ColumnSylvia Witteman

Plaatsen waar je al dan niet dood gevonden wil worden

null Beeld

Het is gezellig dat de terrassen weer open zijn, maar de koffie die ik kreeg was lauw, een probleem dat zich thuis aan de keukentafel niet voordoet. Aan het tafeltje naast mij zaten twee mannen van mijn leeftijd, van wie er één hardop ‘Kutzooi!’ brieste. Dat bleek niet op de koffie te slaan, maar op de Amsterdamse huizenprijzen. ‘In de jaren tachtig wilde je hier niet dood gevonden worden’, sprak de man met een nijdig handgebaar naar de gevels, ‘en in 2000 heb ik daar om de hoek nog voor drieënhalve ton een dubbel bovenhuis gekocht. Daar mag je nu een miljoen voor neerleggen.’ Hij droeg ten onrechte een strohoed op zijn pyknische hoofd, maar hij overdreef niet of nauwelijks.

Het terras bevond zich aan de Bosboom Toussaintstraat, een straat die zo’n twintig jaar geleden bekend stond als ‘het geboortekanaal’. Er zat een bekende verloskundepraktijk met allerlei daarmee samenhangende nerinkjes: winkels in kinderkleertjes en speelgoed, crèches en cafés vol jonge ouders, voor wie de buurt toen nog betaalbaar was. Van dat alles is weinig meer over. De enige jonge ouders die je daar nog ziet zijn BN’ers met Birootjes, die peperdure elektrische mini-autootjes die je zo geinig dwars kunt parkeren in de knusse straatjes van deze zeer voormalig aggenebbisje buurt.

‘Spijt als haren op mijn hoofd dat ik dat verkocht heb toen we naar Spanje gingen’, vervolgde de strohoed. Zijn kompaan, een blekerd met een kamelengezicht, knikte empathisch. ‘Maar ik dacht, áls we ooit terugkomen, en dat zag ik dus niet gebeuren, maar áls we ooit terugkomen, dan zien we wel weer. Nou ja, je weet hoe het gelopen is.’ Hij maakte weer zo’n dramatisch handgebaar. ‘En de helft naar Marjan natuurlijk, want zo waren we indertijd nog getrouwd, dat doet óók niemand meer’, hernam de hoed. ‘Lang verhaal kort, ik kom met krap drie ton terug naar Amsterdam. Nou, je weet het. Helemaal niks krijg je daarvoor. Nog geen 40 meter in Bos en Lommer.’

De kameel schudde het hoofd en sprak: ‘Mijn overbuurman heeft net zijn etage voor zeven ton te koop gezet. Was dezelfde dag nog weg...’ De hoed onderbrak hem. ‘Ja, hou maar op, hou maar op. Ik zit dus nu al een jaar in die zogenaamde studio in de fucking Staatsliedenbuurt. 1200 euro huur per maand, en ik kijk uit mijn bed zó de afzuigkap in. Ik teer in op die drie ton, en snel ook. Elke dag kijk ik op Funda, maar het wordt alleen maar erger. Wat móét ik? Een flatje in Geuzenveld kopen? Daar wil je toch niet dood gevonden worden?’

Nee, dacht ik, achter mijn koude koffie.

Nóg niet.