InterviewMohammed Benzakour

Schrijver Mohammed Benzakour over zijn overleden moeder: zij wacht op mij, zij is nabij

Mohammed Benzakour Beeld Imke Panhuijzen
Mohammed BenzakourBeeld Imke Panhuijzen

In maart 2019 stierf Zouliga, de moeder van schrijver Mohammed Benzakour (48) in een Nederlands verpleeghuis. Zijn grootste verdriet: dat zij geen van zijn boeken heeft kunnen lezen. ‘Voor een belangrijk deel heeft zij mij niet gekend.’

We zitten aan de eettafel van zijn knusse appartement, een mini-Marokko op 9-hoog. Beneden ligt Zwijndrecht. De schrijver wijst naar een enorme galerijflat aan de overkant van de straat, waar op dezelfde verdieping zijn vader woont. Alleen, inmiddels.

Hoe het begon.

‘‘Yemma, ben je bang?’ vroeg ik. Yemma is Berbers, het betekent ‘mama’ en ‘moeder’ tegelijk. Nee, zei ze. Maar ze was stil, niet zo stralend en opgewekt als ik haar kende. We waren op weg naar het Clara Ziekenhuis in Rotterdam voor een kleine ingreep: het implementeren van een neurostimulator, een klein kastje onder de huid dat pijnprikkels wegneemt. Mijn moeder had al jaren pijn die vanuit haar onderrug uitstraalde naar de benen – ze kon nauwelijks lopen. Ik ga mama pijnvrij krijgen, dat was mijn heilige missie. Voor mijn moeder hoefde het allemaal niet meer, maar ze leunde op mij, en vertrouwde op alles wat ik zei en deed.

‘In de wachtkamer van het ziekenhuis haalde ze een Tictac uit haar tasje. Die snoepjes nam ze alleen mee als er iets medisch stond te gebeuren. Ik zie haar nog naar de behandelkamer gaan, in haar witte jurk en witte hoofddoek. Ze gaf me een handkusje. Ik bleef op haar wachten. Na de ingreep mocht ik niet gelijk naar haar toe. Vreemd. ‘Ze is moe,’ zei een verpleegkundige. ‘Komt u morgen maar terug.’ Na een paar uur ben ik toch naar die afdeling gegaan. Ik liep naar haar bed. Daar lag niet mijn moeder. Daar lag een pop, een porseleinen pop die roerloos naar het plafond staarde.’

Moeders oogappeltje

Mohammed Benzakour werd in 1972 geboren in het Marokkaanse dorp Ouled Ali. Zijn vader was al gastarbeider in Nederland en gaf volgens zijn zoon ‘rug en benen’ in een kolenmijn in Sittard. Later werkte hij in een ijzerfabriek in Rotterdam en een oliefabriek in Zwijndrecht. In 1975 werd het gezin herenigd.

‘Ik was mijn moeders oogappeltje. Ze zei: ‘Ik hou van al mijn kinderen evenveel, maar van Mohammed net iets evenveler.’ Dat wisten mijn twee broers en zus ook wel, hoor. Ik ben het jongste jongetje, een nakomertje. Mijn moeder was heel zorgzaam, maar wat haar niet zo beviel: ik was een beetje de hippie van het gezin. Elke keer die blouse buiten mijn broek, dat kon echt niet. Die propte ze dan altijd weer achter mijn riem.

‘In de Berberse cultuur nemen moeders een belangrijke, gevoelige positie in, bijna naast Allah. Zeker als het om zonen gaat. Zinedine Zidane is Berber, hè. Van Algerijnse komaf, Kabylisch. In de WK-finale van 2006 gaf hij een kopstoot aan de Italiaanse verdediger Materazzi. Die had iets naars gezegd over Zidanes moeder. Dat kán niet anders.’

Een jeugd bestaat uit geuren. Hoe rook zijn moeder?

‘Ik kende alleen haar frisse geurtjes. Zeep. Eau de toilette, uit een flesje met een roos erop. Als klein kind vond ik het fijn om na mijn moeder naar het toilet te gaan. Die bleef dan reukloos, en de wc-bril was lekker warm – mama was een dikke vrouw, altijd geweest. Mijn vader rook je wel. En hoe. Vleeseter. Als hij naar het toilet was geweest, kon je het huis drie dagen gaan luchten. We mochten op medisch advies van de huisarts het toilet verwisselen, van een exemplaar met plateau naar diepspoel. Dan nog was de geur vreselijk.

‘Ik was bang voor hem, als kind. Een grote, sterke man. Een strenge man. Als hij boos was, kreeg hij letterlijk schuim in zijn mondhoeken. Ik heb de nodige afranselingen van hem gekregen. Met de hand – hij had van die kolenschoppen. Ik was ook wel een rare vogel, anders dan andere kinderen. Ik trok m’n eigen spoor. Hij zei ooit: ‘Ik heb een koekoeksjong in het nest.’

‘Pas later ben ik van mijn vader gaan houden, toen hij oud en gebrekkig was geworden. En mild. Ik begon in te zien hoe lief hij voor mijn moeder was. In de tijd dat het slecht met haar ging, besloot mijn vader speciaal naar een grotere moskee in Rotterdam te gaan: daar waren meer gelovigen om voor zijn vrouw te bidden. Vooraf stopte hij dan een briefje van 20 euro in de handen van de imam – voor smeekbedes, speciaal voor de gezondheid van mama.’

Marokkaanse in een Hollands verpleeghuis

Een CVA, een beroerte, dat was de diagnose in het Clara Ziekenhuis. Mogelijk door verkeerd gebruik van bloedverdunners. Zouliga Benzakour, moeder van Mohammed, raakte halfverlamd en verloor haar spraak.

‘Nu denk ik soms: had ik wel zo moeten aandringen op die laatste behandeling? Ze kwam in een verpleeghuis. Zonder haar man en kinderen. Zeker de eerste maanden moet dat een hel voor haar zijn geweest. Ze kon niet bewegen, ze kon niet praten, ze begreep niet wat mensen zeiden omdat ze geen Nederlands sprak en analfabeet was... Het vreselijke van een beroerte is: je zit gevangen in je lichaam. Anders dan bij alzheimer ben je je daar volledig bewust van. Hád ze maar alzheimer! Dan heb je de genade van het vergeten. Alleen als ze sliep was ze vrij van zorgen. Tot ze haar ogen opende. Elke ochtend werd ze wakker in een nachtmerrie.’

In het Hollandse verpleeghuis was zijn moeder de enige Marokkaanse.

‘Ze at heel slecht. Waarschijnlijk vanwege de doorgekookte Hollandse groenten en aardappelen, álles was gekookt. In de Marokkaanse keuken worden veel gerechten gestoofd en gebakken, met kruiden en specerijen, pittig. Ik zei tegen mijn broers en zus: ze mist ons eten. Om de beurt maakten we gerechtjes: gebonden linzensoep, sardientjes met koriander en harissa, gefrituurde inktvisringen, kippenvleugeltjes, niertjes. In pannen met doeken eromheen zetten we het eten warm op een tafel in de kantine van het verpleeghuis, met een thermoskan thee erbij. Ik voerde haar.

‘Aanvankelijk liet de kantinebeheerder het oogluikend toe, maar na een week of twee zei hij: ‘Het is niet de bedoeling dat families hun eigen eten meenemen, meneer Benzakour. Als iedereen dat zou doen, kan ik de tent wel sluiten.’ Maar ja, mijn moeder was de enige Marokkaanse! ‘Nee, meneer Benzakour, dat is hier een regel en daar moet iedereen zich aan houden. U dus ook. Ik ga geen uitzonderingen maken.’ We konden in de tuin gaan zitten, maar daar werd het al snel te koud.

‘Soms is liegen een vorm van beschaving’.  Beeld Imke Panhuijzen
‘Soms is liegen een vorm van beschaving’.Beeld Imke Panhuijzen

‘In de lift drukte ik eens per ongeluk de verkeerde knop in. Ik kwam in de kelder van het verpleeghuis. Daar ben ik een beetje gaan snuffelen. Er was een kamertje met een werkbank, gestapelde stoelen en kartonnen dozen, eentje met kerstversiering. Hier kan ik iets arrangeren, dacht ik, en nam mijn moeder mee naar de kelder. Heerlijk gegeten, bij brandende kaarsen uit die kerstdoos. Mijn moeder vond het eerst doodeng, dat zag ik aan haar, maar we zijn nooit betrapt. Zo zijn we de winter doorgekomen. Op een dag zat er een hangslot op de deur.’

Cultuurclash

Een cultuurclash, zegt hij – dat was de kern van het probleem in het verpleeghuis.

‘Regels, rigide regels, daar liepen mijn moeder en ik steeds tegenaan. Kijk, ik was bijna de hele dag met haar in de weer. Ik wandelde met haar, gaf haar te eten, noem maar op. Tussen de middag ging ze rusten. Dat was voor mij ook een pauzemomentje, want het is gewoon loodzwaar om met iemand te praten die zelf niet kan praten. In de gang van haar afdeling had ik een aparte kamer ontdekt met een bank, een tafel en een boekenkast met christelijke lectuur. Die stond de hele tijd leeg. Daar ging ik dan een halfuurtje slapen. Ik was zo moe, joh. Na een paar keer werd ik weggestuurd door een zeer verontwaardigde zuster. Het bleek een rouwkamer te zijn voor familieleden. Maar niemand had last van mij! Ik dacht: jullie zien toch hoeveel ik voor mijn moeder doe? Daarmee verlicht ik jullie werk. Gun je mij dan niet om daar even bij te komen?

‘Een ander tekenend voorbeeld: logopedie. Mijn moeder moest opnieuw leren praten, maar dat lukte totaal niet. Ik kwam met het idee: kunnen we iets doen met klanken, geluiden en melodietjes? Laat haar Koransoera’s horen, dat zijn net liederen. ‘Sorry’, zei die logopedist, ‘maar ik ga mij niet verdiepen in de islam.’ Dat vroeg ik helemaal niet! Ik wilde alleen maar meedenken om mama weer te laten praten. Op YouTube kun je met je telefoon makkelijk Koransoera’s downloaden. Dat heb ik toen zelf gedaan. Maar: ik was te laat. Het heeft een béétje geholpen. Soms rolden er ineens complete zinnen uit haar mond, dat was fantastisch, maar toch: merendeels bleef het bij klanken.

‘Ik was boos op Allah. Dat is ook gewoon mijn aardse nuchterheid. Ik begreep niet waarom Hij uitgerekend mijn moeder, die zo puur en devoot haar leven had gewijd aan deze Schepper, zo hard moest treffen. Mijn moeder was zelf helemaal niet boos. Zij geloofde stellig: alles wat op de wereld gebeurt, is de wil van Allah. Ook haar ziekte. Sterker: hoe zieker ze zich voelde, hoe vromer ze werd! Dat heeft me wel verbaasd. Haar geloof was heel kinderlijk. Sinterklaas bestaat. Daar twijfelt een kind ook niet aan, hè. Ze kon niet lezen, dus ook niet de Koran. Toen ze nog gezond was, ratelde ze tijdens het gebed allerlei dingen zonder te weten wat ze nou precies zei.’

Allebei zonen

Is hij zelf religieus?

‘Ik geloof. Jawel. Het leven is te mysterieus voor goddeloosheid. Maar ik ben niet dogmatisch. Ik bid als ik wil bidden. In het verpleeghuis was een kapel, met een groot Jezusbeeld aan het kruis. Ik wilde zó graag dat mama weer beter werd... Ik liep naar binnen. ‘U bent de zoon van God, ik ben de zoon van Zouliga. We zijn allebei zonen en we hebben allebei onze moeder lief.’ Ik hoorde me dat ineens zo zeggen. Ik smeekte hem: ‘Kunt ú mijn moeder genezing brengen?’ Nee heb je, ja kun je krijgen. Ik ben niet op mijn knieën gegaan, maar ik hield Jezus wel vast, met gesloten ogen. Als er wonderen bestaan, dan moest er nú iets gebeuren. Het gaf me troost. Intellectuelen doen daar vaak spottend over, hè. Geloof is dom, een sprookje. Maar onderschat nooit hoeveel kracht en energie mensen kunnen putten uit het niet-rationele. Vooral in tijden van wanhoop.’

Al in de eerste maanden na de beroerte van Zouliga kwam het tot een radicale rolverwisseling.

‘Ik werd haar moeder, zij werd mijn kind. Ik zeg moeder, omdat ik heel zorgzaam werd. Dat associeer ik niet met een vader. Ik kamde haar haren. Ik spoot parfum in haar nek. Ik haalde haar kunstgebit eruit en poetste haar tanden. Ik masseerde haar teentjes. Heel fysiek allemaal. Dat liet ze toe. Ze kon niet meer praten – dit was nu meer onze communicatie. Als het te intiem werd, als ze bijvoorbeeld verschoond moest worden, ging ik de kamer uit. Ik zag aan mijn moeder dat daar een grens lag. Dat hoefde me niet te verbazen. Toen ik 13, 14 jaar oud was, ging ze een hoofddoek voor mij dragen. Ook binnenshuis. Die doek nam ze alleen af voor mijn vader. Voor haar kinderen zag ze de haren op haar hoofd toch als een soort schaamplek die bedekt moest worden.

‘Ik weet nog dat ik in het verpleeghuis haar rechterhand een keer vasthield. Die hand was dood. Een verlamde hand is dood. Ik dacht toen: zonder deze hand was ik zelf dood geweest. Mijn moeder vertelde mij ooit een verhaal – van toen ik een baby was, nog in Marokko. Ik lag naast haar in bed. Ze hoorde iets. Geritsel. Niet van de wind. Ze deed een olielampje aan en zag ineens een grote zwarte slang die langzaam vanaf het plafond in mijn richting bewoog. Mijn moeder had er al op gerekend, zei ze. Een paar dagen daarvoor had ze een babyslangetje in de keukenla met een bezemsteel doodgemept. Nu wilde deze moederslang zich wreken door het leven te nemen van háár kind. Dat was haar volksgeloof. In een reflex sloeg ze met de vlakke hand tegen de kop van de slang. Die viel naar beneden. Met haar blote voeten stampte ze net zo lang op die slang tot het beest morsdood was. Later vond mijn moeder een slangentand in haar hiel. Het gif had geen effect op haar gehad. Ze zei: het is de wil van Allah.’

Notities in een schoenendoos

Een jaar verbleef zijn moeder in het verpleeghuis. Hij maakte notities op de achterkant van zorgformulieren.

‘Schrijven was voor mij zelfmedicatie. Het waren eindeloos lange middagen in een stille, troosteloze omgeving. Als ik dan was uitgepraat... ging ik maar dingen noteren. Observaties. Gedachten. Hoe ik me voelde. Die verdwenen allemaal in een schoenendoos. Ik had nooit het idee om te publiceren. Via een vriend kreeg mijn uitgever die verhalen en verhaaltjes onder ogen, en die zag er een boek in. Toen dacht ik: goed, maar dan ook all the way. Ik ga mezelf niet censureren of gevoelige familiedingen vermijden. Ik wilde een stem geven aan mijn moeder die geen stem meer had. Zo is Yemma ontstaan.’

Kon hij als schrijver afstand nemen? Is hij zijn moeder in een ander licht gaan zien?

Voor het eerst valt er een stilte. ‘Ja... Ik ben haar gaan benijden. Kijk, mijn moeder heeft niet of nauwelijks de wereld gezien. Nooit een boek gelezen of een toneelvoorstelling bezocht. Ze lachte om André van Duin op televisie, niet om wat hij zei, maar om z’n gekkebekkentrekkerij. Ze leefde voor haar man, haar kinderen en Allah. Ik dacht altijd: wat zielig, wat een beperkt leventje heeft mama toch. Geluk was in mijn ogen synoniem aan zelfontplooiing, schoonheidsbeleving, reizen. Een misverstand, denk ik nu.

‘Mijn moeder straalde. Ook in het verpleeghuis. Ze gaf iedereen kushandjes. Eenmaal weer thuis zat ze in haar rolstoel, gevangen in de hoek van de kamer, maar ze was toch het middelpunt: lachen als je er was, als ze tenminste niet te veel pijn had. Ze mocht dan een simpel wereldbeeld hebben, in die levenskracht zat óók de wijsheid waar ik met m’n hoger opgeleide vrienden zo naar op zoek ben. Ik vond mijn moeder een engel. Juist door haar ziekte steeg ze boven zichzelf uit. Eigenlijk kwam ze uit een ander tijdperk. Ze was een gever in een wereld die vooral nemers kent.’

Geen Fatima met hoofddoekje

Eén wens van zijn moeder bleef onvervuld.

‘Als het aan haar had gelegen, en trouwens ook aan mijn vader, was ik allang thuisgekomen met een Fatima met hoofddoekje. Dat was wel een verdriet van mama. Dat gunde ze mij. ‘Lieve jongen’, zei ze dan, in haar gezonde jaren, ‘ik weet niet wat jij allemaal in het land doet, maar op het eind van de dag steek je de sleutel in de deur en stap je een koud, stil huis binnen. Er is geen vrouw die op jou wacht. Je ruikt geen lekkere etensgeurtjes. Je hoort geen kinderen spelen en roepen. Dat is toch vreselijk?’ Maar als ik thuiskom na een dag in Amsterdam of weet ik veel waar, vind ik de stilte juist een genot. Ik zet mijn eigen koffie en ga heerlijk in de leunstoel zitten met mijn lievelingsboeken.

‘Mijn eigen verdriet is dat mijn moeder nooit een essay, verhaal of boek van mij heeft kunnen lezen. Voor een belangrijk deel heeft ze me niet gekend. Dan schrijf ik een boek over haar, iedereen kan het lezen, behalve degene over wie het gaat. Dat is toch schrijnend? Ik heb haar het eerste exemplaar van Yemma gegeven en gelogen. Ik zei dat het over de mooie dingen ging, over haar leven in Marokko. Ik vertelde niet over de passage waarin zij zonder het te beseffen op de gangvloer van het verpleeghuis had geplast. Daar zou ze zich dood voor hebben geschaamd. Soms is liegen een vorm van beschaving.’

Heeft hij zijn vader en moeder ooit verweten dat ze in bijna veertig jaar nooit de Nederlandse taal hebben geleerd?

‘Nee. In die zin leunden ze altijd op ons, de kinderen. Het punt is: als je nooit naar school bent gegaan, ook niet in Marokko, dan is het sowieso heel lastig om een taal te leren. Wij kunnen tekens op schrift omzetten in taal, in een gedachte. Zij niet. Dat is dan al verdomde moeilijk. In de jaren zeventig heeft mijn docent van de lagere school, Joep Verduin, geweldige man, mijn vader en andere Marokkanen aangeboden om Nederlandse bijles te geven. Dat deed mijn vader niet. Daar heeft hij nu heel veel spijt van. Inmiddels is hij alleen en totaal niet zelfredzaam. Met de thuishulp kan hij geen praatje maken. In de Jumbo weet hij niet hoe hij moet vragen waar de pindakaas ligt. Hij heeft nu een grote behoefte om te praten, om in contact te komen, maar hij kan het niet.’

Terug naar Ouled Ali

Op de ochtend van 8 maart 2019 belde zijn broer.

‘‘Ben je alleen?’ vroeg hij. Ik had opgenomen in mijn halfslaap, maar ik zat meteen rechtop. ‘Je moeder is bij God in de hemel.’ Yemmash aqqeth 3asidi’arabi dhi djannath. Wij praten Berbers met elkaar. Ik viel even stil, enne... Ik zat in een hotelkamer. De avond ervoor was ik aangekomen op La Gomera, een van de Canarische eilanden. Het toeval wilde dat mijn andere broer net naar Marokko was gegaan. Je hoort vaak verhalen dat moeders pas kunnen sterven als de kinderen niet in de buurt zijn. Die ochtend had ze mijn vader geroepen. Hèèèh! Hèèèh! Dat deed ze vaker, dan dekte hij haar toe of gaf haar een glaasje water. Maar nu hield ze zijn hand vast, en liet niet los. Pas toen zag hij wat er gebeurde: ze was aan het gaan.’

‘Ik geloof. Jawel. Het leven is te mysterieus voor goddeloosheid’.  Beeld Imke Panhuijzen
‘Ik geloof. Jawel. Het leven is te mysterieus voor goddeloosheid’.Beeld Imke Panhuijzen

Zijn moeder zou begraven worden in Ouled Ali, het dorp van haar jeugd. Hij reisde naar Marokko om samen met zijn broer haar kist op te wachten.

‘We wisten dat vaak meerdere kisten in een vliegtuig meegaan, en dat nabestaanden soms de verkeerde dode mee kregen. Als een lijk eenmaal in de kist zit, is het bijna grafschennis om nog te kijken. Gelukkig gaf de imam ons toestemming om te checken. Kon ik haar toch nog even zien, dat vond ik wel fijn. We hebben heel even het deksel opgelicht. Is het mama? Ja. Ze lag op haar zij. Een beetje paarsig. Er zat nattigheid op haar voorhoofd, dat begreep ik eerst niet, maar als je van de koeling naar een warme ruimte gaat, ontstaat condens. Snel de kist weer dicht.

Stralend witte duif

‘Mijn moeder bracht de nacht door in de moskee. Daarna gingen we stapvoets, met de kist in een auto, naar het kerkhofje bij het dorp. Het graf was te klein. Ze hadden niet gerekend op handvatten. De kist stond scheef in de kuil. Een paar jongens maakten snel het graf wat breder met een schep. Ik dacht nog: o mama, zelfs je laatste momenten gaan niet rustig. Bij de begrafenis zijn traditioneel alleen mannen. Dat vond mijn zus verdrietig, maar ze had in Nederland wel onze moeder nog gewassen – zo nam zij afscheid. In de islam mogen de vrouwen en kinderen een dag later naar de begraafplaats komen, in mooie kleertjes, met snoep. Ik had op een markt een witte duif in een klein kooitje gekocht. Die liet ik bij het graf van mijn moeder vrij. Voor mij had dat een dubbele symboliek: ik wilde de duif bevrijden uit zijn kooi, zoals mijn moeder bevrijd was van haar lichaam. En ik had haar altijd gezien als een vogeltje, onschuldig, met van die kraaloogjes.

‘Ik heb ooit gezegd: de dood is een vriend geworden. Zo voelt het. In het verpleeghuis ben ik voor het eerst met hem in aanraking gekomen. Er lag een oude christelijke meneer die de hele dag ‘godverdomme’ riep. Soms sloeg hij het laken van zich af en werd zijn verschrompelde geslacht zichtbaar, tot afgrijzen van mijn moeder. Die man wilde dood. In tegenstelling tot mama – zij wilde nog zo graag bij ons blijven.

‘Na haar overlijden ervoer ik een zekere opluchting. De dood verloste haar van de pijn, het lijden, de wanhoop. Hoe vaak moest ze ’s nachts wel niet in een ambulance met zwaailichten naar de eerste hulp vanwege een acute blaasinfectie ofzo? Maar dat gevoel van bevrijding is niet gebleven. Een paar maanden geleden miste ik haar ineens enorm. Het was veel intenser dan kort na haar overlijden. Ik kan niet zeggen waar ik sta in het rouwproces, omdat ik simpelweg niet weet hoe het werkt. Het zal van mens tot mens verschillen.

‘Ik denk dat ik mijn moeder na mijn dood weer zal ontmoeten. Ik verdwijn straks niet in een groot zwart gat. Mijn lichaam misschien wel, maar mijn ziel niet. Mijn moeder wacht op mij. Niet als geest of energieveld of zo, maar echt: herkenbaar. Ik heb haar dan niets te vragen of te zeggen. Ik hoop alleen maar dat ik haar zie lachen en rennen. Ze is nabij. Nu al. Ze let op mij. Op een dag zat ik hier te schrijven toen er een duif op mijn balkonreling ging zitten. Dat gebeurt weleens vaker, maar dit was een stralend witte duif. Die bleef me maar aankijken, met z’n kraaloogjes. Ik deed voorzichtig de balkondeur open. Heel, heel lang hebben we naar elkaar zitten kijken. Ik zei: dag mama.’ 

Mohammed Benzakour

1972 geboren in Nador (Marokko)

1974 Emigratie naar Nederland

2001 Zilveren Zebra

2004 Boek Abou Jahjah, nieuwlichter of oplichter?

2005 Vredesprijs voor Journalistiek van Humanistisch Vredesberaad

2008 Bundel Stinkende Heelmeesters – confrontaties en bespiegelingen

2009 Nominatie E. Du Perronprijs voor bundel Stinkende Heelmeesters

2013 Boek Yemma

2014 Winnaar van E. Du Perronprijs 2013 voor Yemma

2015 Roman De koning komt

2016 Winnaar ANV Debutantenprijs voor roman De koning komt.

2016 Lijstduwer voor Partij voor de Dieren

2020 Verhalenbundel De ogen van Fadil

2021 Yemma, theaterversie

Mohammed Benzakour is naast schrijver ook columnist, essayist, socioloog, schaker, imker, visser en amateurastronoom. Als eigenzinnig opiniemaker stelt hij regelmatig kwesties op het breukvlak van cultuur en religie aan de orde. Hij is niet getrouwd en woont alleen.

Yemma in het theater

Volgend jaar komt er een theateruitvoering van Yemma. ‘De regisseur, Floris van Delft, vroeg mij: ‘Hoe betrokken wil je zijn bij het script?’ Ik zei: ‘Zo min mogelijk.’ Het schrijven was vanuit een sterke innerlijke noodzaak en die heb ik nu totaal niet. Ik heb ook geen kaas gegeten van theater. Als schrijver let ik op taal, op mooie zinnen. In een script gaat het vooral om dialoog. Alleen: mijn moeder kon natuurlijk niet praten. Ik denk dus dat het vooral een monoloog gaat worden. Nou ja, ik heb groen licht en carte blanche gegeven. Daar heb ik een goed gevoel bij.’

Ouderenzorg voor moslims

‘Anno 2020 hadden er voor oudere, zieke moslims veel meer specifiek ingerichte zorginstellingen moeten zijn. Dat verwijt ik de moslimgemeenschap. Die heeft veel te laat ingezien dat ze met dit probleem gaan kampen. Oudere joodse mensen in Amsterdam kunnen naar Beth Shalom. In Den Haag zit een mooi Indisch verzorgingshuis. Oudere moslims moeten nu door hun kinderen verzorgd worden, want er zijn vrijwel geen instellingen waar ze naartoe kunnen. Het is een taboe bij Marokkanen om de zorg voor je ouders over te geven aan professionals. Daar wordt dan smalend over gedaan: moet je zien, ze hebben vijf kinderen, en toch moeten ze in een tehuis. Dat taboe moet doorbroken worden, want je kúnt Marokko niet vergelijken met Nederland. Daar hebben ze in dorpjes vaak grote huizen, en als het moet bouwen ze er een etage op om opa en oma in huis te nemen. In Nederland woont iedereen driehoog in een flatje, de een in Amsterdam, de ander in Rotterdam of Gouda. Je ouders laten inwonen? Dat gáát niet. Jaren geleden voorspelde ik een catastrofe. Die is nu gaande. In Rotterdam zijn twee locaties voor moslimouderen met alzheimer. Goed initiatief, maar zo’n instelling is gedoemd te mislukken. Want waar hebben ze die gebouwd? Op de Varkenoordseweg.’ 

Meer over