Interview

Toine Heijmans: ‘Grote klimmers zijn levenskunstenaars. Ze gaan omhoog, en komen terug met verhalen’

Toine Heijmans (links) rond 1990 samen met zijn klimmaat Sander op de Nadelgrat, een klimroute die voert over vier hoge Alpentoppen. Beeld Privécollectie
Toine Heijmans (links) rond 1990 samen met zijn klimmaat Sander op de Nadelgrat, een klimroute die voert over vier hoge Alpentoppen.Beeld Privécollectie

Toine Heijmans’ nieuwe roman Zuurstofschuld is niet alleen een spannende klimgeschiedenis, maar ook een verhaal over vriendschap en vrijheid. Bergbeklimmers noemt hij verkenners van het gebied dat mensen vrezen.

In de herfst van vorig jaar vertrok Toine Heijmans twee weken naar de Italiaanse Alpen om de laatste hand te leggen aan zijn nieuwe roman. Zuurstofschuld gaat over twee vrienden, Walter en Lenny, die samen hun dromen najagen in de bergen, maar bij het beklimmen van de hoogste toppen hun vriendschap en hun leven in de waagschaal stellen.

Heijmans huurde een huisje op een berg, ver weg van zijn werk op de krant en zijn gezin in Amsterdam. ‘Ik had een houten hutje gehuurd in een gehucht. Er woonden twee bejaarde mannetjes en een dorpshond. Elke dag maakte ik na het schrijven een wandeling. Dat is het enige wat niet fantastisch is aan schrijven: dat het zo statisch is. Ik moet bewegen.

‘Op de laatste dag had ik om twaalf uur de eerste versie van mijn roman af. De zon brandde aan de hemel. Met de hond ben ik achter het huisje langs de berg opgelopen. Hoger en hoger kwam ik. Zo hoog dat de hond afhaakte. Terwijl die me de hele dag niet uit het oog verloor. Mijn water raakte op. De hoogtemeter op mijn horloge was leeg. De lucht brandde in mijn keel. Toch klom ik maar door. Op een gegeven moment zat ik in de sneeuw.

‘Ik wist: dit is onverstandig. Ik ben hier in mijn eentje. Als er iets gebeurt, vries ik dood voor iemand mij vindt. Ik zag een bivakhutje, daar ben ik naartoe gekrabbeld over het ijs, maar zonder stijgijzers. Ik moest dat doen. Pas toen ik niet meer verder omhoog kon, daalde ik weer af. Er vormde zich een ring van wolken om de top van de berg, roze van de zonsondergang. Onder de wolken, in het dal, was het donker geworden. Mijn expeditie was ten einde.’

Toen Heijmans 7 was, wist hij al dat hij journalist zou worden. ‘Dat was vooral omdat ik ‘journalist’ zo’n mooi woord vond. Net zoiets als ‘directeur’, maar dan spannender. We lazen de Volkskrant thuis. Ik vond het magisch, dat de buitenwereld elke ochtend bij ons op de ontbijttafel belandde. Sommige stukken staan me nog haarscherp voor de geest. Ik herinner me een reportage van Rob Gollin over de treurige laatste dag van een majorettekorps, dat eindigde met de constatering: ‘Zelfs de foto’s waren mislukt. Dat maakte enorme indruk op me: dat je in één zin een hele wereld kan oproepen.’

null Beeld Tzenko
Beeld Tzenko

Tijdens zijn studie geschiedenis ging hij als stagiair aan de slag bij het Nijmeegs Dagblad. ‘Dat had toen nog 820 abonnees. Ik heb er de deur dichtgedaan. Daarna heb ik bij de Arnhemsche Courant nog een zomer in mijn eentje een hele pagina gevuld. Met stukken over van alles en nog wat. Ik stapte in de auto en zag wel op welk nieuws ik stuitte. Ik versloeg het jubileum van de slager op de hoek, de uitslaande brand, bezocht de 100-jarige in het verpleeghuis en interviewde de burgemeester. Ik vond dat machtig.

‘In 1995 – ik was toen 25 – kwam ik in vaste dienst als verslaggever bij de Volkskrant. De mooiste baan op aarde. Zo zie ik het nog steeds. Ik probeer nog elke dag ten minste één zin te schrijven die mijn stuk, stiekem misschien zelfs de hele krant, even optilt.’

Op de grens van de nieuwe eeuw ging Heijmans met zijn vriendin in IJburg wonen, de nieuw te bouwen wijk aan de oostkant van Amsterdam. Hun drie kinderen werden er geboren. ‘Ik ben zelf opgegroeid in een nieuwbouwwijk, maar wilde een ander leven dan mijn ouders hadden geleid. De stad vertegenwoordigde voor mij de vrijheid. Toch woonde ik ineens in een vinexwijk. Wij behoorden tot de eerste bewoners van IJburg. Met verbazing zag ik om mij heen hoe een zanderige bouwput in een fascinerende samenleving veranderde. Ik ging stukjes schrijven over hoe het was om daar te leven, en die werden gebundeld onder de titel La Vie Vinex.

‘Na de publicatie van die bundel hebben mijn toenmalige uitgevers Tom Harmsen en Jelte Nieuwenhuis een paar jaar aan m’n kop gezeurd: je móét een roman schrijven. Nee, dat is niks voor mij. Nee, dat kan ik niet. En ik was bang dat het in mijn hoofd door elkaar zou gaan lopen. Ik ben er trots op dat mijn stukken tot in de kleinste details kloppen. En nu zou ik mijn verhaal ineens moeten gaan verzinnen. Zou ik niet te feitelijk blijven in fictie? Of zou ik van de weeromstuit in mijn reportages gaan fabuleren?’

Om van het gezeur af te zijn, zei Heijmans tegen zijn uitgevers: ‘Oké, dan schrijf ik wel een kort verhaal.’ Hij lacht. ‘Ik dacht: dan merken ze vanzelf wel dat dat niets voor mij is. Het gekke was: ik verzette me uit alle macht, maar ik wist wel meteen welke verhalen ik wilde schrijven. Een verhaal dat op zee speelde. En een klimgeschiedenis.’

Toine Heijmans in de bergen.  Beeld Privécollectie
Toine Heijmans in de bergen.Beeld Privécollectie

Zijn eerste verhaal ontstond uit een existentiële ervaring. ‘Ik was met mijn vriendin en ons oudste dochtertje in Marokko. De zon ging rood koper onder achter de woestijnduinen. Schitterend. Mijn dochtertje beklom een duin. Ze had een wit jurkje aan, liep op blote voeten. Omdat ze zo licht was, kon ze heel snel het duin op komen. En dan rende ze er aan de andere kant hard weer af. Ik was veel trager, en zag haar dan niet meer. Ik begon achter haar aan te rennen. Zij dacht: een spelletje. In het begin was het leuk, maar al snel niet meer. Toen ze achter het volgende duin verdween, werd mijn keel dichtgeschroefd. Ik dacht: ik ga haar hier verliezen. Het was alsof ik mezelf van bovenaf kon zien: twee nietige figuurtjes in de eindeloze woestijn.’

Dat was de eerste kiem. ‘En er was een tweede: ‘Brommer op zee.’ Maarten Biesheuvel beschrijft in dat verhaal hoe een ketelbinkie op de plecht van een schip in de verte een brommer ziet naderen over de golven. Dat verhaal gaf me het vertrouwen dat een schrijver alles kan verzinnen, zelfs het onmogelijke, en toch waarachtig kan blijven. De kracht van illusie.’

Hij dacht: ik kan mijn verhaal wel in de woestijn situeren, maar ik weet niets van woestijnen. ‘Ik ken de zee. Ik wilde één desolate plek, om de handeling te isoleren. Dan telt elk woord. Zo ontstond het. Een vader neemt zijn dochtertje mee op zijn schip. Midden in de nacht, als het begint te stormen, blijkt ze niet meer in haar bed te liggen. Verdwenen. Op een dag ben ik met een vriend van Delfzijl naar Göteborg gezeild. Toen we buitengaats kwamen, ben ik gaan tikken tot de accu van mijn laptop leeg was.’

Op zee verscheen in de zomer van 2011. ‘Arnon Grunberg mailde mij: ‘Trek je niets aan van de recensies. Vooral niet van de goede.’ Dat heb ik nog steeds in mijn hoofd zitten. Het was fijn dat ik goede recensies kreeg, maar ik stierf duizend doden. Lezers gaan met je verhaal aan de haal, terwijl het kwetsbaar en intiem is. Van mij. Publiceren is jezelf uitkleden. Ik zou het liefst maar één exemplaar van mijn boeken laten drukken en bij mezelf in de kast zetten.’

Zijn debuut werd niet alleen een bestseller in Nederland, het werd ook meermalen vertaald. En mer werd bekroond met de Prix Médicis Étranger, de Franse literaire prijs voor de beste vertaalde roman, die eerder werd toegekend aan schrijvers als David Vann, Dave Eggers, Philip Roth, Orhan Pamuk en Paul Auster. Hij was verrast. Nee, verbijsterd. Op Twitter zette hij een foto van vier knotsen van camera’s die op de prijswinnaar werden gericht. ‘Ik wil geen gevierd schrijver zijn’, zegt Heijmans stug. ‘Het geeft een hoop gedoe.’

Hij grinnikt. ‘Niet zo vals bescheiden, Toine! Wat ik wél leuk vond waren de literaire festivals in Frankrijk. De schrijvers zitten achter tafeltjes op een plein. Op zondag loopt het hele dorp uit om ze te zien. Kinderen, opa’s en oma’s lopen langs je, alsof je een marktkoopman bent van bederfelijke waar. Ze pakken je boek op, lezen de achterflap, kijken je argwanend aan, zeggen niks – en lopen weer door.’

Een paar weken geleden zat hij aan de keukentafel in IJburg met zijn zoon van 16. ‘Hij moest zijn huiswerk voor Nederlands doen. ‘Moet ik je helpen?’, vroeg ik hem. ‘Nee’, zei hij bars. Ik sloeg zijn werkboek open en zag dat er een hele pagina was gewijd aan Op zee. Mijn foto stond erbij. ‘Heb je dit gezien?’ ‘Ja, hoezo?’, zei mijn zoon. ‘Dat is toch niks bijzonders. Die opdracht heb ik al gemaakt.’’

Hij vertelt het als iets absurds. Toine Heijmans, succesvol romanschrijver. ‘Ik moet leren accepteren dat ik fictie schrijf. Nu voor het eerst dacht ik: haal het woord ‘journalist’ maar van de achterflap. Dat heeft er niets mee te maken.’

Toine Heijmans. Beeld Merlijn Doomernik
Toine Heijmans.Beeld Merlijn Doomernik

Bij Pristina, zijn vorige roman uit 2014, over een ambtenaar die uitgeprocedeerde asielzoekers het land uit moet zien te krijgen, was dat nog niet zo. ‘Pristina speelt voor een gedeelte in Pristina, de hoofdstad van Kosovo. Voor ik daar scènes kon laten afspelen, moest ik ernaartoe. Dan ging ik het geboortehuis van een van de hoofdrolspelers zoeken. Een geboortehuis dat natuurlijk niet bestond. Uren liep ik door de straatjes, net zo lang tot de mensen me raar gingen aankijken, zo van: wat doet die gast hier toch? Tot ik het huis had gevonden. Ik bleef journalist: ik moest met eigen ogen zien wat ik beschreef. Bovendien baseerde ik me in Pristina op de reportages over asielzoekers, azc’s en uitzettingsprocedures die ik voor de krant had gemaakt.’

Toch is Pristina een echte roman. ‘Je maakt altijd gebruik van je ervaringen in de wereld om de verbeelding op te bouwen. Het echte avontuur speelt zich in mijn hoofd af. Ik schrijf in de kleine kajuit van mijn zeilschip in de haven van IJburg. Of ik vaar het IJ op, ga voor anker voor Pampus en begin.’

Voor Zuurstofschuld zette hij zich aan dat andere verhaal dat hij al zo lang met zich mee droeg: een klimavontuur. Niet de zee, maar de bergen vormen het decor. Of misschien zijn ze wel meer dan dat, het eigenlijke onderwerp. ‘Het mooie van de wildernis is dat de mensen denken dat ze daar, ontworsteld aan het burgerlijke bestaan, de echte vrijheid kunnen ondergaan. Maar dat is nou juist niet het geval. Of je nu alleen op zee zeilt, of een bergwand in de Himalaya beklimt, je bent veel meer aan regels gebonden dan als je veilig thuiszit. Je bent gedwongen je te voegen naar de omstandigheden. Anders overleef je niet.’

Toen hij een jaar of 20 was, begon hij intensief met klimmen. Samen met een vriend, Sander. ‘We zijn een tijdlang met weinig anders bezig geweest. We hebben de Alpen veroverd. Slapen in berghutjes, wekenlang rondrijden door de bergen in een oude Fiat Ritmo, die niet startte als het regende. Elke morgen samen naar de top staren. ‘Gaan we het doen? We gaan het doen.’’

Hostel in Zuid-Frankrijk, voorafgaand aan de ijsklim.  Beeld Privécollectie
Hostel in Zuid-Frankrijk, voorafgaand aan de ijsklim.Beeld Privécollectie

Heijmans haast zich te verklaren dat hij niet zo’n goede klimmer was als zijn hoofdpersoon, Walter Welzenbach. Die haalt de hoogste toppen. Die zet door. Ook als hij geen zuurstof meer heeft, en zijn handen bevroren zijn. ‘Ik deed geen extreme dingen. In de Himalaya ben ik tot zo’n zesduizend meter gekomen. Ik kan niet goed tegen hoogte. Op een gegeven moment krijg je echt barstende koppijn. Maar ik weet hoe het is om in grote kou op een berg te staan, terwijl je de weg naar beneden niet meer weet. Hoe het is om op stijgijzers en met pikhouweel en ijsboor in een bevroren waterval te klimmen.’

Op een van zijn eerste expedities vond Heijmans in een berghut een half vergaan exemplaar van Scrambles amongst the Alps van Edward Whymper, een tekenaar en schrijver die de Alpen veroverde aan het einde van de 19de eeuw. ‘Dat boek heb ik op een regendag achter elkaar uitgelezen. Ik raakte niet alleen verslaafd aan het klimmen, maar ook aan het lezen van historische klimavonturen. Whymper was door een uitgever naar de Alpen gestuurd om schetsen te maken van de bergen waar iedereen het in Groot-Brittannië over had. In de inleiding van zijn boek schreef hij: ‘In die tijd had ik alleen literaire kennis van bergbeklimmen.’’

Dat was bij Heijmans anders. ‘Ik had de ervaring van het klimmen nodig vóór ik erover kon schrijven. Ik moet weten hoe het voelt. Maar dat kan ook een val zijn. Zuurstofschuld is niet alleen een spannende klimgeschiedenis, maar ook een parabel over vriendschap en vrijheid. De berg moet betekenis geven aan het bestaan.’

Walter is een succesvolle klimmer én schrijver. Hij heeft bereikt wat hij wil bereiken. Maar als hij op de eerste bladzijde van de top naar beneden kijkt – in de roman dalen we langzaam af – ziet hij niets. Hij kijkt in de leegte. Boven zijn heeft geen betekenis meer. ‘Ik denk dat veel mensen op zo’n moment aanbelanden in het leven. Ze stellen zich de klassieke Doe Maar-vraag: ‘Is dit alles?’ Ik had, voor ik een jaar geleden op volle kracht aan Zuurstofschuld begon te schrijven, een slechte tijd achter de rug.’

Voor de krant schreef Heijmans hartverscheurende stukken over zijn vader en zijn macabere vriend, dr. Alzheimer. ‘Om de dag reed ik van IJburg naar het verpleeghuis in Nijmegen om mijn vader ’s avonds in bed te leggen. Ik kwam in de knel. Ik begon me af te vragen: ja jongen, het is allemaal geweldig bij de krant, en je hebt een prijs gekregen voor een boek... maar wat heb je nu eigenlijk zelf besloten in het leven?’

Na de dood van zijn vader vond hij in zijn werkkamer een stapeltje gedichten. En het half afgeronde script van een speelfilm. ‘Dat had iets verdrietigs. Mijn vader maakte bedrijfsfilms, daar was hij ook goed in, maar eigenlijk wilde hij schrijver zijn. Waarom heeft hij dat verdomme niet gedaan? Omdat de Belastingdienst hem op de hielen zat en hij geld moest verdienen voor zijn kinderen. Voor mij.’

Walter Welzenbach put als schrijver inspiratie uit de muur van boeken in de kamer van zijn beste vriend en klimmaat Lenny. Maar als de jaren zich tegen Walter beginnen te keren, vraagt hij zich af: ‘Wat kon ik daar aan toevoegen?’ Voor Heijmans gold dat niet. ‘Het geruststellende van die hele klimbibliotheek is: er zitten nauwelijks romans tussen. Het zijn allemaal klimervaringen. Je hebt eigenlijk alleen Bergfahrt van Ludwig Hohl en Solo Faces van James Salter. Als eerbetoon aan Salter stal ik zijn metafoor ‘hij had het gezicht van een dief’.’

Heijmans besloot om de schimmen van de grote klimmers die tijdens het schrijven voor hem opdoemden in zijn verhaal binnen te laten. Zoals de onbekende, haast filosofische klimschrijver Walter Bonatti, die schreef: ‘De bergen zijn niets meer dan een weerspiegeling van onze geest.’ ‘Voor Bonatti,’ zegt Heijmans, ‘was de Mont Blanc zijn vader. Als Gaston Rebuffat een moment uitrustte op een rotspunt, voelde hij zich gewiegd door de ribben van de berg. Hij wilde erin wegkruipen. Dat gevoel gaat heel diep. En verklaart waarom hij zijn leven op het spel wilde zetten.

‘Je klimt om te lijden’, zegt Heijmans. ‘Meer nog dan om de top te bereiken. Want daar is niets. Grote klimmers zijn levenskunstenaars. Ze gaan omhoog, en komen terug met verhalen. Ze zijn verkenners van het gebied dat we vrezen.’

Walter Walzenbach is niet meer bang om omhoog te gaan. Dat luidt zijn einde in. ‘Misschien,’ zegt Heijmans, ‘moet je wel bang zijn om goed te kunnen klimmen én te schrijven. Angst, pijn en eenzaamheid laten je het beste presteren. Maar in het leven moet je ook kunnen vertrouwen op anderen. Je moet ervan uitgaan dat er iemand is om je te redden. Ik heb Zuurstofschuld opgedragen aan mijn klimvriend én aan twee vrienden die me de afgelopen tijd omhoog hebben geholpen. Ze sneden het touw niet door, maar zekerden me en brachten mij veilig terug in het dal.’

Toine Heijmans: Zuurstofschuld. Pluim; 336 pagina’s; € 22,50.

null Beeld

Toine Heijmans

Toine Heijmans (1969) is journalist -hij werkt al 25 jaar bij de Volkskrant - en romanschrijver. Op zijn best is Heijmans oog in oog met de elementen. Zijn debuut Op zee uit 2012 werd een bestseller en in Franse vertaling bekroond met de Prix Médicis Étranger. Zijn nieuwste roman, die deze week verschijnt, is een adembenemend klimavontuur in de bergen: Zuurstofschuld.

Ervaring

De spectaculairste klim die Toine Heijmans zelf maakte was een afdaling in de Franse Alpen. ‘Uit Chamonix de kabelbaan omhoog langs de Aiguille du Midi, en dan in volle wapenrusting de smalle sneeuwgraat naar beneden, recht de witte vallei in met de roestkleurige pieken. Mijn hoofdpersonen Walter en Lenny laat ik er ook afdalen, en het is alsof ze door de hemelpoort gaan.’

Meer over