Racistische tendensen in de jazz

EEN HALVE eeuw geleden maakte het Nederlandse jazzorkest The Ramblers zich geliefd met Het Proces tegen Pietertje Swing; een op muziek gezet hoorspel over een jazzdrummer die van moord wordt verdacht....

Hoe onvoorstelbaar ver weg lijkt zulk onschuldig jazzvertier voor de arme lezer die verdiept raakt in Blue, the Murder of Jazz. In dit sombere boek presenteert de Amerikaanse jazzcriticus Eric Nisenson zijn analyse van de stand van zaken in de jazz, die veel wegheeft van 'Het Proces tegen Wynton Marsalis': een omstandige aanklacht tegen een muzikant die de auteur van niet minder dan moord verdenkt. Want dat de jazz in de Verenigde Staten op sterven na dood is, want verstard in een morbide fascinatie voor het eigen verleden, staat voor hem vast. En Marsalis wijst hij aan als hoofdverantwoordelijke.

Wéér die Marsalis? Of er al niet genoeg inkt is gevloeid in de polemieken pro en contra deze 36-jarige trompettist. Maar een boek was er nog niet, zal Nisenson hebben gedacht. En het moet gezegd: niet eerder is zo uitvoerig inzichtelijk gemaakt waarom Marsalis steeds weer controversen veroorzaakt. En misschien nog belangrijker: zelden ook is op zo'n redelijke toon de strijd met Marsalis' denkbeelden aangegaan.

De kern van Nisensons betoog is dat Marsalis de belichaming vormt van een al langer bestaande stroming in de zwarte cultuurkritiek, die swing en blues beschouwt als zodanig essentiële (want direct aan de zwarte ervaring ontsproten) jazzkenmerken, dat witte jazzmuzikanten als vanzelf op het tweede plan belanden.

Niet dat Albert Murray, de vooraanstaande essayist in deze stroming, ooit openlijk laatdunkend over witte muzikanten zou schrijven. Maar Nisenson laat zien dat die in diepste wezen 'racistische' tendens in Murrays essays wel degelijk aanwijsbaar is, en 'fatale' gevolgen heeft.

Marsalis wordt afgeschilderd als een grote krijger in Murray's gelederen. Als artistiek leider van het jazzprogramma in het Lincoln Center in New York, dat met zijn riante budget een voorbeeldfunctie heeft, continueert Marsalis het 'valse beeld van de traditie', door jazz waarin swing en blues een geringe rol speelt (waaronder vormen van avantgarde) af te doen als afdwalingen van het ware geloof. Fijntjes wijst Nisenson erop dat de muziek van Coleman Hawkins - de vader van de jazzsaxofoon - dan misschien ook niet in Lincoln Center thuishoort: Hawkins luisterde immers liever naar opera dan naar blues.

In een verhelderend hoofdstuk trekt Nisenson een parallel tussen het gedachtengoed van de sinds lang als dwaas bijgezette 'jazzpaus' Hugues Panassié, die in de jaren veertig zo goed wist wat 'echte jazz' was (Charlie Parker in elk geval niet), en de theorieën van Marsalis en Crouch, die de banvloek uitspraken over pianist Cecil Taylor en de latere Miles Davis.

Zijn somberheid neemt nog een graadje toe, als hij de tientallen jonge muzikanten in Marsalis' kielzog ontwaart, die net als de trompettist alleen maar 'echte' jazz willen spelen. De massamedia en de platenfirma's werken van harte mee aan deze massale omarming van oude waarden, omdat zij zo gemakkelijk te verkopen valt.

Bitter constateert de schrijver dat talrijke nieuwkomers die wel techniek, maar nog geen artistieke persoonlijkheid hebben, in glossy reclamecampagnes als 'The New Masters' naar voren worden geschoven. Het is in passages als deze dat Nisensons betoog opmerkelijke overeenkomsten vertoont met Norman Lebrechts Requiem voor de muziek, dat vorig jaar in schrille tonen de verloedering van de klassieke muziek aan de kaak stelde.

In acht historische hoofdstukken laat Nisenson zien hoe ongewoon de huidige reactionaire geest in de jazzmuziek is. Terwijl hij de ontwikkeling van Louis Armstrong via Charlie Parker en John Coltrane naar de fusion volgt, wordt steeds weer duidelijk dat jazz altijd samenviel met een traditie van permanente verandering: 'To argue about jazz was to argue about change.'

Misschien is de jazz als zelfstandig genre gewoon óp, heeft ze haar honderd jaar volgemaakt en zal ze voortleven in andere (meng)vormen, peinst hij tegen het eind van het boek. Dat zou kunnen, maar het is jammer dat hij daarbij voorbijgaat aan de springlevende jazz- en improvisatievormen in Europa en ook lijkt te vergeten dat belangwekkende muzikanten als Henry

Threadgill en John Zorn geheel immuun blijken voor het Marsalis-virus.

Nisensons kracht is dat hij niet per se het debat wil winnen, maar antwoord op zijn vragen zoekt. Hij is niet blind voor Marsalis' kwaliteiten (al heeft deze door het applaus van verkeerde vrienden 'het zicht op het ware formaat van zijn talent verloren') en weet zelfs aardige dingen te zeggen over Marsalis' inspirator Stanley Crouch - een polemist die met zijn gebral al menige discussie ongenietbaar heeft gemaakt.

Een meeslepend stilist is hij niet, maar zijn geduldige, vasthoudende betoogtrant is in deze van grote woorden vergeven polemiek wel zo effectief. Een bijeffect is wel dat de heftige boektitel (die vast niet door hemzelf is verzonnen) gaandeweg een misplaatste indruk gaat maken. Het vlammende j'accuse verliest zich in zoveel realistische nuances dat de auteur uiteindelijk geen hoofddader meer kan aanwijzen.

De optimistische geest, het geloof in onbeperkte vooruitgang heeft in Amerika plaatsgemaakt voor twijfel, behoudzucht en cynisme - een bedding waarin de 'frontier'-geest van de jazz niet meer kan gedijen, meent de auteur. 'Misschien zijn we allemáál wel schuldig', luidt daarom zijn laatste verzuchting - op zoek naar de Marsalis in hemzelf.

Erik van den Berg

Eric Nisenson: Blue, the Murder of Jazz.

St. Martin's Press, import Van Ditmar; 262 pagina's; ¿ 57,85.

ISBN 0 312 16785 7.

Meer over