PostuumHissène Habré (1942-2021)

Tsjadische ambtenaar groeide uit tot een van de wreedste Afrikaanse dictators

Het regime van de dinsdag overleden Hissène Habré, die Tsjaad regeerde tussen 1982 en 1990, kenmerkte zich door ongekend geweld tegen politieke tegenstanders.

Hissène Habré als leider van zijn eigen strijdgroep in 1979. Beeld Gamma-Rapho via Getty Images
Hissène Habré als leider van zijn eigen strijdgroep in 1979.Beeld Gamma-Rapho via Getty Images

De lijst van ex-tirannen die uit vrees voor vervolging in ballingschap gaan en daarna onbestraft van hun oude dag genieten, is lang. Denk bijvoorbeeld aan Idi Amin, de ‘slager van Oeganda’ uit de jaren zeventig, die pas in 2003 in Saoedi-Arabië zijn laatste adem uitblies. Of kijk naar de Ethiopische ex-kolonel Mengistu Haile Mariam, de aanvoerder van de Rode Terreur in de jaren tachtig, die voor zover bekend nog altijd in Zimbabwe leeft. De grote uitzondering in dit verband is de dinsdag op 79-jarige leeftijd overleden ex-president van Tsjaad, Hissène Habré.

Habré – soms ook aangeduid als ‘de Pinochet van Afrika’ – gaat de geschiedenisboeken in als de eerste ex-dictator die in een ander land werd veroordeeld, voor misdaden tegen de menselijkheid. In 2016 kreeg hij in Senegal – zijn toevluchtsoord sinds 1990 – levenslang wegens het schrikbewind dat hij als president van Tsjaad in de jaren tachtig had gevoerd. Slachtoffers, nabestaanden en mensenrechtenorganisaties vierden het vonnis toen als een mijlpaal. Habré is uiteindelijk overleden in een ziekenhuis in de Senegalese hoofdstad Dakar, waar hij vanuit zijn gevangenschap naartoe was gebracht omdat zijn gezondheid sterk achteruit was gegaan. Volgens mediaberichten is Habré gestorven aan de gevolgen van het coronavirus.

Onder de leiding van Habré werden tussen 1982 en 1990 in Tsjaad naar schatting 40 duizend mensen om politieke redenen vermoord en werden vele tienduizenden gefolterd. De geheime dienst die veel van het beulswerk verrichtte, stond onder de rechtstreekse regie van Habré. Tot de martelmethoden behoorden verstikking, verkrachting en toediening van stroomstoten.

Habré werd in 1942 in het woestijnachtige noorden van Tsjaad geboren, in een familie van nomadische islamitische herders. Animositeit tussen het noorden en het overwegend christelijke zuiden van Tsjaad leidde in 1965, vijf jaar na het vertrek van de Franse kolonisator, tot een lange burgeroorlog. Habré zou zich in het strijdgewoel opwerken tot de hoogste machthebber van het land.

Na zijn schooltijd ging hij in Tsjaad eerst aan de slag als ambtenaar. Daarna ging hij ook nog rechten studeren, in Parijs: een hoge Franse militair zag het wel zitten in Habré en regelde voor hem een studiebeurs.

Na zijn terugkeer in Tsjaad kwam Habré via zijn rol als onderhandelaar namens de overheid in aanraking met gewapende rebellengroepen, en hij besloot daarop om zelf maar een strijdgroep te beginnen. Behalve tegen vele binnenlandse tegenstanders, nam Habré het vooral jarenlang op tegen troepen van de Libische leider Muammar Kadhafi, die zijn zinnen had gezet op Tsjadisch grondgebied. Voor, tijdens en na zijn machtsgreep in 1982 kreeg Habré steun van Frankrijk en de VS, die in hem een bruikbare bondgenoot tegen Kadhafi zagen.

In 1990 werd Habré echter van de troon gestoten door legerleider Idriss Déby, die tot aan zijn dood in april van dit jaar de rol van partner van het Westen vervulde. Habré zocht in 1990 zijn heil in Senegal, waar hij lange tijd ongestoord kon leven. Maar na politieke machtswisselingen in Senegal en onder de niet-aflatende druk van Tsjadische slachtoffers én van mensenrechtenactivisten werd Habré in 2013 aangehouden. Anderhalf jaar later werd hij berecht door een speciaal opgerichte rechtskamer. Het tribunaal kreeg de zegen van de Afrikaanse Unie en werd mede gefinancierd door Nederland.

Meer over