columnMohammed Benzakour

Precies hier, op dit Franse bouwterrein, werden de eerste barsten in vaders ziel zichtbaar

null Beeld Isa Grutter
Beeld Isa Grutter

Na het overlijden van zijn vader, gastarbeider van het eerste uur, beschouwt schrijver Mohammed Benzakour tweewekelijks de laatste jaren van diens leven. Als we goed multicultureel willen samenleven, hoe gaan we dan multicultureel samensterven?

Mohammed Benzakour

Onder indruk van zijn postuur duwde ‘le patron’ vader direct een klauwhamer in zijn knuisten. Gevolgd door een pleistertroffel en een pallet ballastblokken. Nog geen week later mocht vader een krabbeltje zetten onderaan een velletje met stempeltjes. Oui, oui, travailler toujours! De seizoenwerkvergunning. Vader blij, le patron blij. Sowieso was dit bouwbedrijf in Nanterre erg in z’n nopjes met het gezelschap Afrikaanse werkpaarden die voor geen klus of karwei hun neus ophaalden.

Na het gezamenlijke avondmaal in het pension doken de werkpaarden meteen onder wol: de wekker rinkelde om 5 uur. Beginnen in het donker en stoppen in het donker. Het was sappelen, zeker, maar de belofte van een eigen huis en een plek onder de Marokkaanse zon hield de paarden op de been.

Als vader tijdens de lunchpauzes wat om zich heen loerde, zag hij niet bepaald wat zijn ogen van kinds af aan gewend waren: vergezichten van glooiende heuvels vol druiven en sinaasappels, slingerpaadjes langs wuivende korenvelden, geitenbokjes die je argeloos kauwend aanstaarden terwijl verderop het geroep klonk van de koopman op zijn ezeltje met buidels vol sardien; een leven dat met regelmatige tussenpozen werd onderbroken door de stem uit een witgekalkt gebouwtje die je herinnerde aan de tijdelijkheid der dingen. Nee, hier was het non-stop ploeteren op een metaalgrijs industriecomplex onder een metaalgrijs wolkendek, omringd door traliewerk en de aanhoudende herrie van graaf- en heimachines waar zwarte rook uit kwam.

Vervreemding, verwarring, heimwee, eenzaamheid, en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren, en die ’s avonds komt, wanneer men slapen gaat... daarover kan alleen hij getuigen die de geselingen kent aan lijf en geest. En precies hier, op dit Franse bouwterrein, werden de eerste barsten in vaders ziel zichtbaar.

Maar natuurlijk, er was ook lol en vermaak. Zoals dat verhaal over die Marokkaan die in een bistro een koffie bestelde, waarna hem een kabouterkopje werd voorgezet, een espressootje. De stakker, gewend aan reuzeglazen, dacht dat dit kopje een voorproefje was, een monstertje. Slorpte het in één teug leeg, riep goedkeurend met opgestoken duim ‘Bon monsieur!’ en wachtte op de grotere kop die nooit kwam. En niet te vergeten de fratsen van Louis de Funès, mon adjudant, gieren en brullen.

Vóór hij in Nederland belandde, heeft vader nog zo’n zes jaar lang gependeld tussen Nanterre en Ouled Ali. Duizenden mallen en funderingen had hij volgegoten met betonmortel, duizenden muren gemetseld, duizenden daken gestut. Nanterre is voor de helft gebouwd door vader. Zes jaar lang keerde hij telkens in de bouwvak terug naar zijn gezin. Met een hart vol verlangen en een broekzak vol francs. In de met touwen vastgeknoopte reiskoffers zaten kinderschoenen, koffie, chocola en knikkers. Voor moeder bracht hij altijd plastic bloemen mee. Die bleven altijd mooi.