Speurders kinderporno zijn niet laks

De kinderpornografiezaak in Zandvoort roept de vraag op naar de aard en omvang van de kinderpornoproductie in ons land. Volgens Jos Frenken laat deze vraag zich moeilijk beantwoorden....

KINDERPORNOGRAFIE is voor de wet visueel materiaal waarin seksueel gedrag wordt afgebeeld waar een kind van onder de zestien jaar bij betrokken is. Kinderpornografie is een bijprodukt van seksueel misbruik van kinderen en ontleent daaraan zijn strafwaardigheid. Dit sluit uit dat het privébezit van (onschuldige) naaktfoto's van kinderen uit het familiealbum strafbaar is.

De vervolging van de productie van kinderpornografie geschiedt nagenoeg altijd op grond van de (zwaardere) ontuchtartikelen. Het gebruiken van jeugdigen voor pornografieproductie is strafbaar gesteld in artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht als dat materiaal is vervaardigd met het doel dit te verspreiden of openlijk tentoon te stellen.

De vormen van productie, verspreiding en gebruik van dit materiaal lopen sterk uiteen. Ik maak de volgende onderscheidingen.

Categorie 1: Pornografisch materiaal gemaakt door hen die kinderen misbruiken en die dit materiaal gebruiken om hun seksuele fantasieën over kinderen te bevredigen. Het wordt aangewend bij masturbatie en bij het overreden van andere kinderen om seksuele contacten met volwassenen als 'normaal' te dulden.

Het gaat hier meestal om pedofielen die geen commerciële oogmerken hebben, maar het materiaal soms wel ruilen met geïnteresseerde kennissen. Pedofielen zijn gedreven verzamelaars van dit materiaal.

Categorie 2: Pornografisch materiaal dat wordt vervaardigd voor eigen gebruik en in beperkte mate, op een hobbyistisch en amateuristisch niveau, voor de verkoop is bedoeld. Deze mannen hebben veelal contacten met andere volwassenen die betrokken zijn bij seksuele handelingen met kinderen en daarvan opnamen maken.

Vaak zijn dat kwetsbare jongeren (weggelopen kinderen, verwaarloosde kinderen uit éénoudergezinnen of probleemgezinnen en jeugdprostitués). Deze jongens of meisjes laten seks of pornografische opnamen toe in ruil voor geld, aandacht, bescherming of materiële goederen.

Een voorbeeld is de Zuid-Limburgse-Rotterdamse zaak uit 1995. Vier leden van pedofielen-gespreksgroepen werden in dat jaar veroordeeld wegens ontucht met 35 kinderen. Zij vergrepen zich aan de kinderen, maakten daarvan video-opnamen en ruilden en verkochten dit materiaal aan een pedofielenclub in Rotterdam waarvan een man ontucht pleegde met zijn stiefkinderen: twee meisjes van elf en dertien en een jongen van twaalf.

Deze man vormde het middelpunt van een andere groep mannen die op hun beurt kinderen misbruikten. Bij deze groep zaten drie exploitanten van jongensbordelen met zo'n twintig jongens tussen de 14 en 21 jaar en ongeveer dertig klanten. Hier was dus sprake van twee onderling los verbonden netwerken.

Categorie 3: In commerciële netwerken is sprake van een los gestructureerde organisatie die zich bezighoudt met het recruteren van kwetsbare jongens en meisjes, het misbruiken van deze jeugdigen, het maken en verkopen van video-opnamen daarvan en het opbouwen van een netwerk van betalende klanten.

De participanten in het netwerk hebben een of meerdere functies: werver, gelegenheidsgever, misbruiker, pornoproducent, verspreider van het materiaal en klant.

Voor zover er concrete gegevens zijn over kinderporno, leveren zij het volgende beeld op. Twee Amsterdamse politiemensen, Loof en Damming, ondervroegen in 1994 ervaren zedenrechercheurs uit de 23 politieregio's naar het aantal 'harde' kinderpornozaken in de jaren 1991 tot en met 1993. Elf regio's rapporteerden geen zaken, de twaalf overige rapporteerden samen twintig zaken. Daarnaast waren er een dertigtal tips waarmee niet gewerkt kon worden.

Volgens de regiokorpsen beperkt de kinderporno zich over het algemeen tot het pedofielen-circuit (categorie 1). Er zijn wel netwerkjes waarbinnen men 'hobbyt' met kinderporno, men het materiaal onderling uitwisselt en waar ook wel eens een enkeling er brood in ziet zich commercieel met kinderporno bezig te houden (categorie 2). Commerciële productienetwerken (categorie 3) werden in het onderzoek niet aangetroffen.

Dit strookt met de bevindingen van het Verslag van de Werkgroep Kinderpornografie van de Commissie-De Wit (1986), ingesteld door de toenmalige minister van Justitie Korthals Altes naar aanleiding van kritiek in de Amerikaanse Senaat op Nederland.

Hogere aantallen kinderpornografiezaken worden genoemd in een inventarisatie van politie-inspecteur Hoek in de regio Amsterdam/Amstelland. In de periode 1991 tot half 1994 werden in deze regio 86 onderzoeken verricht waarbij 61 producenten en 41 producenten/verspreiders betrokken waren.

Bijna de helft produceerde mede voor commerciële doeleinden nieuw materiaal of reproduceerde oud buitenlands of binnenlands materiaal (categorie 2); de rest (re)produceerde voor eigen gebruik of onderlinge uitwisseling (categorie 1).

De inhoud van dat materiaal varieerde van foto- en video-opnamen van blote kinderen in naturistencampings, strandopnamen en naakt poseren tot seksuele handelingen tussen kinderen onderling of tussen volwassenen en

Iets meer dan eenderde van de producenten en producenten/verspreiders heeft een buitenlandse (vooral Engelse en Noord-Amerikaanse) nationaliteit. Van de 102 producenten woonde de helft in Amsterdam; daar wonen ook de meeste buitenlandse producenten.

Uit een nog niet gepubliceerde inventarisatie van de Regiopolitie Amsterdam/Amstelland blijkt dat in de periode 1994 tot en met 1996 veertig onderzoeken in verband met kinderpornografie zijn verricht. In die drie jaren werden honderd verdachten gehoord en tweeduizend videobanden in beslag genomen waarop ongeveer tweeduizend verschillende kinderen werden waargenomen.

Een 'substantieel deel' van het materiaal is recent in Nederland vervaardigd, maar vaker ging het om oud, buitenlands materiaal. De veertig onderzoeken betroffen onder meer 17 netwerken van meerdere bij de (re-)productie en/of verspreiding betrokken personen.

De Utrechtse psychologiestudenten De Bont en Van Soest hebben in 1997 gedetailleerd telwerk verricht. Zij troffen bij de dertien recente onderzoeken in Amsterdam/Amstelland zeven netwerken aan van meerdere met elkaar bekende personen die (soms dezelfde) kinderen misbruikten. De rest betrof individuele plegers.

De zeven netwerken bestonden uit 44 daders, met in totaal 93 slachtoffers onder de 16 jaar. In de helft van de netwerkzaken was behalve van misbruik ook sprake van kinderpornografieproductie.

Uit de processen-verbaal van de verdachten kon worden afgeleid dat 77 procent seksuele contacten heeft gehad met jongens, vijf procent met meisjes en negentien procent met jongens én meisjes. Zeventig procent van de verdachten kende het slachtoffer goed of oppervlakkig. Drieënveertig procent van de ouders kende de verdachte. Bijna geen van de ouders van de 89 slachtoffers wist iets af van het misbruik. Van de slachtoffers was tachtig procent jongen en twintig procent meisje. De beginleeftijd van het misbruik was gemiddeld elf jaar, de duur gemiddeld een jaar.

In driekwart van de gevallen vonden de seksuele contacten plaats bij de pleger thuis. In tweederde van de gevallen was er sprake van een geleidelijk proces, dat wil zeggen dat het kind langzaam verleid werd tot seksueel contact via bloot lopen, massage, samen in bad gaan, pornovideo's bekijken en knuffelen.

De daders die kinderpornografische foto's of video's maakten waren voor driekwart pedofielen. Zij gebruikten het materiaal voor eigen gebruik en ruilhandel. Binnen één netwerk was een expliciet commercieel element aanwezig.

Uit onderzoek blijkt dat de kinderen vaak vrijwillig naar de pedoseksueel gaan. Niet omwille van seks, maar om aandacht, spel, gezelligheid en cadeaus. Nogal wat ouders hebben een vertrouwelijke relatie met de aardige pedofiel, maar weten niets van de seksuele contacten. De jongeren wordt geheimhouding opgelegd. Door kinderpornovideo's te bekijken en door geldelijke beloning, worden kinderen verleid zich te lenen voor foto- of video-opnamen: dat is normaal, kijk maar.

De hogere aantallen Amsterdamse zaken in de laatste jaren zijn het effect van de gerichte inspanningen van de Kinderporno-unit van de Amsterdamse politie. Als het specialisme jeugd- en zedenpolitie weer in ere wordt hersteld in de regio's waar het verdwenen is, zal ook daar het aantal zaken toenemen.

Er blijken relatief veel losse netwerken te zijn van, vooral pedofiele, plegers. Men kent elkaar allang en doet iets voor de ander op basis van dienst/wederdienst. Echte commerciële netwerken (categorie 3) komen verhoudingsgewijs zelden voor.

Het is wenselijk dat de politie meer informatie vergaart over de achtergronden van slachtoffers, hun gezinnen en van de daders. Meer inzicht in de interactiepatronen tussen plegers en slachtoffers en plegers onderling kan leiden tot doelmatiger opsporing en preventie van seksueel misbruik van kinderen.

Het Openbaar Ministerie moet de politie meer juridische armslag geven voor snelle huiszoekingen bij redelijke verdenkingen. Anders is het pornografiemateriaal allang verduisterd.

De laatste dagen is soms forse kritiek geuit op politie en justitie naar aanleiding van de Zandvoortse zaak. Het zou dan volgens Childright en het Meldpunt Kinderporno op Internet gaan om: signalen niet serieus nemen, lacunair opsporingsonderzoek, gebrek aan know how, onder andere over Internet, en zelfs 'tegenwerking' van politie door justitie werd genoemd.

Ik ken geen onderzoek dat deze kritiek met gedegen telwerk ondersteunt. Veel van de kritiek lijkt eerder op emoties dan op feiten te zijn gebaseerd. Het opsporen van (re-)producenten of verspreiders, al dan niet op Internet opererend, is ingewikkeld en tijdrovend. De wereld van de kinderpornografie is een gesloten wereld waarin alle participanten elkaar binden in geheimhouding, want zij zijn chantabel.

Natuurlijk, er valt nog veel te wensen op het gebied van de aanpak van kinderpornografie, maar die zijn eerder terug te voeren op een gebrek aan menskracht en middelen dan op onachtzaamheid, laksheid, laat staan onwil of 'tegenwerking'.

J. Frenken is hoogleraar seksuologie in Leiden en verbonden aan het Nederlands Instituut voor Sociaal Sexuologisch Onderzoek (NISSO) te Utrecht.

Meer over