InterviewBibi Dumon Tak

Schrijfster Bibi Dumon Tak: ‘Het enige wat ik kon schrijven was dit boek’

Beeld Eva Roefs

Tot dusver schreef ze vooral kinderboeken over dieren, maar haar nieuwe roman gaat over haar overleden zusje. Bibi Dumon Tak kon het niet níét schrijven, zegt ze. Haar woede en wanhoop waren te groot. ‘Dit boek móést eruit.’

De man van Lize vond dat alles eerlijk verdeeld moest worden. Niet alleen haar inkomen, waar hij, baanloos, van leefde, maar ook de borstvoeding. Want een vader stond al op achterstand – zwangerschap en bevalling waren voor de moeder en dat is ‘eigenlijk oneerlijk’. Geen huishouden waar de woorden ‘niet eerlijk’ zo vaak vielen als dat van haar ex-zwager en haar zusje Lize, schrijft Bibi Dumon Tak (55) in haar roman over de gebeurtenissen die haar leven de afgelopen jaren beheersten. Dus toen Lize een keer vroeg thuiskwam van een feestje omdat er spanning stond op haar borsten, mocht ze haar zoontje niet voeden van haar man. Het was zijn ‘moederbeurt’ – fiftyfifty, dat was eerlijk, zo hadden ze het afgesproken: de helft van de tijd mocht hij de fles moedermelk geven die Lize had afgekolfd. Of ze dus maar even wilde gaan kolven, na dat feestje, terwijl de baby krijste van de honger en de melk al uit Lizes borsten liep. Vader sloot zich op in de slaapkamer met het schreeuwende kind. Lize bonkte op de deur. Hij deed niet open. Lize belde huilend haar grote zus, de gelauwerde kinderboekenschrijver – in 2018 kreeg Bibi Dumon Tak de Theo Thijssen-prijs –, die al jaren met argusogen naar haar zwagers handelingen keek. Ik kom eraan, zei ze. Een half uur later belde Lize weer: ze had de brand weten te blussen. ‘Ik mocht beslist niet meer langskomen, dat moest ik beloven’, schrijft Dumon Tak. ‘Ze had de man wiens naam ik niet zal noemen – moge de nacht al zijn dagen verduisteren – haar melk gegeven, ze had het kolfapparaat of hoe het ding mag heten op haar borsten gezet en ze leeggetrokken opdat hij, wiens naam ik niet zal noemen – moge zijn adem voor eeuwig ruiken naar ontbinding – hun razende kind uiteindelijk met Lizes melk tot rust kon brengen.’

Het is een passage uit De dag dat ik mijn naam veranderde, het nieuwe boek van Dumon Tak en een breuk in haar oeuvre, dat tot dusver voornamelijk uit non-fictiekinderboeken over dieren bestond. Op de eerste pagina staat een songtekst van Dolly Parton: And I curse the man that made you what you are today/I hope he dies a thousand times (…). Sis let’s go out of here/’Cause I love you, baby sister, let’s go home.

Een toepasselijker tekst had Dumon Tak niet kunnen kiezen, behalve dat ze haar zus niet meer mee naar huis kan nemen. ‘Lize’ – in werkelijkheid heette ze anders – is in 2016, krap drie jaar nadat ze was gescheiden, aan kanker overleden. Sinds die tijd is de glans eraf voor Bibi Dumon Tak. Ze moet niet alleen haar zus missen, maar ook haar kinderen. Na haar zusjes dood heeft ze haar neefjes, nu 12 en 16, nooit meer mogen zien van haar ex-zwager – de man wiens naam ze nergens noemt in haar boek.

‘Het is een roman’, benadrukt Dumon Tak. ‘Ik heb het uitgebreid met mijn uitgever besproken en omdat het fictie is kan me geen smaad of laster worden verweten. Ik noem niemands echte naam en waar ik in werkelijkheid op een rode fiets naar de groenteboer ging, ga ik in het boek op een blauwe fiets naar de bakker. Maar alles is op ware gebeurtenissen gebaseerd. Er zullen misschien mensen vinden dat ik met dit verhaal de vuile was buiten hang, maar ik kon het niet níét schrijven. Ik heb het geprobeerd, om gewoon weer kinderboeken over dieren te schrijven zoals ik altijd deed. Maar ik blokkeerde. Het enige wat ik kon schrijven was dit boek.’

In 2014 interviewde ik je eerder, je zus was toen al ongeneeslijk ziek. Je werkte toen aan een kinderboek over de dierenambulance omdat dat, zei je, afleiding bood. ‘Als we door de stad crossen op weg naar een kat die in het water is gevallen, kan ik niet aan mijn zieke zusje denken.’ Hoe was het om voor dit boek wél de hele tijd aan haar te denken?

‘Fijn, eigenlijk. Ze kwam weer heel dichtbij. En ik kwam eindelijk aan rouwen toe. Dat proces was verstoord doordat ik sinds haar dood alleen maar woede en wanhoop had gevoeld. Steeds spookte door mijn hoofd: hoe krijg ik de kinderen weer te zien? Hoe kan dit gebeuren, in Nederland, waar dingen toch goed geregeld zijn, dat iemand zijn kinderen weghoudt van hun familie? Want mijn moeder, hun oma, mag de jongens ook niet zien, en ze gaat er kapot aan. Het vrat zo aan me dat ik nauwelijks aan mijn zusje kon denken. Rouw, dat is liefde plus verdriet, denk ik, maar doordat ik alleen maar woedend was, was daar geen ruimte voor. Die is er nu wel. Door het schrijven van het boek is het stof neergedaald.’

Hoe was je band met je zus? 

‘Hecht. We konden goed ruziemaken, maar we hadden ook met niemand zo verschrikkelijk veel lol als met elkaar. Toen ze eenmaal was getrouwd werd de band losser, door haar man. Ik weet nog dat ik míjn man, Jan Paul (Schutten, ook kinderboekenschrijver, red.) net had leren kennen en we uit eten wilden gaan met onze zussen, de zijne en de mijne. Dat mocht niet. Mijn zusje mocht niet zonder haar man met ons uit eten, want dan werd hij jaloers. En ze luisterde naar hem in de beginjaren, dat maakte dingen lastig. Maar toen ze eenmaal was gescheiden, werd onze band weer als vanouds. Het was één groot feest, acht maanden lang. Toen kreeg ze de diagnose kanker. Ze heeft niet lang van haar vrijheid kunnen genieten.’

Beeld Eva Roefs

En de band met je neefjes, hoe was die? 

‘Het voelde bijna alsof het mijn eigen kinderen waren. Mijn zus zei het ook altijd tegen me: ‘De kinderen zijn ook van jou, hè.’ Omdat ik zelf geen kinderen heb kunnen krijgen, wilde ze de hare met me delen. Zeker na de scheiding, toen mijn zus al ziek was en ik vaak bij haar logeerde, was het zo vertrouwd met ze. ’s Ochtends bracht ik ze voorop de fiets naar school met mijn neus in hun haar, en ik stond tussen de moeders op het schoolplein. Dat voelde als een groot geluk.’

‘De kinderen hebben natuurlijk ook een vader’, zei je in het interview in 2014. ‘Ik hoop dat we ze altijd kunnen blijven zien.’ Alsof je iets voorvoelde. 

‘Ja, dat was zo. Hij heeft het ook aangekondigd. In het medisch dossier van mijn zusje vond ik een aantekening van haar arts: ‘Patiënt is erg overstuur, want haar ex-man heeft te kennen gegeven dat na haar dood de kinderen hun oma en tante niet meer mogen zien.’

‘Je denkt dan nog dat het recht zal zegevieren. Nou, er ís helemaal geen recht. Ja, op papier is er iets als een ‘recht op familieleven’, maar als dat niet wordt nageleefd, kun je niks als tante. Ik heb de jongens brieven geschreven, ik heb school gebeld, de kinderbescherming, ik heb alles geprobeerd, maar overal word je afgepoeierd. Een keer mocht mijn moeder – na mediation, waar ik alle geloof in verloren heb – een uurtje met de jongens een pannenkoek gaan eten. Vlak van tevoren werd dat afgezegd. Helaas, appte hun vader. Altijd: ‘helaas’. Mijn moeder stortte in en ik snap dat: met haar kleinkinderen heeft ze ook even haar dochter terug. Daarom blijft ze hopen als een hond die op zijn baasje wacht, ik vind het vreselijk om te zien. Ik heb gezegd: we stoppen met de mediation, mama, dit is gewoon sadisme.

‘Zelfs als de rechter een omgangsregeling heeft uitgesproken, sta je machteloos als de vader steeds afbelt. Je kunt de politie inschakelen, ja, maar dat wil je de kinderen toch niet aandoen? Ik kan ze ook opzoeken op het schoolplein, maar dat zou een toestand worden. Ze horen thuis ongetwijfeld alleen maar slechte verhalen over me.’

Wat verwijt hij jou? 

‘Ik heb er veel over nagedacht. Ik denk dat hij me als een soort verlengstuk van zijn ex ziet; mijn zus en hij belandden in een vreselijke scheiding, ze gunden elkaar op het laatst niets. Ik had partij voor hém moeten kiezen, dat was strategischer geweest.

‘Ik heb me serieus in zijn situatie proberen te verplaatsen, want ik realiseer me dat het boek mijn kant van het verhaal weergeeft en ik wilde ook het zijne vertellen. Dat was het moeilijkste deel om te schrijven. Alle vervloekingen in het boek rolden er zo uit, maar over dit hoofdstuk heb ik eindeloos lang gedaan. Maar het moest, want het mocht geen woedeboek worden, dan wordt het eendimensionaal. Boosheid kan lekker zijn, hè: jij hebt gelijk en de ander deugt niet. Maar ik wilde niet de vuile was buiten hangen, nee, ik wilde met de lezer in de wasmachine gaan zitten om te kijken hoe je hem schoon krijgt. Ik moest mijn gelijk aan de kant kunnen zetten, dat was nodig voor het boek.’

Beeld Eva Roefs

Is het boek ook een poging om met je neefjes in contact te komen? 

‘Nou, nu kan ik het zéker vergeten om ze ooit nog te zien. Juist doordat ik alle hoop heb laten varen, kon ik het schrijven, want wat ik ook doe of laat, het maakt toch niet uit. Natuurlijk heb ik nagedacht: stel dat de jongens dit allemaal lezen, wat doe je ze daarmee aan? Maar hun tante kan ik niet meer zijn, en dit boek móést eruit als ik mijn schrijverschap niet óók nog wilde verliezen. Pas daarna kon ik verder.

‘Stel dat ze later zeggen: ‘Waarom heb je nooit iets laten horen?’, dan kunnen ze lezen dat ik alles heb geprobeerd. De kans is 99 procent dat dit boek verkeerd uitpakt, qua contact, maar er is ook 1 procent kans dat het helpt. Dat er later een volwassen man bij me op de stoep staat die zegt: tante Bibi. Dat zou fantastisch zijn, de deur staat wagenwijd open.’

En? Kun je nu verder met andere boeken? 

‘Ja. Doordat ik er woorden aan heb gegeven, is de woede weg. De volgende opdracht aan mezelf is om weer een beetje plezier in het leven te krijgen. Ik denk weleens: 30 november 2013, op die dag was ik voor het laatst gelukkig. Ik was met Jan Paul in Londen, we vierden zijn verjaardag en alles was goed. Vier dagen later kwam het bericht dat mijn zusje kanker had. Sindsdien is alles verdoft, ook door een gevoel van schuld. Al zeven jaar denk ik: ík had het moeten zijn. Ik heb al die boeken al geschreven, ik heb geen kinderen en al ben ik nog geen 80, ik heb een mooi leven gehad. Kosmisch gezien had ik veel beter kunnen gaan dan zij. Met het boek heb ik iets van mijn schuld afgelost – al werkt dat natuurlijk niet zo.

‘Gelukkig zijn is niet het doel, geluk zit in momenten. Maar af en toe zo’n minuutje of twee: daar hoop ik wel weer op.’

De redactie heeft contact gezocht met genoemde ex-zwager. Hij geeft aan niet inhoudelijk te willen reageren. 

De dag dat ik mijn naam veranderde is verschenen bij uitgeverij De Geus.