen hoe bevoorrecht hij is. En ik vond zijn verhaal ook een klein beetje lachwekkend. Maar het is wel waar: als je onrecht nooit ondervindt, is onrecht een abstract begrip. Voor mij is het dat niet. Onrecht in mijn geboorteland Ethopië heeft de loop van mijn leven bepaald. Onrecht is de reden dat ik ooit naar Nederland ben gekomen, en onrecht is uiteindelijk de reden dat ik nu in dit kantoor met jou zit te praten.’

Journalisten zouden niet alleen hun eigen positie in ogenschouw moeten nemen, ze zouden zich ook vaker in het openbaar moeten uitspreken. ‘Ik mis openlijke strijdbaarheid onder journalisten. Bijvoorbeeld over hoe hun freelancecollega’s worden uitgebuit door DPG Media. Weet je wat vaak gebeurt? Ik twitter over iets wat ik onrechtvaardig vind, en journalisten sturen mij privéberichten dat ze het met me eens zijn. Niemand heeft daar iets aan. Het moet openlijk. Als je onrecht ziet en er niks van zegt, verzuim je in mijn ogen je taak als journalist. Uiteindelijk is dat zwijgen gewoon zelfbehoud. Ondertussen zitten ze op sociale media allemaal te loeren naar iedereen die wél z’n mond opendoet. En dan geven ze een like. Ik trek dat voor geen meter, eigenlijk. Steek je nek uit.’

Met als gevolg een constante stroom van vaak hatelijke reacties, daarover kun je meepraten.

‘Maar je bent wel vrij, hè? Ik ben vrij. Ik doe me niet anders voor dan ik ben.’

Voor Nourhussen aantrad bij OneWorld, doorliep ze een traditionele journalistieke carrière: na de School voor Journalistiek kwam ze bij de Volkskrant terecht, daarna werkte ze bij Elsevier, en vervolgens twaalf jaar bij Trouw, waar ze eerst over maatschappelijke trends schreef en uiteindelijk acht jaar Afrika-redacteur op de buitenlandredactie was. De laatste jaren had ze ook een – veelbesproken – column in die krant.

Het viel haar op dat verslaggeving over Afrika nogal eens tekortschoot. ‘In de verhalen over ontwikkelingshulp, bijvoorbeeld, zag ik een enorm machtsverschil. Wij hebben het geld, en wij komen jullie helpen. Ik merkte dat het vrij gewoon was om Afrikanen in dat soort verhalen als figuranten op te voeren, de hoofdpersoon was een westerling met een deskundige verklaring of oplossing. In het oude OneWorld, dat tien jaar geleden begon als blad voor de ontwikkelingssector, werd de traditionele ontwikkelingswerker nog te vaak in het zonnetje gezet, dat wilde ik niet meer. Want laten we wel wezen, ontwikkelingssamenwerking is een zeer koloniale bezigheid en heeft het continent sinds de dekolonisatie voor geen meter vooruit geholpen. Mijn voorgangers hadden op dit gebied al veel veranderd, maar ik wilde dat we bij OneWorld ook eerlijk zouden kijken in hoeverre wij zélf koloniaal bezig zijn. Hoeveel van dat kolonialisme zat in ons, in onze werkwijze, taal, woordkeus en fotografie?’

En hoeveel was dat?

‘We hadden een rubriek waarin we een dag uit het leven van een willekeurige inwoner van, ik noem maar wat, Madagaskar beschreven. Iemand in een land ver weg. Hoe leven zij, hoe eten zij? Voor mij was het een vorm van exotisme, het voelde voor mij als aapjes kijken. We gaan ook niet bij iemand in Ierland kijken hoe ze aan de eettafel zitten. Dus daarmee zijn we gestopt. Ook kregen we op de redactie weleens de slappe lach van de onbewust koloniale voorstellen van freelancers, die een artikel wilden schrijven over weer een particulier initiatiefje, een schooltje, over iemands oom die al dertig jaar bezig was om mensen in de binnenlanden van Suriname te helpen. We werden er soms moedeloos van. Ik zoek nu Ghanese journalisten om een verhaal te maken over de zwarte diaspora uit Amerika en Europa die naar voorouderlijk Ghana emigreert, of ik vraag Zimbabwaanse journalisten en fotografen om de klimaatcrisis in hun land vast te leggen.’

Vlak na je aantreden plaatsten jullie een stuk waarin jullie schreven met welke ‘koloniale taal’ jullie zouden stoppen, woorden als ‘inheems’ en ‘leefgebied’. Was het makkelijk om die lijst te maken?

‘Heel makkelijk, want het ging om woorden die me al jaren dwarszaten. Neem hoe mensen in niet-westerse landen vaak op een antropologische manier worden beschreven. Dan gaat het bijvoorbeeld over hun ‘leefgebied’, terwijl ik bij zo’n woord aan de graasweiden van kuddes buffels denk. Als wij lezen over een ‘stam’, schept dat een afstand. Waarom noemen we Friezen geen ‘stam’? In die taal zit ongelijkheid, vooroordeel, stigma en machtsverschil. Het was niet zo dat ik binnen kwam denderen en allerlei woorden in de ban heb gedaan, de redactie wilde ook verandering. Vervolgens ontstond er enorme ophef. Iemand als Volkskrant-columnist Elma Drayer klom in de pen en schreef dat een hele rij woorden van mij niet meer mocht. Terwijl: we hebben het niet tegen jou, we schreven dat wij die woorden zélf niet meer zouden gebruiken. Eerlijk gezegd begrijp ik niet waarom we in Nederland eindeloos kunnen mierenneuken over woorden als pannekoek, maar als het gaat over woorden die een scheve machtsverhouding weerspiegelen, het ineens heel moeilijk is.’

Seada Nourhussen.
 Beeld Anne Claire de Breij
Seada Nourhussen.Beeld Anne Claire de Breij

Hoe zou dat komen?

‘Doordat Nederlanders slecht zijn in systeemkritiek. Het systemische wordt vaak persoonlijk gemaakt: ben ík een racist? In plaats van: is onze samenleving racistisch? Ik denk dat het voor veel Nederlandse journalisten beangstigend was dat OneWorld openlijk zichzelf bevroeg. Er is veel zelfgenoegzaamheid. In de journalistiek ook. Nederlandse journalisten vinden wat ze doen goed – er kan misschien iets worden bijgeschaafd, maar als ik zeg dat er iets radicaal moet worden omgegooid, vinden ze dat erg ongemakkelijk. Nederland heeft een positief zelfbeeld, en dat is het gevolg van een briljante naoorlogse marketingstrategie die onaangename waarheden uit het verleden heeft uitgewist, dat heeft Gloria Wekker zo goed aangetoond met haar boek Witte onschuld. Wekker wees op de bloedige, gruwelijke Nederlandse koloniale geschiedenis, ze doorbrak het beperkte beeld dat de meeste Nederlanders van hun eigen land hebben.’

In een ander artikel over taal gaat het over ‘validistische termen’ – validisme is discriminatie van mensen met een beperking. Een genoemd voorbeeld is ‘wat is dat gek’, of ‘idioot’. Is dat aanstootgevend taalgebruik?

‘Opnieuw: wij zeggen niet dat iets niet mag. Maar die termen zijn, feitelijk, validistisch. Als je relschoppers idioten noemt, koppel je hun gedrag aan het hebben van een beperking. Dat wordt in het stuk ook onderbouwd. Wij zitten hier op de redactie heus niet de hele dag te letten op hoe iedereen praat. We geinen veel, ook over onszelf. Maar nu zeg ik inderdaad geen ‘gek’ meer, zonder dat ik het gevoel heb dat ik mezelf daardoor permanent in een dwangbuis duw.’

Er zijn vast ook mensen die het zo graag goed willen doen dat ze niet meer vrijuit durven te praten. Zou dat een gevaar kunnen zijn?

‘Ik kan me dat best voorstellen. Het gaat alleen niet om jou, maar om rekening houden met anderen. Zelf heb ik weleens een vriendin, een trans vrouw, gemisgenderd – ik duidde haar in gezelschap als ‘hij’ aan. Ik heb haar na afloop een berichtje gestuurd waarin ik liet weten dat ik wist hoe pijnlijk dat voor haar was. Ik heb als cis vrouw op dat moment de verantwoordelijkheid na te denken over hoe ik me uit. Je moet je er bewust van zijn dat je anderen vanuit jouw positie kunt overbelasten. Dat bewustzijn is er bij veel mensen niet, daar weet ik zelf natuurlijk alles van. Gisteren bijvoorbeeld, had ik een witte man over de vloer die shutters kwam installeren. Aardige man, maar er komt altijd een moment waarop zo iemand, vaak onbewust, zijn macht wil laten zien. Hij zei: ‘Shutters zien er luxe uit, heel wat anders dan van die Turkengordijnen, toch?’ Ik vroeg: ‘Wat bedoelt u?’ Nou, hij bedoelde er verder niks mee hoor, zei hij, leuke mensen hoor, Turken, hartstikke gastvrij. Dit is vaste prik. Ga ik met zo iemand een gesprek aan? Of zeg ik dat ik dat soort praat niet accepteer in mijn huis, met een gespannen sfeer tot gevolg? Ik heb me afgewend. Ik dacht: installeer die dingen, let’s go.’

Wat vond je lachwekkend aan het zevenvinkjesverhaal van Joris Luyendijk?

‘Ik vond het vooral lachwekkend dat hij tot zijn inzichten kwam doordat andere witte mannen op de redactie van The Guardian niet met hem wilden lunchen. Like, really? Als dat het grote onrecht is in je leven, moet ik daar wel om lachen.’

Hij constateerde zelf ook dat hij weinig incasseringsvermogen heeft.

I know, maar dan nog snap ik niet waarom, als je dat van jezelf ziet, je toch gaat proberen een bestseller te schrijven waarin je voortborduurt op de intellectuele arbeid van zwarte vrouwen. Laten we eerlijk zijn, hij verdient veel geld met het intersectionaliteitsdenken, dat hij heeft omgedoopt tot het simpelere ‘vinkjes’. Dat vind ik een ethisch probleem. Waarom schrijft hij niet gewoon een stuk in de krant, waarin hij beschrijft wat zijn inzicht is geweest, en waarin hij iedereen die meer wil lezen over dit onderwerp verwijst naar Kimberlé Crenshaw of Gloria Wekker? Dat deed OneWorld wel: we publiceerden een leeslijst van zwarte, vrouwelijke auteurs over intersectionaliteit.’

Feit is dat mensen met macht eerder een boek van Joris Luyendijk zullen lezen dan een boek van Gloria Wekker, toch?

‘Met zo’n boek als dat van Luyendijk doorbreek je niets. Helemaal niets. Je zegt ermee: luister maar gewoon weer naar iemand zoals ik. Zolang je die mechanismen niet doorbreekt maar gebruikt, lever je geen goede bijdrage aan verandering.’

En als Luyendijk alle opbrengsten van zijn boek zou doneren aan een goed doel?

‘Nee. Dat zou liefdadigheid zijn. Hij, als witte man, is zo meteen de expert op het gebied van intersectionaliteit, hij gaat lezingen geven, neemt ruimte in. Sander Schimmelpenninck maakt een serie over vermogensongelijkheid, en het voornaamste gevolg is lof voor Schimmelpenninck. Ik vind dat het zuiverder moet. Ik vind het verkeerd dat we alleen luisteren als iemand zoals Sander of Joris het zegt. Ik uitte op Twitter kritiek op de ruimte die mensen als Schimmelpenninck krijgen van de publieke omroep, en in zijn repliek schreef hij dat mijn aanhang uit subsidietrekkers bestaat. Bedenk: dit is de man die ongelijkheid moet bespreken. Een man wiens eerste reflex is, als hij kritiek van mij krijgt, om te roepen: haar aanhang bestaat uit subsidietrekkers. Terwijl hij deze serie met publiek geld heeft gemaakt. OneWorld krijgt geen subsidie, dat is al in 2017, voor mijn aantreden, gestopt. Ik heb nog nooit een gesubsidieerde baan gehad.’

Seada Nourhussen werd in 1978 geboren in Gondar, Ethopië, midden in een burgeroorlog. Haar vader, docent op een landbouwschool en lid van een oppositiepartij die zich verzette tegen het bewind van de marxistische dictator Mengistu Haile Mariam, was voor haar geboorte naar Nederland gevlucht. Zijn vrouw en vijf kinderen – Seada is de jongste – volgden drie jaar later. Ze vestigden zich in Bennekom, waar ze ‘modelinburgeraars’ werden, schreef Nourhussen vijftien jaar geleden in Trouw. ‘Mijn vader hamerde op goede opleidingen, en ik had vwo gedaan, dus hij vond dat ik naar de universiteit moest. De School voor Journalistiek vond hij in eerste instantie een teleurstelling, dat leverde geen academische titel en het bijbehorende aanzien op. Het ging hem ook om bestaanszekerheid, de journalistiek is een wankele branche. Toen ik mijn vaste baan bij Trouw verruilde voor een kleine, onafhankelijke titel als OneWorld, vroeg hij standaard: hoe gaat het, red je het nog? Laatst, toen OneWorld tien jaar bestond en hij mij op de cover zag staan, kreeg ik een appje van hem: ‘Ik ben trots op je’.’

Wat vertelden je ouders over het vluchten?

‘Ze kozen ervoor het spannende, haast heroïsche te benadrukken: mijn vader de verzetsman, mijn jonge moeder die in haar eentje vijf kinderen via Soedan weg wist te krijgen. Daar ben ik ze dankbaar voor: zij hebben ons niet belast met eventueel trauma, maar met overlevingsdrang en positiviteit. Hoe zwaar de jaren waren dat mijn moeder met ons moest achterblijven, daarover werd minder gesproken. Het trauma, het verdriet, de angst, daarover hadden we het weinig. You get over it. Je leeft je leven en je bent blij dat je er nog bent. Wat ik van mijn ouders hoorde was dat we daar een mooi leven hadden, dat papa leraar was, dat mama een winkeltje had. En dat klopte ook, tot aan de oorlog. De feiten daarvan zijn: er zijn honderdduizenden mensen omgekomen. Er was geen veiligheid, geen geld, weinig eten. Toen ik 26 jaar later terugging, had ik een familiehuis van steen in mijn hoofd. Maar het huis, want het stond er nog, was gemaakt van leem en hout en kleiner dan mijn woonkamer nu. Het was beladen voor mij om terug te gaan, omdat ik ergens wel wist dat het beeld dat door mijn ouders was geschetst, te rooskleurig was. Ik was de laatste van mijn hele familie die terugging.’

Heb je nooit iets van het verdriet van je ouders gemerkt?

‘Jawel, mijn vader is altijd naar Ethiopië blijven terugverlangen. Hij was fysiek in Nederland, maar met zijn hoofd was hij daar. Toen het veilig was om terug te gaan, waren zijn kinderen al geworteld in Nederland. Geef je dat op? Dat is moeilijk voor hem geweest, hij heeft zich weggecijferd. Bovendien was mijn moeder lang ziek, zo lang ik me kan herinneren. Hier kreeg ze zorg die ze daar nooit had kunnen krijgen. Mijn moeder had eigenlijk altijd pijn. Ziekenhuis in, ziekenhuis uit, steeds nieuwe behandelingen. Maar er waren mensen die dat niet goed wisten, omdat ze er altijd zo mooi uitzag, voor iedereen zorgde die kwam aanwaaien en een enorme levenslust had. Ze heeft, tegen alle medische prognoses in, 35 jaar met een zeldzame vorm van kanker geleefd. Dat deed ze grotendeels op wilskracht. Zij is de mooiste vrouw die ik heb gekend.’

Je schreef over die eerste reis naar Ethiopië in 2007 een serie verhalen voor Trouw, waarin je vrouwen van je eigen leeftijd portretteerde, die vaak als tieners al trouwden en kinderen kregen. Geen jaloersmakende levens, dacht ik toen ik dat las.

‘Ik schreef toen nog met een westerse blik, en in mijn stukken zette ik het contrast nog eens extra aan. Ik centreerde de witte lezer, met als achterliggende gedachte: jullie moeten mij begrijpen. Nu zou ik denken: dat hoeft helemaal niet. Nu zou ik denken: ja, er zijn keerzijden, maar die vrouwen hebben wel wat ik niet heb. Als migrant mis je een vanzelfsprekend thuis. Een gevoel van gegrond zijn. Tradities. Migratie brengt een trauma met zich mee – en daarmee bedoel ik niet dat het alleen maar kommer en kwel is, maar ik wil wel erkennen dat het trauma bestaat. Er is nooit een plek die je kunt claimen, die als helemaal van jou voelt. Toen mijn moeder twee jaar geleden overleed, was dat voor het eerst dat we zoiets meemaakten. Wat doen wij eigenlijk bij een uitvaart? Daar moesten we ineens over nadenken. Bij ons ga je geen praatjes over elkaar houden, dat hoort niet bij ons. Mijn vader zei: je wordt dezelfde dag begraven, er komt een imam, er wordt gebeden en dat is het, al zijn er weken, soms maanden, nog rouwbijeenkomsten en collectieve huilsessies. De kinderen zeiden: mama heeft ruim dertig jaar in Nederland gewoond, ze heeft allemaal Nederlandse vrienden en kennissen. We hebben uiteindelijk een mengvorm gekozen. De kinderen en vriendinnen van mama hebben iets gezegd, we hebben bijzondere religieuze muziek gespeeld, in het Amhaars, er was een imam. Het was improviseren, maar het was mooi, omdat alles samenkwam.’

Seada Nourhussen. Beeld Anne Claire de Breij
Seada Nourhussen.Beeld Anne Claire de Breij

Je wilde ook naar Ethiopië, schreef je, omdat je in Nederland na jaren van klimmen op de maatschappelijke ladder tegen een muur opliep. Welke muur was dat?

‘Door de verrechtsing in Nederland sinds de opkomst van Pim Fortuyn kwam wit Nederland steeds verder van me af te staan. Ik twijfelde of ik hier ooit helemaal zou worden geaccepteerd, ik wilde onderzoeken waar ik vandaan kom, om te kijken of ik dáár ook nog een plek heb.’

Na zes artikelen kwam je tot de conclusie dat je toch ‘best Hollands’ bent. ‘Want ik juich wel als Oranje wint, hou enorm van haring, kan de Nederlandse directheid erg waarderen, maak stiekem een sprongetje zodra de oliebollenkraam er weer staat.’ In 2017, tien jaar later, schreef je dat je die conclusie ‘schattig’ vond. Wat je nu voelde bij Nederland, was ‘desinteresse die neigt naar afkeer’.

‘Ik ben opgegroeid met de 15 miljoen mensen-gedachte, het idee dat in Nederland iedereen zichzelf kan zijn. Juichen voor Nederland tijdens het EK in 1988, de straat op tegen ‘de bom’, dat was mijn jeugd. In Bennekom waren wij het eerste zwarte gezin. ‘De bruine mensen’, werden we in het begin genoemd. Maar we werden wel geaccepteerd. We waren hún bruine mensen, hoe problematisch ik dat nu ook vind klinken. Die saamhorigheid van toen is vervaagd, de ontwikkelingen van de laatste twintig jaar zijn niet vrolijkstemmend voor mensen zoals ik, en dan doel ik op de opkomst en normalisatie van extreemrechtse partijen. Op een premier die zegt dat je je moet invechten en anders mag oppleuren. Wat heeft het voor zin, dat maatschappelijke klimmen, als je nooit voor vol wordt aangezien? Waarom zou je dan lopen pleasen?’

Zijn we eigenlijk iets opgeschoten, in wat het ‘racismedebat’ heet?

‘Toen ik mijn column in Trouw kreeg, in 2016, vonden lezers het vrij confronterend wat ik schreef. Dat zou nu denk ik anders zijn. Er staat geen Zwarte Piet meer op het inpakpapier, er staan een heleboel mensen op een Black Lives Matter-demonstratie en Rutte heeft erkend dat er misschien wel iets als institutioneel racisme bestaat, dat het misschien tóch geen vaagpraat is. Dat is een beetje vooruitgang. Maar er wordt nog steeds gediscrimineerd op de arbeidsmarkt en een gigantisch racistisch schandaal als de toeslagenaffaire kan onder onze neus plaatsvinden, waarna de politici die ervoor verantwoordelijk zijn gewoon worden herkozen.’

Sinds je geen column meer schrijft in Trouw neem je minder actief deel aan het maatschappelijk debat. Was dat ook een opluchting?

‘Jazeker. Want ik ben er zelf mee gestopt, hè? Niemand heeft mij weggestuurd, hoor, ik ben weggegáán, omdat ik me door de hoofdredactie van Trouw niet gesteund voelde. Bagger die per mail naar de redactie kwam, over mij, ook racistische haatreacties, werd naar mij doorgestuurd, ook nadat ik had gevraagd om die mails niet te ontvangen. Mijn column leidde regelmatig tot ophef, en dat was goed voor de bezoekcijfers, maar er werd door de redactie niet stilgestaan bij het feit dat ik de eerste zwarte vrouw was met een opiniecolumn in die krant. De houding was: je moet weten wat er leeft bij de lezer. Maar soms was het seksistische, racistische, islamofobe drek waar de lezer mee kwam, en dat was psychisch belastend. Dat je dát als hoofdredactie niet in het vizier hebt, terwijl je wel blij bent met de ophef en de clicks, vind ik nalatig.’

Na je besluit om te stoppen plaatste Trouw een korte verklaring waarin stond dat je stopte vanwege ‘de extreme, negatieve en soms racistische reacties’ die de ruimte beperkten om ‘het debat op een volwassen en verdiepende manier te voeren’. Vervolgens kwam er een mediastorm op gang. NRC Handelsblad plaatste zelfs een door tientallen journalisten en mediafiguren ondertekende brief, waarin werd opgeroepen om de vrijheid van meningsuiting te verdedigen tegen intimidatie.

‘Zo werken frames, snap je? Het begon ermee dat wat Trouw schreef niet klopte. Ik dacht: ik stop niet vanwege de racistische reacties, ik stop vanwege jullie. En dat wisten ze, maar lieten ze bewust weg uit die verklaring in de krant. In dezelfde periode deed toenmalig NRC-columnist Clarice Gargard aangifte nadat ze op Facebook racistische reacties had gekregen. Wij samen werden één verhaal, en dat verhaal was, ook in die NRC-brief: zwarte columnisten worden gemuilkorfd. En dan die petitie, waarin allerlei mensen het opnamen voor onze vrijheid van meningsuiting – ook ondertekend door een rechtse griezel als Elsevier-columnist Geerten Waling, die mij als racist heeft bestempeld. Totaal doorgedraaid. Ik wilde er echt niks mee te maken hebben. Ik was zelf gestopt, omdat ik me niet beschermd voelde en me niet langer wilde laten piepelen. Het is een verhaal van zelfredzaamheid, geen verhaal van onderdrukking. Ik werd neergezet als slachtoffer, waar het eigenlijk zou moeten gaan over wat voor bad ass ik ben.’

Je bent vaker ‘racistisch’ genoemd.

‘Ja, door mensen die denken dat omgekeerd racisme bestaat. Wat een nonsens. Ik kan allerlei vooroordelen over jou hebben, dat je racistisch bent, of rijk, of bevoorrecht, maar het betekent geen ene fuck, want ik zit niet in de positie dat ik jou een lager schooladvies kan geven. Racisme bestaat niet zonder macht. Racisme is een gewelddadig systeem tegen mensen van kleur. Ik schreef dat ik geen zin meer had om racisme aan witte mensen uit te leggen, omdat het me weinig brengt. Dat werd verdraaid, alsof ik überhaupt niet meer met witte mensen zou willen praten, wat volstrekte onzin is.’

Ben je vrienden kwijtgeraakt?

‘Bevriende mensen, geen beste vrienden. En niet alleen witte mensen. Ook mensen van kleur vinden het soms lastig als je racisme in het openbaar bespreekt. Toen ik die column kreeg, merkte ik dat sommige vrienden terugtrekkende bewegingen maakten. Ze reageerden altijd op al mijn stukken, op mijn vakantiekiekjes, maar nooit op die column. Te eng, denk ik. Maar ik heb er ook vrienden bij gekregen: mensen die graag achter me staan.’

Marcel van Roosmalen noemde jou op de radio bij De Nieuws BV ‘zo antiracistisch dat je er racistisch van bent geworden’. Hij zei dat hij er bij OneWorld na jouw aantreden uit was geknikkerd omdat hij een witte man is.

‘Een lage leugen, die ondanks aandringen niet door De Nieuws BV werd gerectificeerd. Het besluit om met zijn rubriek te stoppen was al genomen door de redactie, ik heb het bij mijn aantreden enkel goedgekeurd. Ik kende hem niet. Toen onze redactie na die radiocolumn contact met hem probeerde op te nemen, nam hij de telefoon niet op. Het kan me geen zak schelen wat Van Roosmalen van mij vindt, maar het is een goed voorbeeld van hoe hij zijn bereik aanwendt om een zwarte vrouw met een mening over racisme geweld aan te doen. Zo’n column is een lokroep voor racistische toetsenbordterroristen. Journalistiek is een belangrijk vak, dat af en toe lijkt te verdrinken in de meningen. Dáár zou ik graag een serieus gesprek over voeren, in plaats van over deze gast, mezelf of over mijn zogenaamde toon.’

Is iets zeggen over de toon per definitie ‘tone policing’, of is het soms ook nuttig omdat in hoeverre een boodschap aankomt wel degelijk afhangt van de toon?

‘Alles mag. Maar vaak gaat het niet om de toon, maar om de afzender. Als iemand met mijn gezicht iets over racisme zegt, wordt het gezien als radicaal, en als Joris Luyendijk het zegt, is het verteerbaar. Het feit dat je niet gewoon naar de inhoud luistert, daar zit al onrecht in. Ik heb op een gegeven moment besloten: ik ga niet meer lopen behagen. Het altijd maar bezig zijn met aardig en leuk gevonden worden, met je toon, is een vorm van onderdrukking van jezelf. Het maakt je onvrij. Dan vind je me maar niet aardig.’

Maar dat kost je wel wat, denk ik.

‘Ja, ja. Klopt. Al valt dat tegenwoordig erg mee, want ik heb alle racisten geblokkeerd. Lekker rustig. Maar inderdaad, als ik denk dat iets echt niet klopt, I don’t back down. Dat maakt dat veel mensen vast denken dat ik bitter, zuur en onaardig ben. Maar ik ben ondertussen vet leuk en grappig. Ik word niet omringd door vijandigheid, ik leid een bevoorrecht en vrolijk leven. Het gaat heel goed samen: maatschappijkritisch zijn, je eigen pad kiezen en gelukkig zijn. I’m good.’

CV Seada Nourhussen

23 juni 1978 Geboren in Gondar, Ethiopië.

1990-1996 Vwo op Het Wagenings Lyceum.

1996-2001 Journalistiek aan de Hogeschool van Utrecht.

2001-2003 Medewerker weekblad Contrast.

2003-2005 Verslaggever de Volkskrant.

2005-2006 (Eind)redacteur Trouw.

2006 Redacteur/verslaggever Elsevier.

2006-2018 Redacteur Trouw, eerst binnenland, daarna buitenlandredacteur met portefeuille Afrika bezuiden de Sahara.

2011 Bijdrage aan bundel WTF? Volwassen worden na 11 september.

2011 Auteur boek Bloedmobieltjes: coltan in Congo.

2016 Bijdrage aan bundel Dit boek gaat niet over mode.

2017-2018 Column in Trouw.

2016-2017 Tv-commentator Buitenhof.

2018 Bijdrage aan bundel Zwart, Afro-Europese literatuur uit de lage landen.

2018 - heden Hoofdredacteur OneWorld.

2021 - heden Licentiehouder OneWorld.

Fotografiecredits:

Styling: Alexandra Vilcov. Haar: Eldridge Mullenhof. Make-up: Vanessa Chan (House of Orange).

Jas: Ninamounah, laarzen: Balenciaga, oorbellen: Felt Atelier

Colbert: Ance via Mytheresa, oorbellen: Silvia Furmanovich via Auverture

jurken/kaftans: Issey Miyake