ColumnThomas van Luyn

Thomas van Luyn stapte wél uit voor koffie langs de grote weg in Montenegro

Thomas van Luyn Beeld
Thomas van Luyn

In Montenegro gebeurt niet veel. Waar? Montenegro, het landje. Hoorde een tijdje bij Servië, maar inmiddels hebben ze een eigen leger en een eigen voetbalteam. Dat weet ik, want ik zat ermee in het vliegtuig naar hun hoofdstad. Het voetbalteam dan. Aardige jongens, rood trainingspak met geel wapen, weet u dat ook weer. Die hoofdstad heet Podgorica, Daar haalden we alleen ons huurautootje op, verder schijnt het er spectaculair saai te zijn. Ik noem de naam alleen zodat u er indruk mee kunt maken in gesprekken over de Balkan.

Omdat we in het vliegtuigje uit Ljubljana niks te eten hadden gehad (de voetballers ook niet hoor), stopten we na een half uurtje rijden al voor lunch. Da’s een beetje eng, zo in de Balkan uitstappen langs de grote weg, maar honger en koffielust noopten ons daartoe. En als er ­genoopt wordt, ja, dan wordt er genoopt.

De weg liep toevallig net langs een mistig meer en er stond een restaurant op de dijk. ­Timide stapten we naar binnen, klaar om met handen en voeten een klont vlees te bestellen. Een ­onberispelijk geklede ober bracht ons meteen naar een tafeltje op het terras, met uitzicht op, zo las ik later, het een na grootste meer van Europa. De zon brak door, en daar zagen we, omzoomd door enorme bergen, een onmetelijk grote spiegel, waar hier en daar omnevelde groene bergjes uitstaken. Een heerlijke koffie, een uitstekende inktvis­salade en twee prima lokale biertjes later besloot ik dat Montenegro het mooiste land was dat ik ooit had gezien. Geen overhaast oordeel, want de rest van het land bleek nog veel mooier. Wie nog naar Frankrijk gaat, besloot ik, is gek. In Montenegro is de wijn beter, het eten lekkerder en zijn de mensen aardiger. Langs de kust gaat een slingerweggetje waar, als je een beetje met je ogen knijpt (wat je nooit moet doen tijdens het rijden) het net de Côte d’Azur is zoals die er vijftig jaar geleden uit moet hebben gezien. Gelukkig wel gelardeerd met protserige Russische appartementencomplexen en oude communistische kantoren, anders zou het wel heel erg zoetsappig zijn allemaal.

Van die palmenkust reden we de omhoog de bergen in, van de zomer terug naar de lente en uiteindelijk de winter – totdat we niet verder konden omdat de weg was ingesneeuwd. Elk uitzicht was imposanter en adembenemender dan het andere – bergen, bossen, bergen, ­bossen – en geen huisje of weg te zien zo ver het oog rijkt.

Wanneer we in een hotel zaten te genieten van een heerlijk bord eten en een glas fantastische Montenegrijnse wijn, zeiden we steevast tegen de ober: wat een on-ge-lo-fe-lijk mooi land heeft u. Dan dacht zo’n man even na, en zei hij iets van: ‘Tja, als u het zegt, dan zal het wel.’ Zelf wilde hij maar één ding: weg. In Montenegro is namelijk geen reet te doen. Als je er woont, dan zal het je jeuken dat er watervallen zijn en bruine beren en Dalmatische pelikanen. Dan wil je alleen maar dat Europa een beetje opschiet met dat toelaten, zodat er een beetje verdiend kan worden aan die lekkere wijnen van ze. Ze maken er trouwens ook nog lekker bier, in tegenstelling tot Frankrijk. En de boel sluit niet tussen de middag. En je maakt er makkelijker vrienden dan in Frankrijk: zeg gewoon iets onaardigs over Servië of Kroatië en je drinkt de hele avond gratis.

Meer over