Reactionaire wending in emancipatiedebat

Paul Berman vindt het vreemd dat journalisten als Ian Buruma zo veel sympathie hebben voor de islamitische filosoof Tariq Ramadan – die het moeilijk vindt het stenigen van overspelige vrouwen te veroordelen – en zo woedend uitvaren tegen Ayaan Hirsi Ali – die het islamitische geweld tegen vrouwen uit eigen...

Tariq Ramadan is een charismatische islamitische filosoof die de afgelopen vijftien jaar in Europese moslimkringen aan populariteit en invloed heeft gewonnen. Hij vond zelfs erkenning in de hoogste regionen van de Amerikaanse journalistiek: een uitgebreid profiel in The New York Times Magazine (4 februari). Het liet zijn profiel schetsen door Ian Buruma.

Over de relatie tussen de seksen zegt Ramadan: ‘Mannen en vrouwen zijn niet hetzelfde. In de islamitische traditie worden vrouwen gezien als moeders, echtgenotes of dochters. Dan bestaat de vrouw als vrouw.’ Ramadan wekt met die uitspraak de indruk een traditionalist te zijn, en dat is hij stellig ook. Maar met de term ‘islamitische traditie’ doelt hij niet op een volksgebruik, maar op de islamitische wet: een zaak van het geloof. En omdat de religieuze wet gestoeld is op het eeuwige, mag Ramadan zijn opvattingen best in hedendaagse termen verwoorden. En dus beschouwt hij zichzelf als een feminist. Beter nog: als een ‘islamitische feminist’.

De islam, in ieder geval zijn eigen islam, eist dat vrouwen een hoofddoek of sluier dragen, en dat moet als bevorderlijk voor de autonomie van vrouwen worden gezien. De hoofddoeken en sluiers, de aparte ingangen en zitplaatsen, het algehele verbod op vrije omgang tussen de seksen houden een geest van seksuele kuisheid levend die vrouwen vrijwaart van de druk van mannelijke bedoelingen. Kuisheid is, zo bezien, bevrijding. En Ramadans pleidooi voor de rechten van vrouwen maakt uiteindelijk deel uit van een veel grootschaliger strijd: de strijd voor de individuele vrijheid, voor religieuze rechten.

Zijn standpunt over het Franse verbod op het dragen van een hoofddoek op scholen was geheel in overeenstemming met deze redenering. ‘Rechten zijn rechten’, zei hij tegen Buruma. ‘En het is een recht om ze op te eisen.’ Wat Ramadan betreft, is zo’n soort redenering volledig consistent. Maar het is vreemd om journalisten hetzelfde standpunt te zien innemen en hetzelfde taalgebruik te zien hanteren. In Times Magazine presenteert Buruma Ramadan als een man die ‘het recht van moslima’s verdedigde om op Franse scholen de sluier te mogen dragen’. Deze omschrijving zou van Ramadan zelf afkomstig kunnen zijn.

Als lezer zou je bijna denken dat er in het Franse debat over het verbod op de hoofddoek geen andere manieren zijn geweest om de kwestie aan de orde te stellen. Er was echter een serieus argument voor dat verbod, dat de overweldigende publieke steun voor de wet zou kunnen verklaren. De kwestie die oprecht respect afdwong, was dat vrouwen gelijkwaardig onderwijs en een gelijkwaardige gezondheidszorg moeten hebben, en dat dit de absolute basisvoorwaarden zijn voor iedere verwezenlijking van vrouwenrechten.

Naarmate de islamistische beweging in Frankrijk groeide, weigerden steeds meer moslimmeisjes mee te doen aan de gymles vanwege de onkuise kleding die ze daarvoor moesten dragen; ze weigerden alleen te zijn met mannelijke leerkrachten en wilden zich niet laten onderzoeken door mannelijke artsen. Maar veel van die moslimmeisjes voelden er helemaal niets voor om hun kansen op onderwijs en zorg vanuit preutse overwegingen tot een minimum te zien afnemen. Hun weigering om gymlessen te volgen en aan andere activiteiten deel te nemen, had maar één reden: er werd druk op hen uitgeoefend, soms door hun familie en soms door de moslimgemeenschap als geheel. Die druk eiste conformering aan de islamitische voorschriften, niet de voorschriften die al bestonden in de tradities van moslimimmigranten, maar de voorschriften van de nieuwe islamisten.

De hoofddoek was een instrument van islamistische dwang, dat garandeerde dat iedere moslima die het waagde om de verkeerde deur binnen te gaan of in het verkeerde klaslokaal plaats te nemen, onmiddellijk zichtbaar zou zijn voor iedereen die dat eventueel afkeurde. De vraag was of moslima’s het recht hadden om geen hoofddoek te dragen. Het doel van de wet tegen het op school dragen van de hoofddoek was om de scholen tot een domein te maken dat zich onttrok aan de islamistische controle, niet vanuit een of andere ideologische gril, maar om voor vrouwen alle rechten en vrijheden te waarborgen en af te dwingen.

Het grote punt met betrekking tot moslimvrouwen is de kwestie van geweld en wangedrag – het geweld van mannen tegenover hun vrouwen; de groepsverkrachtingen in de Franse voorsteden (die tot de oprichting hebben geleid van de moslim-feministische beweging Ni Putes Ni Soumises (‘geen hoer, maar ook niet onderworpen’) – een organisatie die in de ogen van Ramadan als vijandig tegenover moslimimmigranten moet worden aangemerkt; de genitale verminking van moslimvrouwen waarvan naar verluidt alleen al in Frankrijk dertigduizend vrouwen slachtoffer zijn geworden; en de eerwraak op vrouwen door hun vaders of broers vanwege een of andere schending van de seksuele code.

Ook in deze kwestie heeft Ramadan een opmerkelijk standpunt ingenomen. Zijn opvatting kwam naar buiten tijdens een debat in 2003 tussen hem en Nicolas Sarkozy (toen nog minister van Binnenlandse Zaken) in het Franse tv-programma Cent minutes pour convaincre (‘Honderd minuten om te overtuigen’). Sarkozy stelde de vraag aan de orde wat de juiste straf was voor vrouwen die overspel pleegden. Hani Ramadan, de oudere broer van Tariq, had zich uitgesproken voor steniging van deze vrouwen. Dat was de wet van de 7de eeuw, en Hani Ramadan had zich daarachter geschaard. Maar wat vond Tariq, vroeg Sarkosy? Ramadan antwoordde, in de weergave van Buruma, ‘dat hij voorstander was van een moratorium’. Hier volgt een letterlijke weergave van een fragment van het debat:

Sarkozy: ‘Een moratorium? Dat wil zeggen dat we er maar een tijdje van af moeten zien om vrouwen te stenigen?’

Ramadan: ‘Nee, nee, wacht even* Een moratorium zou inhouden dat we het toepassen van al die straffen opschorten om tot een werkelijk debat te komen. En ik denk dat er per definitie een eind aan komt als we onder moslims tot een consensus komen. (*) Waar het om gaat is dat er een evolutie in het denken van moslims moet worden bewerkstelligd.’

Sarkozy: ‘Maar meneer Ramadan*’

Ramadan: ‘Laat u mij even uitpraten.’

Sarkozy: ‘Eén punt slechts. Ik begrijp u, maar die moslims zijn mensen die in 2003 in Frankrijk leven, aangezien we het hier over de Franse samenleving hebben, en u hebt zojuist een buitengewoon ongelooflijke uitspraak gedaan, namelijk dat het stenigen van vrouwen wel een beetje erg is, maar dat we gewoon een moratorium moeten afkondigen en dat we er dan over gaan nadenken om te bekijken of het goed is* Dat is onmenselijk – een vrouw stenigen omdat ze overspelig is! Dat moet scherp worden veroordeeld!’

Ramadan: ‘Meneer Sarkozy, luister goed naar wat ik zeg. Mijn eigen opvatting is dat die wet niet toepasbaar is – dat is duidelijk. Maar ik spreek vandaag de dag met moslims overal in de wereld en ik participeer, zelfs in de Verenigde Staten, in de moslimwereld* Je hebt een pedagogische insteek nodig die mensen ertoe aanzet om over dingen te discussiëren.’

Er keken ongeveer zes miljoen Fransen naar dat debat. Daarbij moet ook een groot aantal moslimimmigranten zijn geweest – precies de mensen die er mogelijk baat bij hadden gehad om iemand zich duidelijk tegen het vrouwengeweld te horen uitspreken. Ramadan kon het niet. De 7de eeuw had plotseling de kop opgestoken, dwars door de moderne retoriek van feminisme en rechten heen.

Buruma ging in zijn profielschets nog wel door op één ander aspect van Ramadans redenering, namelijk of men als ingewijde of als buitenstaander met moslims spreekt. Buruma nodigde zijn lezers uit om samen met hem een stukje over Brick Lane in het Londense East End te lopen – de oude en traditionele immigrantenwijk.

De huidige immigranten van Brick Lane komen uit Bangladesh en Pakistan. Te midden van deze kleurrijke en roerende taferelen vergeleek Buruma Ramadan met een andere moslimintellectueel. Namelijk met Ayaan Hirsi Ali – de Somalische die, na gruwelijke ervaringen in Afrika en Saoedi-Arabië, naar Nederland vluchtte en daar een nieuw leven begon van academische studie en liberaal activisme, die een film heeft gemaakt en boeken heeft geschreven met als titel, in één geval, Mijn vrijheid, en met als ondertitel, in een ander geval, ‘Een emancipatieproclamatie voor vrouwen en de islam’.

Volgens Buruma vertoont Ayaan Hirsi Ali in elk geval in één opzicht een sterke overeenkomst met Tariq Ramadan: ‘Het is ook haar opdracht om universele waarden te verbreiden. Ook zij spreekt over hervorming. Maar zij heeft haar geloof in de islam afgezworen. Zij noemt de islam achterlijk en pervers. Als gevolg daarvan heeft ze meer succes geoogst bij seculiere niet-moslims dan bij het soort mensen dat boodschappen doet op Brick Lane.’ Maar – bedoelde Buruma te zeggen – dat geldt niet voor Ramadan. Diens geloofwaardigheid is intact gebleven. Kortom, Ramadan heeft de juiste beslissing genomen door de praktijk van het stenigen van vrouwen niet te willen veroordelen. Zo heeft hij zijn geloofwaardigheid in buurten als Brick Lane in stand gehouden.

En jaar geleden publiceerde Buruma in The Times ook al een opiniestuk waarin hij kritiek uitte op Hirsi Ali, omdat zij het rechtse racisme tegen moslims zou aanwakkeren. En onlangs besprak hij Mijn vrijheid nog voor The New York Times (4 maart) en bestookte hij haar nogmaals met de suggestie dat haar gedrevenheid om het grote aantal gevallen van eerwraak overal ter wereld aan de kaak te stellen op één lijn diende te worden gesteld met het moslimfundamentalisme. Zijn uitvoerigste kritiek verscheen in Dood van een gezonde roker, zijn boek over de moord op filmer Theo van Gogh, die op straat vermoord werd en een mes in zijn borst gestoken kreeg waaraan een vel papier was bevestigd met een doodsbedreiging aan het adres van Hirsi Ali.

Dood van een gezonde roker staat vol met verwijten en beschuldigingen dat zij een fanate is, dat ze intellectuele argumenten hanteert die in essentie niet verschillen van die van de moordenaar van Theo van Gogh (‘twee fundamentalisten’), dat zij in haar strijd tegen de principes van de Moslim Broederschap dezelfde ijver aan de dag legt als de Moslim Broederschap zelf, dat zij de gevaren die haar bedreigen overdrijft enzovoort. Bladzijden die geschreven zijn in een onmiskenbare vlaag van woede, die niet lijkt te passen bij Buruma’s gewoonlijk flegmatieke optreden.

Waarom heeft Buruma dit gedaan, en zo uitvoerig en bij herhaling? Zijn voornaamste klacht lijkt belachelijk futiel. Hij merkt op dat ze door haar voltairiaanse beledigingen aan het adres van de islam iedere kans die ze mogelijk had gehad om zich geliefd te maken bij mensen in buurten als Brick Lane heeft verspeeld. Is dat zo? In Nederland heeft de schrijfster Margriet de Moor met klem betoogd dat Hirsi Ali juist veel invloed heeft gehad op moslimvrouwen: ‘Stiekem verslonden ze met rode oortjes alles wat ze zei.’

Hirsi Ali wijdt zich voornamelijk aan het beschrijven en veroordelen van de ellende die vrouwen wordt aangedaan in het deel van de moslimwereld dat zij het beste kent – in Oost-Afrika en Saoedi-Arabië, en in de immigrantengebieden van Europa. Zij heeft verslag gedaan van haar eigen genitale verminking als klein meisje, van de meisjesjaren en het huwelijk in Somalië, Kenia en Ethiopië, van haar eigen gedwongen huwelijk, waaruit ze wegvluchtte, van de Blijf-van-mijn-lijf-huizen voor mishandelde moslimvrouwen in Nederland. Haar verhaal staat in het teken van messen – het mes van haar eigen besnijdenis en die van haar zus; het mes van de moord op haar vriend en collega, waar het papier met de doodsbedreiging aan haar eigen adres aan vastzat. Dit is geen Zwitserse hoogleraar! Dit is de echte insider. Dit is de bittere werkelijkheid. Van Hirsi Ali hoeven we ons niet af te vragen wat haar mening is over het doodstenigen van vrouwen.

De campagne tegen Hirsi Ali vertegenwoordigt wel iets nieuws. Een aanhoudende aanval op een authentieke liberale dissidente die haar stem verheft tegen onrechtvaardigheid in afgelegen delen van de wereld én in de achterstandswijken van West-Europa, een aanhoudende aanval die het noemen van het woord vrouwenonderdrukking en de strijd voor vrouwenrechten bijna uit de discussie lijkt te hebben gewist. Dit zou vroeger niet hebben kunnen gebeuren, behalve dan bij extreem-rechts. Dit is een reactionaire ommezwaai in de intellectuele wereld.

Die reactionaire ommezwaai heeft echter een reactie opgeroepen. Er is een redelijk grootschalige controverse over de journalistiek van Buruma losgebarsten in Europa. De aanzet daartoe werd gegeven door Pascal Bruckner. Hij schonk daarbij ook aandacht aan de bijdrage die Timothy Garton Ash aan deze campagne leverde in The New York Review of Books. Buruma en Garton Ash, stelt Bruckner vast, zijn ten prooi gevallen aan de intellectuele uitwasemingen van de postmoderne gevoeligheid die, via de vergissingen van het relativisme en een kritiekloos multiculturalisme, tot de simpelste aller filosofische missers leidde: het onvermogen ook maar de meest elementaire scheidslijnen te trekken.

In de postmoderne opvatting is de Verlichting slechts een reeks culturele vooroordelen die niet beter en hoogst waarschijnlijk slechter zijn dan andere culturele vooroordelen. Zo bezien heeft iemand als Hirsi Ali – die is opgegroeid in een sfeer van islamitisch radicalisme in Afrika en die een nieuwe kijk op rationalisme en individuele vrijheid heeft ontwikkeld – slechts het ene fundamentalisme ingeruild voor het andere. Maar dat betekent dat degenen die kritiek hebben op Hirsi Ali het vermogen zijn kwijtgeraakt om onderscheid te maken tussen een fanatieke moordenaar en iemand die een rationeel debat voert. Dit is in de woorden van Bruckner ‘het racisme van de antiracisten’. Het is het racisme dat iemand uit Afrika het recht wil ontzeggen om hetzelfde analytische Verlichtingsinstrumentarium te gebruiken dat de Europeanen ten dienste staat. ‘Het is verbijsterend’, schrijft Bruckner, ‘dat 62 jaar na de val van het Derde Rijk en 16 jaar na de val van de Berlijnse Muur, een belangrijk deel van de Europese intelligentsia bezig is de vrienden van de democratie zwart te maken.’

Garton Ash reageerde in The Guardian. Hij was onlangs een tijdje in Egypte geweest, en hij wilde graag uitleggen dat andere dissidenten en intellectuelen in de moslimwereld oneindig ver boven de voltairiaanse feministen te verkiezen waren. Hij kwam zelfs met een eersterangs voorbeeld op de proppen. Het bleek Tariq Ramadans 86-jarige oudoom Gamal al-Banna te zijn. Garton Ash beschreef het appartement van al-Banna. Hij was onder de indruk van de vele religieuze teksten die de ruimte vulden. Garton Ash haalde een van Hirsi Ali’s kritische commentaren over de islam aan, citeerde daarnaast een uitspraak van sjeik Al-Banna, en vroeg vervolgens aan de lezer: ‘Wie geeft volgens u blijk van een diepere historische kennis van de islam? Wie zal de oplettende moslims eerder sterken in het inzicht dat zij zowel goede moslims als goede burgers van een vrije samenleving kunnen zijn?’ (Zie ook Forum, 20 maart.)

Garton Ash lijkt het idee te hebben gehad de pretenties van Hirsi Ali eindelijk te hebben ontmaskerd. Maar helaas! Op dezelfde dag dat de welwillende vergelijking van Garton Ash tussen Gamal al-Banna en Ayaan Hirsi Ali in The Guardian stond, kwam het Middle East Media Research Institute met een eigen rapport over Gamal al-Banna, dat hem in een heel wat minder gunstig daglicht plaatste. Dat kwam voornamelijk door de lof die de sjeik had voor de plegers van de aanslagen van 11 september en hun ‘uitzonderlijk moedige’ daad, die ‘gruwelijk en schitterend’ was, gericht tegen het ‘barbaarse kapitalisme’ van de Verenigde Staten. Sjeik Al-Banna gaf ook nog enkele gedachten ten beste ter ondersteuning van het zelfmoordterrorisme onder de Pales-tijnen. Het is bijna griezelig te zien hoe vaak de critici van Hirsi Ali en de verdedigers van Tariq Ramadan in het domein van de grote theoretici van het zelfmoordterrorisme zijn terechtgekomen.

Buruma vermocht niet eens in te zien waarom iemand zou kunnen denken dat hij een campagne had gelanceerd tegen de bekendste voorvechter van vrouwenrechten die Afrika ooit heeft voortgebracht. Hij schreef: ‘Ik bewonder Hirsi Ali, en ik ben het eens met het meeste van waar ze voor staat.’ Allicht. Dat is precies wat hij over Ramadan zei: `We waren het over de meeste kwesties eens.’

Volgens Bruckner ‘ontbreekt het de huidige hoeders van het geweten het meest aan een cultuur van moed’. Dit soort opmerkingen valt bij Buruma niet in de smaak. Het woord ‘moed’ wekt bij hem associaties met het fascisme: ‘Waar hebben we dat ook alweer eerder gehoord? De noodzaak om Europa te verdedigen tegen vreemde dreigingen; de vermoeide, aan zichzelf twijfelende intellectuelen met slappe knieën*’ Buruma wilde zijn lezers de fascistische retoriek van het Europa van zeventig jaar geleden laten herkennen.

Toch lijkt hem iets te zijn ontgaan. Het ergste wat Hirsi Ali, te oordelen naar Dood van een gezonde roker, heeft gedaan, was op de televisie in discussie gaan met vrouwen in een Blijf-van-mijn-lijf-huis in Amsterdam, waaruit Hirsi Ali als een snob naar voren kwam. Maar misschien loont het de moeite oog te hebben voor het afgrijselijke feit dat de meeste vrouwen die aan die discussie op tv deelnamen iets voor hun gezicht droegen, uit angst voor wat er met hen zou kunnen gebeuren; Hirsi Ali was zelf trouwens ook al snel gedwongen onder te duiken uit angst vermoord te worden.

Toen ik Hirsi Ali vorig jaar bij een conferentie in Zweden tegenkwam, werd ze door niet minder dan vijf lijfwachten omringd. En dat is allang niet meer ongewoon. Buruma meldt zelf dat de sociaal-democratische politicus Ahmed Aboutaleb ook permanent moet worden beveiligd. Ik was een paar dagen eerder aanwezig bij een andere conferentie in Italië en daar ontmoette ik de buitengewoon moedige Egyptisch-Italiaanse journalist Magdi Allam, die in de Corriera della Sera vernietigende kritieken schrijft over de nieuwe golf van totalitarisme – en ik kwam tot de ontdekking dat ook hij met vijf lijfwachten rondtrekt. De Italiaanse journaliste Fiamma Nierenstein werd, vanwege haar sympathieën voor Israël, vergezeld door haar eigen lijfwachten. Caroline Fourest, schrijfster van een uiterst belangrijke kritiek op Ramadan (zie ook het Betoog, 27 januari), had een tijdlang politiebescherming nodig. De Franse filosoof Robert Redeker heeft moeten onderduiken. Ik heb geen idee welke veiligheidsmaatregelen Flemming Rose heeft getroffen, de redacteur van de Deense krant Jyllands Posten, die de cartoons over Mohammed publiceerde. En Van Gogh*

Salman Rushdie is dus uitgezaaid in een complete sociale klasse, een deelverzameling van de Europese intelligentsia – met name de moslimvleugel daarvan – die slechts in leven blijft dankzij lijfwachten. Dat is in West-Europa de laatste zestig jaar niet meer voorgekomen. En toch, als iemand als Pascal Bruckner een paar woorden over de noodzaak tot moed onder deze omstandigheden mompelt, barst de hoon los – ‘Waar hebben we dat ook alweer eerder gehoord?’ – en volgt de litanie over het fascisme.

Ook dat is iets nieuws.

Achttien jaar geleden – toen Rushdie werd bedreigd, een van zijn vertalers werd vermoord, een andere werd neergestoken, een tweetal Noorse boekhandels werd getroffen door bomaanslagen en een Brits hotel werd bestookt door een zelfmoordterrorist, en wereldwijd ruim vijftig mensen de dood vonden bij anti-Rushdie-rellen – sprong een flink aantal intellectuelen in de westerse landen intuïtief voor Rushdie in de bres. Wat zijn de tijden veranderd! De Rushdies van vandaag worden in de pers op een ongunstige manier vergeleken met de islamitische filosoof die inleidingen schrijft voor de verzamelde fatwa’s van sjeik Al-Qaradawi, de theoloog van de menselijke bom.

Hoe is dat zo gekomen? Hiervoor zijn twee ontwikkelingen verantwoordelijk. De eerste is de onvoorstelbare opkomst van de islam sinds de tijd van de fatwa tegen Rushdie. De tweede is het terrorisme.

Meer over