Popcorn bij de Inca's

DE MACHU PICCHU, INCA-STAD IN PERU, RAAKT OVERBELAST. TIJD OM UIT TE WIJKEN NAAR CHOQUEQUIRAO...

DOOR ERIC VAN DEN BERG

Naar een plek waar niemand komt, dat gaan we. Oké, bijna niemand. Over een pad dat nauwelijks is bewandeld. Door een dal dat door een Picasso lijkt geschetst, langs bergruggen die als in een gigantische kijkdoos langs elkaar schuiven.

Naar een oude wereld, hoog in de Andes, verborgen, vergeten, en opnieuw ontdekt.

'Daar is het', zegt de gids al na een paar uur lopen op dag 1 van een tocht die (heen en terug) vijf dagen gaat duren. 'Kijk, dáár', en hij wijst met zijn wandelstok ergens hoog in de verte. Net als de anderen in het groepje knik ik ja, al weet ook ik niet zeker welke bergtop hij precies bedoelt. Die daar rechts, die met dat bultje, zal hij toch zeker niet bedoelen, die is vast te hoog voor iemand die gisteren in Cusco nog twijfelde of die nieuwe wandelschoenen echt wel nodig waren.

Die berg is het. Choquequirao, de Wieg van Goud. Al in 1710 genoemd door een Peruaanse ontdekkingsreiziger, mogelijk de geheime plek waar de laatste Inca, Tupac Amaru, vierenhalve eeuw geleden opgroeide tussen de priesters - maar dat weet geen wetenschapper zeker.

De stad is alleen te voet te bereiken, en dat mag je dus zelfs in de Andes enigszins afgelegen noemen. Soms lijkt het een heuse missie. Als ik achter gids Richard aan schuifel; 'langzaam' zegt hij, 'want het wordt nog veel zwaarder.' Als het water wordt uitgedeeld, waar we zuinig mee moeten doen, want als de zon doorbreekt, zal het snel heet worden. Als ik gebukt een richel oversteek, iets meer dan twee schoenmaten 44 breed, met de Apurímac-rivier in de diepte. Elke steen kan loszitten.

We zijn het massatoerisme vóór: geen geplaveide route, geen kabelbaan, geen mens eigenlijk. Iedereen die naar Peru reist, gaat naar de Machu Picchu, dat allereerst en bovenal. Naar de majestueuze Inca-stad - te voet over de Trail, of per trein en bus. Een half miljoen bezoekers per jaar, dé attractie van Zuid-Amerika.

Maar de Machu Picchu is overbelast. Stenen raken beschadigd, de grond verzakt, een maand per jaar moet de Inca Trail dicht voor een grote schoonmaak. Eén maatregel is al genomen: was het aantal toegangsbewijzen voor de Trail tot twee jaar geleden onbeperkt, nu worden per dag 500 lopers toegelaten. Omdat gidsen, koks en dragers ook meetellen, is er nog maar plek voor zo'n 180 toeristen. Drie tot zes maanden van tevoren reserveren is noodzakelijk; rugzakkers die op de bonnefooi door Peru reizen, kunnen het wel vergeten.

Tenzij ze de 'Nieuwe Inca Trail' lopen, naar Choquequirao, die dan ook maar meteen als de 'Nieuwe Machu Picchu' de boeken (en brochures van Promoción del Perú) in gaat. Niet zo imposant als de Machu Picchu zelf, maar in de Inca-tijd wel net zo groot en belangrijk. Vermoeden de archeologen.

In Cusco - uitvalsbasis op drie kilometer hoogte - worden tochten aangeboden, meestal '4D/3N', vier dagen, drie nachten. 5D/4N wordt het, met Ch'aska Tours, want bij hen is de terugweg anders dan de heenweg. Heen gaan we over de kant van de berg 'waar ze geen water hebben'. En dat doen nóg minder mensen.

Fijn voor ons, maar voor de lokale bevolking mogen het er wel wat meer zijn. Werk! De buitenlanders rijden in een busje van iemand uit Cusco, kopen olijven bij het winkeltje in het dorpje Huanipaca, huren paard- en mankracht in het gehucht Tambobamba.

Zo gaat ook deze Inca Trail: voor vijf toeristen komt een karavaan in beweging met een gids, een kok, een hulpkok, vier dragers en vier ezels en een paard. Drie keer per dag een driegangenmaal, en als het even kan nog een tea time tussendoor. Met koekjes en popcorn. Alleen al aan kookspullen slepen we 120 kilo mee, zegt de gids. Plus vier slaaptenten, een kooktent, een eettent, slaapzakken, matjes, uitklapbare tafels en stoelen, en de oranje tassen met extra kleding en boeken waar we niet aan toe zullen komen. Vandaag, als we 'rustig' afdalen naar de rivier op 1500 meter, kunnen de beesten nog meekomen, morgen, als we steil omhoog gaan naar de ruïnes, nemen Marcelino en Serillo alles op hun rug.

Hoezo missie? Loop je daar met je kleine rugzak, met wel twee flessen water (poeh poeh), een camera, anti-muskietenspul, zonnebrand en een regenponcho zo dun als een vuilniszak. Eerst pompidompidom door de vallei met het lieflijke koloniale kerkje, de stille hacienda, de rood/oranje vruchtjes van de pisonai-bomen, die de boeren gebruiken bij de bereiding van cavia. Later, als na vijf uur lopen de schemering is ingevallen en de goedkope zaklamp, op de valreep gekocht in een souvenirshop, het al heeft begeven, gaat het al iets geconcentreerder: waar zet ik mijn voet neer?

En dan word ik gewoon voorbijgehuppeld door vriendelijk lachende bouwvakkers op slippers, met, o ja, wat stenen of cement op hun rug. Tientallen zullen we er nog tegenkomen. Ze werken voor Copesco, het overheidsbedrijf dat bouwt in en om de monumentale toeristische attracties van Peru. De mannen herbouwen een Inca-huis (tot groot verdriet van vele archeologen), maar leggen ook een nieuwe brug aan over de rivier. En effent de camino inca naar Choquequirao voor de toeristen die zullen gaan komen.

We zijn vandaag ongewenst. Ze hebben niet gerekend op vijf toeristen - een Amerikaanse (die af en toe haar meegebrachte chocola in de rivier moet koelen), een Nederlandse (die hoopt op een spirituele ervaring in de religieuze sectie van Choquequirao), een jonge Duitse (met cowboyhoed) en een duo filmer en journalist dat alsmaar vragen stelt. 'U mag niet verder', zegt de voorman in het kamp bij de rivier. 'Morgenochtend gaan we met dynamiet aan de slag. Het is te gevaarlijk. Er komen rotsblokken naar beneden.'

Hoop gedoe in het donker, maar natuurlijk vertrekken we de volgende ochtend toch. In alle vroegte, zodat we de werkplek halverwege de berg vroeg kunnen passeren. En het gaat goed, al zien we een paar keer behoorlijke stenen de diepte in verdwijnen. De Amerikaanse noemt het 'rakelings', de gids beschuldigt de voorman via zijn walkie-talkie van onverantwoord gedrag ('Wat is er nou belangrijker, jouw werk of het leven van de toeristen?'). Echt in gevaar komen we niet, maar hij wil een uur later toch wat foto's van ons maken: of we even tegen de berg aan willen liggen en willen kijken en schreeuwen alsof we bang zijn. Doen we.

Het is dé dag vandaag: slechts 4,5 kilometer nog naar Choquequirao, maar wel alles zigzaggend omhoog naar zo'n 3000 meter. Eerst in de motregen en mist (met die poncho van minder dan een euro), dan in een graad of dertig. Het tempo ligt laag. Niet om ons te sparen of te behoeden voor overschatting, blijkt al snel, maar omdat de gids voorop last heeft van zijn knie. Ieder door op zijn eigen tempo, de gids dus achteraan.

De Apurímac-rivier verschrompelt tot een lint, dat beneden losjes tussen de bergen lijkt neergelegd. Boven ons moet Choquequirao liggen, maar dat is niet te zien. Ik zie enkel steeds de volgende twintig of vijftig meter, tot de volgende haarspeldbocht, en ben benieuwd hoe steil het vanaf daar weer zal zijn. Uren traplopen lijkt het, maar dan op ongelijke stenen of mul zand. Ergens voor me lopen de dragers, ergens achter me de kok en de hulpkok (die in het kamp eerst nog de afwas hebben gedaan).

Als we aankomen, na een klim van zes uur, staan de tenten al. In een kamp op wat eens een akkerbouwterras was van Choquequirao. 'Er is een douche!', roept de Amerikaanse, 'en wc's!' Niet zozeer bedacht voor de toeristen (er zijn er ook een paar via de andere kant van de berg gearriveerd), als wel voor de mensen die er be-zig zijn met de reconstructie vande site. Archeologen, architecten, bouwvakkers, en veel boeren uit de omgeving die boven een teiltje gevonden keramiek, botten en stenen schoonpoetsen met een tandenborstel.

De reconstructie die in 1993 is begonnen, gaat ook door als er toevallig wat toeristen langskomen. 'We willen niet dat hier hetzelfde gebeurt als bij de Machu Picchu', legt archeoloog Homar Gallegos de volgende dag uit in de werktent. 'Dat is een schitterende plek, maar eigenlijk weten we er niet zoveel van af. Het toerisme zit in de weg. In Choquequirao willen we dat beter controleren.'

Net als bij de Machu Picchu, hemelsbreed op zo'n vijftig kilometer afstand, is nog maar een klein deel van de stad blootgelegd. Bij Choquequirao gaat naar schatting nog 90 procent schuil onder bomen, gras, zand en steen.

Het moet enorm zijn geweest. Vanaf het Heilige Platform, twee jaar geleden toch maar iets verder afgevlakt omdat de vrouw van president Toledo er met een helikopter wilde landen, is het centrum van weleer te aanschouwen. Beneden het Plein en de Muur van Triomf, daarachter de 'Urin'-sector, het 'lagere' gedeelte, met huizen van twee verdiepingen en muren van dubbele dikte. Wat betekent dat daar in de vijftiende en zestiende eeuw belangrijke Inca's woonden. Boven, in het Hanan-deel, zetelden de priesters, uitkijkend op de besneeuwde top van de Yanama en over de stad die aan het einde van het Inca-rijk in 1572 nog niet af zou zijn.

Bouwvakkers zijn nu de enigen die geluid maken. Ze herbouwen huizen in de Urin, onder toeziend oog van een architect. Verder: niemand. De plaza is leeg, soms passeert een man met een kruiwagen.

En dan is er het besef: ik zit op 3100 meter hoogte, kijk uit op huizen waar, wie weet Tupac Inca, de zoon van de grote Inca-leider Pachacutec, heeft gewoond, en realiseer me dat ik helemaal van die rivier daar diep beneden ben gekomen.

Het is geen Machu Picchu, eerlijk is eerlijk, maar hier hoor je de stilte nog, dáár hoor je filmende en bellende mensen, en sta je continu in ieders beeld. Aguas Calientes, het dorp aan de voet van de Machu Picchu, heeft al de allure van een goedkope badplaats, elke paar minuten vertrekt er een genummerde bus naar het heiligdom boven, stelletjes kunnen er binnenkort trouwen, en biermerk Cusqueña nam er al een reclamespot op: een kraan van de filmploeg beschadigde toen de beroemde steen Intihuatana, een granieten zonneklok.

Choquequirao zal dat vermoedelijk niet snel overkomen. Een weg aanleggen hiernaartoe is onhaalbaar, dat is al onderzocht. Dus lopen blijft het devies. Niet alleen voor de toeristen - nu een paar honderd per jaar, en als het aan PromPeru ligt spoedig enkele duizenden - maar ook voor de 200 man in ploegendienst. Onze terugweg naar het dorpje Cachora (urenlang zigzag naar beneden rennend en remmend, en dan weer een ochtend steil omhoog, maar nu in straf tempo) is eens in de drie weken voor velen de route naar vrouw en kind.

Morgen is het weer zover. Acht dagen vrij. Vanavond feest. Voor ons tentje luisteren we naar een bonte avond met zelfgebrouwen bier en een cassettebandje van The Village People en O-Zone. De Peruanen schallen in fonetisch Engels mee met de refreinen van In The Navy en in alle talen met Miya-hee, miya-hoo - de hele vallei kan het horen.

Een verborgen wereld is dan ineens een stuk gewoner geworden. En een stukje dichterbij geko-men.

Meer over