Springende zalmen bij een doelloze brug

Pulo de Lobo, daar is het mooi, had de herbergierster gezegd. Ze kreeg gelijk. Zuidoost-Portugal herbergt woeste natuur, zalmen, roofvogels, ooievaars en middeleeuwse huizen....

Zalmen springen anderhalf, twee meter met sidderende staarten omhoog, tegen het water in dat met een donderend geraas door de uitgesleten rotsen naar beneden kolkt. Het spektakel is talloze keren door tv-zenders als National Geographic uitgezonden, maar de werkelijkheid ziet er nog ongelooflijker uit. De vissen zwemmen vanuit zee tegen de stroom in, springen tegen kleine watervallen op en paaien op ondiepe plekken in zoet water om daarna te sterven.

Pulo de Lobo, met zijn uitgeholde karstrotsen, is zo’n plek die je in natuurdocumentaires ziet. Zo’n plek waar vissen de verkeerde kant op zwemmen en de zon op z’n mooist lijkt onder te gaan. Het enige dat ontbreekt, is een bruine beer die op z’n kont op een rots geeuwend de vissen uit de waterval klauwt. Maar beren hebben ze niet in Zuidoost-Portugal.

‘Daar is het mooi’, had de herbergierster in Mértola gezegd, toen ze Pulo do Lobo op de kaart woest omcirkelde. Ze trok dikke strepen langs de weg ernaartoe, deed achter haar balie de schoolslag in de lucht en zei in haar beste Engels: ‘Neem zwemspullen mee.’

De weg voert door het Parque Natural do Vale, een heuvelachtig, droog prairiegebied met enkele koeien en schapen, hoge cipressen, ringslangen en talloze roofvogels. De asfaltweg dampt in de hete middagzon. Hij is gloednieuw, aangelegd met EU-geld om het toeristen zo comfortabel en aantrekkelijk mogelijk te maken. Maar die komen niet – die nestelen zich elk seizoen opnieuw aan de Zuid-Portugese kust ten westen van Faro, de luchthaven waar rechtstreekse vluchten uit Nederland aankomen. De stranden zijn er wit, de kusten volgebouwd met hotels, de zee vol toeristen.

Het binnenland van de Algarve en Alentejo in Zuid-Portugal is rustig en authentiek. Onderweg naar Pulo de Lobo komen we niemand tegen. De asfaltweg eindigt voor een groot, blauw, smeedijzeren hek boven een wildrooster. ‘Hek alstublieft sluiten als u erdoorheen bent’, vraagt een bord in de berm.

Vanaf het wildrooster kruipt een zandweg door de heuvels naar de stuwdam, om te eindigen op een open plek bij de karstrotsen. Vandaar loopt een stenen trapje naar een picknickplek met steenoven, en leidt een betonnen paadje naar de springende zalmen. Een roofvogel cirkelt boven de waterval. Het water is niet koud en voelt als een stevige douche waar het over de stuwdam klotst. De stroming is het enige geluid dat hier klinkt. Uit de heuvel aan de overkant steekt een hoge, middeleeuwse, stenen boogbrug, die vlak voor de rivier eindigt in het niets. Het is de inwoners van het natuurpark een raadsel waarvoor hij is gebouwd.

‘Misschien was het om het waterpeil te meten’, zegt Rosa Roxo, die in Mértola toeristische informatie over de streek verstrekt. ’Maar het is een gekke, oude brug. We weten eigenlijk niet waarvoor hij heeft gediend.’

Ooievaars
Rosa is een van de weinige jongeren die niet uit deze stille streek wegtrekken omdat er nauwelijks werk is. Ze woont in Mértola, dat tot 1238 de hoofdstad van de regio was; een mooie handelsvesting met een kleine haven. Op alle torentjes en hoogspanningsmasten nestelen ooievaars. In de kerk, die in de Moorse tijd een moskee was, zijn de boogpilaren en de mihrab nog te zien. De kozijnen van de witte middeleeuwse huizen zijn in alle kleuren van de regenboog geverfd, en op de heuvel staan de resten van een eeuwenoude burcht. Toch komen hier jaarlijks maar 25 duizend toeristen, zegt Rosa. ‘De stranden zijn onze grootste concurrent. Maar het binnenland is oneindig veel mooier, als je de juiste plekken kent.’

In het zuidoosten van haar stad ligt zo’n plek. Even voorbij de brug over de rivier Oeiras staat een bordje dat verwijst naar een klooster: het Convento São Francisco. Het is in 1980 gekocht door een Nederlands echtpaar, Geraldine en Kees Zwanikken, twee kunstzinnige geesten die op deze historische plek een kunst- annex spiritueel centrum begonnen.

Op de 40 hectare grond eromheen is een paradijselijk natuurpark aangelegd. Er bloeien zeldzame bloemen, planten, cactussen en bomen, er grazen paarden, rond een Romeins waterwiel met schoepen loopt een robot-ezel die door een van de kunstenaars is gemaakt, en wijlen Bram Vermeulen heeft er een Waterlabyrint aangelegd. Ook hier stikt het van de roofvogels en ooievaars.

Het klooster ligt aan het eind van een majestueuze, stenen trap die in de diepte beneden bij de rivier eindigt. In de koele kapel, van zo’n 8 meter breed, 20 meter lang en 10 meter hoog, klepperen de bekken van elektrisch aangestuurde ooievaarsschedels die bungelen aan meterslange, ijzeren bogen. Hun koppen bewegen in elkaars richting, alsof ze elkaar liefhebben. Boven het voormalige kapelkoor is een stellage gebouwd waarop twee karretjes met draaiende hondenschedels heen en weer rijden. Aan de wand hangt een lamp waarin blauwe vonkjes tegen glazen bollen tikken. Alles in dit atelier beweegt, geeft licht, maakt geluid of verandert van kleur.

Kunstenaar Christiaan Zwanikken, een van de twee zoons van het echtpaar en schepper van de robot-ezel in de tuin, maakt hier zijn ontwerpen en bewegende sculpturen. Samen met broer Louie leidt hij het bezoek rond, door de sacristie waar foto’s en kunstwerken van hun ouders hangen, langs de binnenplaats met oude monnikscellen waarin geregeld auteurs, kunstenaars, filmmakers en fotografen logeren om ongestoord aan projecten te kunnen werken.

De kamers worden ook aan ‘gewone’ toeristen verhuurd, maar wel voor minimaal twee nachten. ‘We zijn geen hotel’, zegt Christiaan. ‘We hebben hier het liefst mensen die langere tijd willen blijven en die in kunst, natuur en spiritualiteit zijn geïnteresseerd. Dat gaat goed, want de meeste toeristen gaan toch vooral naar de costa’s.’

Honkvast
Jaarlijks komen ongeveer 12 miljoen vakantiegangers naar Portugal. Het toerisme groeit nauwelijks en de toeristen zijn honkvast: 82 procent gaat naar de kust, blijkt uit het Plane Estratégio Nacional do Turismo. Dit is vooral seizoenstoerisme – in de wintermaanden staat een groot deel van de hotels leeg. Dat baart de overheid zorgen, want toerisme genereert 10,2 procent van de totale werkgelegenheid.

‘Ik verdien vooral aan de plaatselijke bevolking die hier komt ontbijten en lunchen’, zegt de 29-jarige Vonda Mattéos in Santa Luzia, een klein, oud vissersdorpje vlak bij de kustplaats Tavira. Zij heeft vier maanden geleden Café de Villa aan het Kerkplein geopend en serveert cappuccino’s en broodjes kaas op haar terras. ‘Toeristen komen hier nauwelijks’, zegt ze. Toch ligt St. Luzia op een steenworp afstand van wat Vonda ‘het mooiste en minst bekende strand van heel Portugal’ noemt: Praia do Barril, dat alleen bereikbaar is via een pontonbruggetje voor voetgangers en een klein spoorlijntje dat over de drassige wadden van het Parque Natural da Ria Formosa is aangelegd.

Praia do Barril is een van de stranden op het langgerekte eiland voor de kust van Tavira. Het is er rustig en wordt vrijwel uitsluitend door Portugezen bezocht. In de duinen ligt een ankerkerkhof, op de kade staan nog de oude tonijnfabrieken, waarin nu een restaurant is ondergebracht. De meeste bezoekers gaan naar het oostelijk deel van het eiland, waar talloze malen per dag de veerboot Ribeiralima vanaf Tavira naartoe vaart. De palen onder de aanlegsteiger zitten vol mossels en oesters, eromheen liggen tal van vissersboten en jachtjes aangemeerd. Voor 1,40 euro verkoopt de kapitein van de Ribeiralima retourkaartjes – op het eiland blijven nauwelijks mensen slapen. Er komen voornamelijk dagjesmensen en vissers die er tegen zonsondergang profiteren van de grote hoeveelheden vis in de branding rond de pier waarop de vuurtoren staat.

‘Wij vissen, en de toeristen eten onze vis’, zegt makreelvisser João Furtado (28), die van Mértola naar Tavira verhuisde om aan werk en geld te komen. ‘Het binnenland loopt leeg. De jongeren trekken naar de kust omdat daar werk is, de toeristen komen naar de kust omdat de jongeren het er gezellig maken. Dat is hoe het hier gaat. In de winter komen hier helemaal geen toeristen.’ Lachend: ‘Dan eten we gewoon ons eigen visje op.’

Meer over