Per ongeluk in Nederland

Sannes geliefde uit Kiribati kan niet terug: ‘Niemand helpt ons, maar ook niemand maakt ons wat’

Sanne Zurné en Taubu in hun appartement. Ze blijven liever onherkenbaar in dit verhaal. Beeld Sanne De Wilde
Sanne Zurné en Taubu in hun appartement. Ze blijven liever onherkenbaar in dit verhaal.Beeld Sanne De Wilde

Fotograaf Sanne Zurné is blij als haar geliefde Taubu begin maart 2020 voor drie weken naar Nederland komt vanuit Kiribati. Net op tijd voor de lockdown. Maar die blijdschap slaat om in schrik als Taubu zijn land niet meer in mag wegens corona.

Het is zomer 2020 en ik loop met Taubu naar Cosi, het Italiaanse restaurantje op de hoek, aan de rand van het Arnhemse Spijkerkwartier. Het is de eerste keer dat we samen uiteten gaan. We komen binnen en nemen plaats aan een tafeltje achterin. ‘Zal ik je helpen met de wijn?’, vraag ik. ‘Ik wil cola’, zegt Taubu. ‘Een cola alsjeblieft’, zeg ik tegen de serveerster. ‘En heeft u misschien een goede wijn voor bij mijn ravioli?’

‘En wat wilt u eten?’, het meisje kijkt Taubu aan.

Ik pak de kaart erbij, lasagne misschien? Of Taubu, wil je iets met vis? Het meisje stelt de spaghetti alle vongole voor.

Als het eten wordt geserveerd, prikt Taubu onderzoekend in zijn pasta. ‘Strange food.’ Binnen vijf minuten is zijn bord leeg.

And now what?

Ja, zeg ik, als je zo snel eet blijft er niet veel van een gezellige avond over. Wil je echt geen wijn?

Hij neemt er eentje dan.

Ik heb het warm, zegt Taubu, en hij begint zijn shirt uit te trekken. ‘Nee, nee, stop!’, roep ik. Een groep meisjes kijkt ons aan.

Taubu trekt zijn shirt weer omlaag, en kijkt wat onbeholpen om zich heen. We zwijgen een tijdje. ‘Sorry Sanne’, zegt hij dan, ‘dit is helemaal niet leuk voor jou. I’m not a good man, I can’t make you happy.

‘Ach nee joh’, zeg ik. ‘Het is wél leuk.’

Ik ontmoette Taubu in 2019 in Kiribati, een kleine eilandstaat in de Grote Oceaan, zo ver weg van alles dat het lijkt alsof de tijd er is blijven stilstaan. Ik was daar om een fotoserie te maken voor de Volkskrant over de stijgende zeespiegel.

Op een rustige middag ging ik op een fiets naar het noorden van het eiland, waar de geasfalteerde wegen ophielden. Tijdens het fietstochtje stuitte ik op een groepje volleyballende Kiribatiërs. Een zelfverzekerde knappe man met grote vriendelijke ogen kwam het veld op lopen. Ik zag hem, hij zag mij, en vanaf dat moment was alles anders. De weken daarna fietste ik elke dag naar hem toe. Ik had nog nooit iemand zoals Taubu ontmoet. Hij was prachtig, zo rustig en onbevangen. Hij werkte op een vissersboot, vertelde hij me in het Engels – naast het Kiribati de officiële taal. Als hij geen dienst had, speelde hij volleybal op het veld naast zijn huis of ving hij een vis in de zee. Hoewel we in cultureel en sociaaleconomisch opzicht niet verder van elkaar af konden staan, klopte alles als we samen waren. Ik was ontzettend verliefd. Toen het afscheid naderde, beloofde ik hem dat we elkaar zo snel mogelijk weer zouden zien.

Dat weerzien zou plaatsvinden op 7 maart 2020. We hadden via Facebook afgesproken dat Taubu drie weken zou blijven. Ik dacht niet na over een toekomst, ik wilde hem gewoon bij me hebben, daarna zouden we wel verder zien. Taubu zei dat hij het spannend vond om de halve wereld over te reizen, maar hij wilde niet riskeren dat we elkaar nooit meer zouden zien, dus stapte hij het vliegtuig in.

Op het moment dat we de reis planden, was een nog mysterieus virus uit China zojuist overgestoken naar Europa. Wij maakten ons geen zorgen, ook niet toen een week voor zijn komst het eerste coronageval in Nederland werd geconstateerd. Ook vrienden en familie zagen geen gevaar in de overtocht van Taubu.

‘There are so many people here’

‘Waar is de zon?’ In mijn herinnering was Taubu de zelfverzekerde man van het eiland, maar hier, in de aankomsthal van Schiphol, kijkt hij mij nu onwennig aan. ‘There are so many people here.’ Taubu is net geland en hij heeft het koud. Ik geef hem snel de trui die ik voor hem heb meegenomen. In de trein kijkt hij naar de voorbijrijdende auto’s op de snelweg naast het spoor. Ik besef dat hij nog nooit een auto sneller dan 40 kilometer per uur heeft zien rijden. Er is één weg op zijn eiland, en daar rijden de auto’s stapvoets. Zijn verbazing ontroert me.

In de dagen nadat Taubu is geland, ontmoeten we vrienden en drinken we espresso’s in koffietentjes. Ik vind het bijzonder dat hij kennismaakt met mijn wereld, ik geniet van het samenzijn. Hij vindt het fantastisch dat hij in de kou wolkjes met zijn adem kan blazen, en verwondert zich over de bomen die in dit seizoen nog geen blaadjes aan hun takken hebben. ‘Waarom zijn alle bomen dood?’, vraagt hij. Als Taubu een zwaan in het park ziet, stelt hij in alle ernst voor hem te vangen en te grillen op de barbecue. Ik schiet in de lach en zeg dat wij ons eten kopen in de supermarkt. ‘Jullie staan veel te ver af van de natuur’, constateert hij.

null Beeld Sanne De Wilde
Beeld Sanne De Wilde

Ondertussen domineren oplopende covid-besmettingen het nieuws, en al heel snel gaat het gesprek met anderen alleen nog maar over corona. Op donderdag 12 maart, Taubu is dan krap een week in Nederland, is de eerste persconferentie. Taubu zit naast me. Ik vertaal. ‘Bruno Bruins, dat linker mannetje, zegt dat we thuis moeten gaan werken. Hij zegt ook: ‘Reis niet naar het buitenland.’ Ik ben blij dat Taubu net op tijd kwam. Een week later, en hij was waarschijnlijk Nederland niet meer in gekomen.

Maar die zondag is er weer een persconferentie, waarin wordt aangekondigd dat de scholen dichtgaan en de horeca diezelfde avond nog moet sluiten. De volgende ochtend heeft Taubu een mail ontvangen van Singapore Airlines. Zijn ticket is geannuleerd. Per direct worden de komende twee maanden alle vluchten vanuit Nederland geschrapt, lees ik op zijn telefoon. We bellen de vliegtuigmaatschappij, maar we komen niet door de wachtrij heen. Online probeer ik een nieuwe route naar Kiribati te vinden, maar dit blijkt onmogelijk. Alle landen waar Taubu doorheen zou moeten laten geen buitenlandse reizigers meer toe. Het gevoel van blijdschap dat ik had tijdens de persconferentie, slaat nu om in paniek.

Ik bel de IND (Immigratie- en Naturalisatiedienst, red.) om te vragen wat we moeten doen. De vrouw die ik te spreken krijg, zegt dat als Taubu langer dan drie maanden in Nederland blijft, zijn status automatisch omgezet wordt in ‘illegaal’ en hij in de toekomst een inreisverbod riskeert. Maar als hij kan aantonen dat hij vanwege corona niet in staat is naar huis te gaan, zegt ze, dan is de IND coulant en zien ze het door de vingers. Wel is het belangrijk dat we bewijs verzamelen dat hij niet naar huis kan, zoals geannuleerde tickets. Ik print de mail van de luchtvaartmaatschappij en stop de papieren voor hem in een mapje.

’s Ochtends videobelt Taubu met zijn familie om te vertellen dat hij niet naar huis komt. Ook waarschuwt hij hen voor corona. Hij draait de telefoon naar de kraan en wast zijn handen: ‘Was je handen!’, roept hij door de telefoon. Hij zwaait. ‘Zeg alleen hallo, schud geen hand!’ Zijn moeder zwaait vrolijk terug. Ik kijk naar het scherm en zie de wuivende palmbomen achter haar. Het waait.

Net als de rest van Nederland gaan Taubu en ik in lockdown. Bang ben ik niet; de afgelopen week was fantastisch, en ik weet zeker dat het vliegverkeer binnenkort weer op gang komt.

In de keuken merk ik al snel op dat mijn theedoeken zijn getransformeerd tot vieze, natte doeken met aangekoekte etensresten. Een paar dagen lang ruim ik ze gedachteloos op of maak ik ze schoon. Maar dan ontdek ik de oorzaak: Taubu neemt met theedoeken niet alleen de muren af, hij veegt er ook de vetresten mee uit de pan. In de tweede lockdownweek stap ik uit bed en ruik ik een frituurlucht: Taubu staat een stuk vis zwart te braden. Snel doe ik de afzuigkap aan maar het is al te laat, het brandalarm gaat af, en niet alleen in mijn huis, ook in de gemeenschappelijke hal. Taubu vraagt me waar dat vreselijke geluid vandaan komt.

Toen Taubu net in Nederland was had ik vrij genomen, maar na drie weken moet ik weer werken – thuiswerken. In de middagen zit ik achter mijn laptop en hangt Taubu op de bank. Regelmatig wordt een Zoomvergadering met collega’s verstoord omdat er opeens een vrolijk eilandmuziekje uit Taubu’s telefoon komt.

null Beeld Sanne De Wilde
Beeld Sanne De Wilde

’s Avonds laat rinkelt zijn telefoon steevast: familie uit Kiribati, waar de dag net is begonnen. De connectie is vaak slecht, dus het telefoontje gaat altijd gepaard met een hoop lawaai. Ik gun hem het contact met zijn familie. Maar het irriteert me ook: ik moet de volgende ochtend vroeg op, hij kan uitslapen. Als ik ’s nachts wakker lig, besef ik dat de goede moed die ik aan het begin van de lockdown had, voortkwam uit naïviteit.

Voor Taubu begint het leven in mijn kleine appartement ook te benauwen, merk ik. ‘Ik hou dit niet vol Sanne’, zegt hij, ‘I can’t move in here.’ Ik denk terug aan zijn huis op het eiland: palmboom naast de deur, een fris briesje, en besef dat dit een onmogelijke opgave voor hem moet zijn.

Op 4 juni klap ik mijn laptop open en zie ik in de agenda staan: Taubu negentig dagen in Nederland. Vanaf vandaag is hij een ongedocumenteerde, een illegaal dus. Ik kijk voor de zoveelste keer op de website van Singapore Airlines, op zoek naar een vlucht. Tot mijn grote opluchting vliegen ze weer, dus Taubu kan het land uit. Maar ik ben verbijsterd als ik de overheidswebsite van Kiribati open: ‘Onze grens blijft tot nader order gesloten’, lees ik, ‘ook voor Kiribatiërs die niet in het land zijn.’

Ik google ‘embassy Kiribati Europe’, en zie dat die er niet is. Via de overheidswebsite van Kiribati ontdek ik dat er een Kiribatische ‘representative’ genaamd Michael Walsh in Londen zit. Deze man blijkt geen ambassadeur, noch ambtenaar, maar slechts een adviseur. Hij weet me te vertellen dat repatriëring voorlopig niet in de planning staat.

null Beeld Sanne De Wilde
Beeld Sanne De Wilde

Op de vraag of er meer Kiribatiërs vastzitten in Europa zegt hij: ‘Eén vrouw, in Portugal, maar die wacht het rustig af,’ en dat raadt hij ons ook aan. Ik vraag me af of die vrouw ook met een nieuwe liefde een klein appartementje deelt.

Het is juli en de tijd van elkaar ontmoeten op anderhalve meter breekt aan. De regels zijn dan wel versoepeld, het geforceerd samenwonen heeft zijn tol geëist. Het komt steeds vaker voor dat we een minuut voordat we onze vrienden begroeten nog aan het kibbelen zijn en daarna maar doen alsof alles oké is. Als we op een dag naar het park lopen om een mannelijke collega te ontmoeten, zeg ik: ‘Weet je, ik hou van hem hoor, maar soms doet hij zo moeilijk.’ Taubu schiet uit zijn slof. ‘Je houdt van hem? Jullie hadden een relatie hè?’, zegt hij. Opeens besluit hij dat hij geen behoefte heeft om mijn ‘ex- vriend’ te ontmoeten en liever naar huis gaat. Zo gaat het vaker: ik doe of zeg iets wat voor mij vanzelfsprekend is maar voor hem onbegrijpelijk, hij wordt boos, ik word boos. Het eindigt steevast met Taubu die schreeuwend wegloopt. Na een paar uur komt hij weer terug en dan spreken we af het weer te proberen, er is immers geen alternatief.

Ook voor de buitenwereld zijn wij een ingewikkelde kwestie. Veel mensen vinden het moeilijk zich in onze situatie te verplaatsen. ‘Hij zal hier nooit kunnen aarden’, is de algemene tendens. Als ik bij een vriendin op bezoek ben en haar vertel hoe lastig de lockdownweken samen waren, zegt ze: ‘Zet hem gewoon af bij Schiphol, dan ben je van hem af.’ Dat mensen zo hard over ons oordelen vind ik lastig. Ik heb het gevoel dat de liefde goed zit, maar de situatie onze relatie onmogelijk maakt.

In augustus komt er een doorbraak. Via een vriendin van Taubu horen we dat Kiribati bezig is met een repatriëringsvlucht. We bellen weer de adviseur uit Londen. Die zegt dat Taubu zo snel mogelijk naar buurland Fiji moet gaan en vanuit daar zijn repatriëring moet afwachten.

Het blijkt een deceptie, want aan de reis zijn een verplichte quarantaine in Fiji en enorme kosten verbonden. Ook onzeker is of Taubu vanuit Fiji daadwerkelijk terug naar huis kan. De Kiribatische overheid kan niet duidelijk maken wanneer de repatriëring gaat plaatsvinden en wat de kosten zullen zijn. We hebben het gevoel dat Taubu van de ene uitzichtloze situatie in de andere zal belanden en besluiten van de Fiji-route af te zien.

Taubu’s geld raakt op, en het duurt niet lang voordat ik alles voor ons beiden betaal. Dit verstoort onze verhouding enorm, want als kostwinner bepaal ik opeens wat we in huis halen. Helaas beginnen de problemen zich thuis ook op te stapelen. Taubu onderhield met zijn baan in de visserij zijn hele familie en heeft nu geen inkomen meer. Ik wil graag helpen, maar na een simpele rekensom wordt duidelijk dat we mijn inkomen hard nodig hebben voor ons tweeën.

Met de IND heb ik intussen een ritueel ontwikkeld. Als ik bel krijg ik altijd iemand aan de telefoon die niet weet waar Kiribati ligt. Vervolgens is de boodschap: ‘Hij heeft geen Nederlands paspoort dus wij zijn niet verantwoordelijk voor hem.’ Maar Kiribati laat hem bungelen, zeg ik. ‘Kunnen jullie hem geen werkvisum of desnoods een uitkering voor een paar maanden geven?’ Nee. Wat als ik niet voor Taubu zorg? ‘Dan belandt hij op straat’, is het antwoord. Dit maakt me boos. Het is niet zijn schuld dat hij hier vastzit, hij wil zelfs naar huis! Waarom helpen jullie hem niet?

‘It is what it is’

Het is augustus, Taubu is inmiddels zes maanden in Nederland, en we bespreken in een koffietentje hoe we de komende tijd gaan aanpakken. ‘It is what it is’, zegt Taubu. Ik weet niet hoe vaak ik hem deze woorden heb horen zeggen. Terwijl ik bij elke tegenslag de tranen laat vloeien en direct op zoek ga naar een oplossing, haalt Taubu zijn schouders op en gaat vervolgens, soms neuriënd, over tot de orde van de dag. Beseft hij wel dat we een gigantisch probleem hebben? Hij kijkt me boos aan. ‘In Kiribati hebben we een gigantisch probleem! De zee slokt ons langzaam op, maar we zijn zo arm dat we er niets aan kunnen doen, dus accepteren we het. En nu accepteer ik dit ook, want ik kan toch niet naar huis.’

Ik snap het, maar stel daartegenover dat we in Nederland wél de luxe hebben om dingen naar onze hand te zetten. ‘Je moet een leven in Nederland gaan opbouwen.’

Daar is Taubu het mee eens. Hij meldt zich aan bij de volleybalvereniging, en via een vriendin kan hij terecht bij een stadsmoestuin. Ook heeft hij een nieuwe hobby ontwikkeld, die appelleert aan zijn inner Kiribati, zoals hij het zelf noemt. Hele dagen zit hij aan het water te vissen, met een zelfgemaakte hengel. Op een dag heeft hij beet. Ik zit naast hem en zie hoe hij de kop van het spetterende beestje afbijt, en daarna met een mesje de vis vakkundig fileert. In de loop van de week komt hij steeds vaker met een vis thuis, en ik besef dat hij niet zomaar van deze nieuwe hobby afstapt. You need a vispas, vertel ik hem. ‘Een wat?’, antwoordt Taubu. Laat maar, zeg ik, ik vraag de pas aan en koop een hengel voor hem.

De gesprekken met zijn familie maken hem soms toch van slag. Een keer zegt hij na een videogesprek: ‘Ze willen weten waarom we nog geen gezin hebben. Of je al zwanger bent enzo. Mijn zus zei dat ik de laatste in de familie ben die nog geen kind heeft. Ik heb ze wel uitgelegd dat dat allemaal niet kan, maar ja.’ Het valt me op dat hoe langer Taubu verwijderd is van zijn familie, hoe verder ze van hem af komen te staan. Zijn familie is arm en de meesten maakten hun school niet af. Ik ben er vrij zeker van dat zijn ouders niet weten waar Nederland ligt. Eigenlijk weten ze helemaal niets van onze situatie en hoe Taubu zijn dagen invult.

Ik kan me niet voorstellen hoe het voor hem moet zijn: enerzijds raakt hij vervreemd van zijn familie, zijn thuis, anderzijds heeft hij geen enkele legale grond om in zijn nieuwe land, Nederland, een bestaan op te bouwen. Waar is zijn thuis?

‘Bij jou!’, zegt Taubu als ik hem ernaar vraag. Ik ben hier nu al zo lang, en jij bent de enige die me helpt, ik wil bij jou blijven. Het ontroert me dat hij dat zegt, maar het maakt me ook onrustig, want ben ik nog wel verliefd? Durf ik mijzelf die vraag nog te stellen?

Op slechte dagen, als we weer ruzie hebben gemaakt en Taubu boos de deur achter zich heeft dichtgeslagen, check ik de website van de Kiribatische overheid, op zoek naar een teken van leven, en denk ik: hij moet weg. Het verschil is te groot, de situatie te uitdagend. We zullen elkaar nooit werkelijk begrijpen.

Maar op goede dagen, als we het voor elkaar krijgen om onze cultuurverschillen te overbruggen, voel ik me de meest trotse en liefdevolle persoon op aarde. Taubu heeft zo’n groot incasseringsvermogen, hij is ondanks de barre omstandigheden bijna altijd vrolijk. Niemand helpt ons, maar niemand maakt ons ook wat, denk ik.

null Beeld Sanne De Wilde
Beeld Sanne De Wilde

Op 7 maart is Taubu precies een jaar in Nederland. Mezelf verkneukelend zit ik op de fiets, want in mijn tas heb ik een heel duur stuk tonijn zitten. Als verrassing voor ons ‘jubileum’. Afkomst: de Stille Zuidzee. Als Taubu iets mist, is het verse tonijn. Als ik ’s avonds de vis uit de koelkast wil pakken, is de tonijn nergens te vinden. Ik vind het stukje in de vriezer, nu getransformeerd tot een blok ijs. Taubu komt binnen en zegt nonchalant: ‘O ja, je had vis gekocht zag ik, heb het in de vriezer gelegd.’ Taubu! Ik loop hem achterna. ‘Die vis, dat is tonijn uit Kiribati, die heb ik voor jou gekocht!’ Zijn ogen lichten op. ‘Wat?’, zegt hij. ‘Tuna from Kiribati?’ Taubu bereidt een typisch Kiribatisch gerecht: rijst met rauwe tonijn en kokosmelk. Mmmm, zeg ik, om hem te steunen, want ik vind er zelf niets aan. Taubu pakt dan mijn hand, de tranen staan hem in de ogen. Thank you Sanne. Dit is het aardigste wat iemand ooit voor me gedaan heeft.’

Taubu is ondanks zijn illegale status, en ondanks de coronapandemie gewend geraakt aan het leven hier. Hij heeft echte vrienden gemaakt en is begonnen met Nederlandse les. De Nederlandse directheid vindt hij lastig, maar meestal geniet hij van zijn nieuwe woonplaats en zijn nieuwe vrienden van de volleybalvereniging en de stadsmoestuin.

Soms lijkt ons samenzijn zo normaal dat ik denk: het is net echt. Bijvoorbeeld als Taubu ’s avonds zijn wekker zet omdat hij ’s ochtends vroeg naar de stadsmoestuin gaat. Of als ik hem een lijstje app voor de Albert Heijn. Als we bij de overburen gaan eten. Soms praten we zelfs over de toekomst. Maar we weten allebei dat het leven dat we samen leiden een keer tot een abrupt einde komt.

Op 2 april krijg ik een mail van de Kiribatische overheid: een vaccinatieprogramma staat het komende jaar nog niet gepland, en tot die tijd zal de grens gesloten blijven. Het ziet ernaar uit dat we nóg een jaar op deze manier verder moeten.

Bel maar niet meer

De IND heeft ons gezegd dat we niet meer hoeven te bellen, ze kunnen toch niets doen. Met de politie heb ik afgesproken dat er bij Taubu’s naam een aantekening komt dat hij niet naar huis kan vanwege covid. Laatst werd Taubu gecontroleerd bij het vissen. De politieman scande zijn paspoort, pleegde een belletje en besprak wat met zijn collega, waarna hij het paspoort teruggaf en zei: have a nice day. Ze laten hem in ieder geval met rust.

Vaak hebben we het over wat er wél gelukt is dit jaar. Onze liefde is opgebloeid. Omdat we in korte tijd zoveel hebben meegemaakt, en genoodzaakt waren om in een versnelling culturele ongemakken te overbruggen, weten we nu precies hoe we met elkaar moeten omgaan, en vooral wanneer we elkaar juist met rust moeten laten. Eigenlijk is nu niets zeker, behalve onze liefde. We voelen daardoor een enorme verbintenis met elkaar. Ooit zal de wereld weer normaal worden en dan kan Taubu terug naar Kiribati. Maar dan zal ik hem niet afzetten op Schiphol, dan ga ik met hem mee.

Covid-vrij Kiribati

De republiek Kiribati bestaat uit 33 laag liggende eilanden en wordt ernstig bedreigd door de stijgende zeespiegel. Met haar dik 117.000 inwoners hoort Kiribati bij de laatste veertien landen die covid-vrij zijn. Elf landen uit dit rijtje liggen in de Grote Oceaan, en weten het virus buiten de deur te houden door zich volledig van de buitenwereld af te sluiten. Kiribatische burgers die zich niet in Kiribati bevonden op het moment dat de overheid haar grenzen sloot op 26 maart 2020 krijgen geen toestemming om naar huis te reizen, met uitzondering van twee repatriëringen die de Kiribatische overheid uitvoerde in 2020, één vanuit de Marshalleilanden, en één vanuit Fiji. Er zitten naar schatting ruim 300 Kiribatische burgers vast in Noord- en Zuid-Amerika. Veel van hen zijn werkzaam in de visserij of werken op een containerschip. De Kiribatische vrouw die vastzat in Portugal is eind 2020 naar Fiji gereisd en wacht daar nog steeds op haar repatriëring. Op het moment dat dit artikel geschreven werd, was de officiële status van de Kiribatische overheid dat de grens tot nader order gesloten blijft. Er staat geen nieuwe repatriëring in de planning.