interview

Peggy van Leeuwen: ‘Na de dood van Joep en Jacqueline heb ik maandenlang elke dag wel een paar keer zitten janken’

Peggy van Leeuwen Beeld Imke Panhuijzen, visagie Pascale Hoogstrate
Peggy van LeeuwenBeeld Imke Panhuijzen, visagie Pascale Hoogstrate

Nog geen jaar nadat haar baas Joep Lange, aidsprofessor, en haar beste vriendin Jacqueline van Tongeren om het leven kwamen bij de MH17-ramp, dacht Peggy van Leeuwen (68) dat ze klaar was met rouwen. Tot ze werd ingehaald door een gebeurtenis uit haar verleden.

Hier stond ze, de middag dat het ramptelefoontje kwam. Op de vlonder van haar woonark, aan een idyllische oever van de Vecht, met kikkers die kwaken en vogels die kwetteren. Die 17de juli 2014 pakte Peggy van Leeuwen haar mobieltje en nam op. Het was Max, de zoon van haar baas, hoogleraar infectieziekten en aidsdeskundige Joep Lange.

‘Hij vroeg of ik de televisie aan had staan. ‘Er is een vliegtuig van Malaysia Airways neergestort. Volgens mij zit papa erin.’ Ik zei: ‘Nee joh, die vliegt KLM. Maak je geen zorgen.’ Toen zag ik dat KLM aan code-sharing deed met die maatschappij, en ik wist dat het waar was. Ik ging meteen in de regelmodus. Max terugbellen, ik moest Max terugbellen. Daar ... had ik veel moeite mee.’

Inmiddels is Peggy van Leeuwen een kleine twee jaar met pensioen. De laatste jaren werkte ze als coördinator van het Joep Lange Instituut, dat zich inzet voor de wereldgezondheid in het algemeen en het voorkomen van aids in het bijzonder, met name in Afrika.

‘Op het moment dat de coronapandemie uitbrak, werden we allemaal naar huis gestuurd. Ik zei: ‘Jongens, dit is het moment dat ik stop met werken.’ Rare gewaarwording, hoor. Zit je ineens thuis. Wel fijn voor mij dat héél Nederland plotseling thuiszat. Maar ineens begreep ik de woorden van oud-politicus Herman Tjeenk Willink: ‘Ik ben graag met pensioen – in de avonden en in het weekend.’’

‘In januari besloot ik mijn oude vak van verpleegkundige weer op te pakken. Ik ging helpen met vaccineren, hier in het Gooi. Ik dacht wel: veertig jaar lang hebben we gezocht naar een vaccin tegen aids. Dat is er nog steeds niet – alleen medicatie die het hiv-virus lekker in slaap houdt. Het hiv-virus is complexer, maar dan nog: waarom moet het zo lang duren? Voor de bestrijding van covid is in no time alles uit de kast gehaald. Ik denk dat de homo’s als groep niet interessant genoeg zijn voor de farmaceutische industrie en de verzamelde wereldleiders. Nu treft de Afrikanen hetzelfde lot. Die sterven nog steeds bij bosjes aan aids én aan covid. Tamelijk schrijnend, vinden jullie niet?’

De gezondheidszorg is haar vertrouwd. Van Leeuwen begon haar loopbaan in de zomer van 1975, als verpleegkundige in het Amsterdamse Wilhelmina Gasthuis.

‘Tijdens mijn verhuizing van Eindhoven naar Oostenburg, aan het IJ, stond er ineens een vrouw in mijn kamer. Ik dacht: who the hell is this? Het bleek Ursula te zijn, mijn bovenbuurvrouw. Ik kwam als brabo in m’n eentje naar de grote stad, ik kende geen hond. Al snel werden we vrienden. Ik was 22, zij vier jaar ouder. Ze studeerde dramaturgie, ze kwam uit de artistieke wereld. Voor mij was ze iemand aan wie ik me kon optrekken. Feestend gingen we de kroegen langs, we hadden veel lol, zij liet mij het leven proeven. Ursula was meer dan een vriendin. Een soulmate.

‘Ik kom uit een rotgezin. Mijn moeder was een naar mens. Ik had drie broers die al hun agressie op mij botvierden. M’n hele jeugd ben ik in mekaar gemept. Nooit greep mijn moeder in. Mijn vader trouwens ook niet, maar die werkte heel hard bij Philips. Op m’n 18de wilde ik mij ontworstelen aan mijn milieu. Ik ging het huis uit. Ik moest en zou een leuke Peggy worden, dat was echt een wilsbesluit. Ik wilde mij alleen nog maar omringen met mensen die lief voor mij zouden zijn en mij konden verrijken.

‘Ursula paste daar perfect in. Slim, erudiet, gezellig, maar wel met een zwart randje: ze kon heel somber zijn. Ik hoorde al snel dat ze ooit was opgenomen in een psychiatrische instelling vanwege een zware depressie. ‘Dat gaat mij nooit meer gebeuren’, zei ze. ‘Nooit meer.’ Ik weet ’t nog precies: op 1 december 1976 ging het uit met een vriendje, na een relatie van een paar maanden. Ursula keerde in zichzelf. Ze verstilde. Nooit in m’n leven had ik zoiets gezien en later in m’n leven zou ik het ook nooit meer zien. Ze wilde nog wel bij me zijn, maar praten kon niet. Ze at niet meer en werd elke dag dunner. Tijdens een kerstdiner met haar ouders kneep ze tot bloedens toe een champagneglas kapot. Haar moeder nam haar mee naar een psychiater. Die vroeg waar ze Oud en Nieuw wilde vieren. ‘Ik wil bij Peg zijn’, zei ze. Dat vond die moeder vreselijk, maar Ursula kwam bij mij.

‘Tijdens het nieuwjaarsfeest ging het opnieuw mis. Ursula pakte bierdopjes in haar hand en kneep net zo lang en hard tot het bloed door haar vingers sijpelde. Vervolgens begon ze sigaretten in haar gezicht uit te drukken. In de keuken vroeg ze of ik het komende jaar nog op vakantie ging. Ik had geen plannen. Ze zei: ‘Ik ga weg. Ik weet alleen niet waar naartoe.’ De volgende ochtend, 1 januari, at ze bij mij een boterham met pindakaas die ze meteen weer uitkotste. Ze vroeg of ik boven kwam. Ik zei nee. Ik had een kater en ging bijslapen.

‘De ochtend daarna kwam ze weer. Ineens begon ze te praten. Urenlang. Niet over zichzelf, maar over anderen. Of ik die en die nog de groeten wilde doen. Om 5 over 12 zei ze: ‘Ik ga naar boven, kom je ook zo?’ Ja, goed. ‘Kom je écht?’ Jaja, eerst even douchen. Even daarna liep ik met m’n haar in een natte sliert naar boven. Ik deed de deur open en zag haar staan. Hoger dan anders. Raar. En waarom was haar gezicht zo blauw?’

Peggy van Leeuwen Beeld Imke Panhuijzen, visagie Pascale Hoogstrate
Peggy van LeeuwenBeeld Imke Panhuijzen, visagie Pascale Hoogstrate

In de jaren na de suïcide van haar vriendin werkte Van Leeuwen onder meer in de kinderoncologie.

‘Verschrikkelijk. Baby’s die werden geboren met leukemie ... Dat kon ik na verloop van tijd niet meer aan. Ik wilde de gezondheidszorg uit en werd telefonist bij een rolhorrenfabriek in Weesp, je verzint het niet, en ik mocht alleen maar doorverbinden, haha. Toen kreeg ik vanuit het AMC een verzoek: wil je voor drie maanden meewerken aan een onderzoeksproject naar hiv-geïnfecteerde moeders en hun kinderen? Nou, nee. Ik had genoeg leed gezien. Of ik dan tenminste wilde praten met het hoofd van het onderzoek?

‘Ik stapte binnen bij ene Jacqueline van Tongeren. Ik was ... op slag verliefd. Wat is dit voor verschijning? Het was de mooiste en de liefste vrouw die ik ooit in m’n leven had gezien, en ook nog slim, erudiet, creatief, kunstzinnig. Ik was om. Drie maanden trok ik wel. Drie maanden werden dertig jaar.’

Van Leeuwen was verbonden aan het Nationaal Aids Therapie Evaluatie Centrum, een instituut binnen het AMC dat onder leiding stond van professor Lange.

‘Toen al zat hij bij de WHO, de Wereldgezondheidsorganisatie. Ik was een van zijn naaste medewerkers. Zelf werkte ik ook mee aan verschillende projecten, waaronder een groot hiv-resistentieonderzoek in zes Afrikaanse landen. Een week per maand zat ik daar om die studies te begeleiden en te monitoren. Joep was een enorm gedreven en bevlogen man. Koste wat kost wilde hij een oplossing voor hiv en aids, een medicijn of een vaccin, en hij wist zeker dat hij dat ging vinden. Jacqueline was verliefd op hem. Vanaf dag één. Dat wist ik. Joep had dat niet in de gaten. Veel mannen weten dat niet, hè. Later kregen ze een relatie.’

Tobias Rinke de Wit, onderzoeksdirecteur van Stichting PharmAccess, omschreef Lange onlangs in deze krant als ‘een gepassioneerd, rechtvaardig, daadkrachtig mens en in zijn haast om iets voor de wereld te doen ook zo nu en dan lomp.’

Ze zucht. ‘Ja. Joep kon verschrikkelijk zijn. Dan schold hij iedereen verrot.’

Om wat voor reden?

You name it. De boodschap was meestal zo ongeveer: wat ben jij een achterlijke sukkel. Eén keer schold hij me mijn kamer uit. Míjn kamer! Hij was daar aan het vergaderen met een paar mensen en ik liep binnen. Zijn reactie was van: opflikkeren, je ziet toch dat we bezig zijn? Later kwam ik hem op de gang tegen. Ik zei: ‘Joep, jij bent te onbeschoft voor woorden.’ Hij ontplofte. Krijsen. ‘Ontsla dat wijf!’ Het liep met een sisser af, maar ik vergeet het nooit meer.

‘Door Jacqueline werd Joep wel milder. Hij kon ook ongelooflijk lief voor haar zijn, dat heeft iedereen om hen heen wel gezien en gevoeld. Zij had een luisterend oor voor hem, zeker als hij in die WHO weer ongelukkig zat te wezen omdat het zo’n verschrikkelijk trage, logge organisatie is. Dan kon Joep spuien. Ondanks al z’n gif en boosheid kon ze hem op de rails houden. Ik zag Jacqueline ook veranderen. Ze verzette zich meer. Ze werd wat steviger. Mijn relatie met Joep was redelijk. Hij was naar mij toe niet reuzeaardig, maar wel aardig. Ik paste op zijn hondje, Lizzy, een Ierse terriër.’

Op donderdagochtend 17 juli 2014 stapten Joep Lange en Jacqueline van Tongeren in het vliegtuig voor een bezoek aan de Wereld Aids Conferentie in Melbourne. Vluchtnummer: MH17.

‘De dag daarvoor zag ik Jacqueline in het huis van haar dementerende moeder, Pam. Ik was daar ook. Ik zorgde regelmatig een beetje voor Pam, dan maakten we een wandelingetje door het Vondelpark. Ik omhelsde Jacqueline, zoals we altijd deden. Ik was dan voorzichtig, want ze was zo mooi en slank dat ik bang was haar ribben te breken. Deze keer wilde ik haar niet loslaten. Vreemd. Ik weet nog dat ik dacht: je moet haar nu laten gaan. Vlak voor haar vertrek stuurde ze me nog een mailtje. Ik zou op vakantie naar Kreta gaan. Ze schreef: ‘Ik zal blij zijn als je weer terug bent, dat geeft me zo’n veilig gevoel.’’

Die middag kreeg Van Leeuwen het telefoontje van Max Lange, zoon van Joep.

‘In de hectiek en de chaos kwam een vriendin langs. Zij is purser. Ik vroeg nog: ‘Half 3 lokale tijd, wat doe je dan tijdens zo’n vlucht?’ Ik wist dat Jacqueline met eigen geld een upgrade had geregeld naar de businessclass. Die vriendin zei: ‘Dan krijgen ze dessert.’ Vond ik een fijn idee. Dat Joep tenminste niet met z’n laptop aan het werk was, toen die raket bij hen binnenkwam. Ze zaten gezellig aan hun toetje. In de auto naar Amsterdam ben ik heel, heel hard gaan huilen.’

Peggy van Leeuwen Beeld Imke Panhuijzen, visagie Pascale Hoogstrate
Peggy van LeeuwenBeeld Imke Panhuijzen, visagie Pascale Hoogstrate

In de dagen na de crash is zowel Joep als Jacqueline teruggevonden.

‘Jacqueline was uiterlijk ongeschonden. Ze heeft een tuimeling gemaakt van 10 duizend meter, maar ze is als een fee in de zonnebloemen terechtgekomen. Alleen in haar gouden ring zat een deukje. Het lichaam van Joep daarentegen was zwaar geschonden. Ze konden hem met moeite identificeren. Mijn buurman is gezagvoerder bij de KLM. Ik vroeg of Joep en Jacqueline geleden hadden. Hij zei: ‘Door zo’n grote impact valt in het toestel de luchtdruk weg, dan ben je binnen drie tellen dood. Ze hebben niets gemerkt.’ Ook een fijne gedachte. Of het nou waar is of niet.

‘Tijdens de uitvaart op 25 augustus stonden er twee kisten. Ik mocht voor Jacqueline spreken. Ik droeg een zonnige, fleurige bloemenjurk met een diep decolleté. Dat vonden mensen vreemd, ze dachten dat ik gek geworden was. In mijn verhaal heb ik mij persoonlijk tot Jacqueline gericht. De rode draad was: ik wil dat jij nu ziet, hoort en voelt wat er gaande is. Dat de wereld in shock is, nu Joep en jij dood zijn. Hoe kapot wij allemaal zijn. En: dat ik nu de jurk draag die jij een jaar geleden voor mij hebt gekocht. Zelf heb je maatje 34-36, en jij dacht dat ik maatje 40 wel zou passen. Toen niet, schat. Nu wel. Omdat ik van ellende heel veel kilo’s ben afgevallen.’

Hoe herinnnert ze zich de dagen, weken en maanden van rouw?

‘Als een heel mooie, prettige tijd.’

Ze grinnikt en neemt een slok koffie.

‘Eigenlijk begon dat al op de vrijdagochtend na de aanslag. Om 10 uur waren alle medewerkers samen op het werk, ook de directie van het AMC. Dat heb ik toen georganiseerd – laat mij alsjeblieft organiseren. Het was één grote, collectieve huilbui. Het verdriet was zo groot en ook: zo grenzeloos, zo ongebreideld. Vriend en vijand omarmden elkaar in ellende en verdriet: wij zijn één. Niets is nu belangrijker: J&J zijn er niet meer.

‘Jacqueline was mijn betere helft. Die was ik kwijt. Ik huil slecht, hè. Ik ben een slechte huiler. Maar na haar dood heb ik acht maanden lang elke dag wel een paar keer zitten janken. In stilte of hardop. Zat ik op de bank en hup, daar gingen we weer. Ik ben ook wel gaan nadenken: waarom ben ik nou zó verdrietig? Omdat ik iemand kwijt was van wie ik zielsveel hield, ja, maar ook omdat ik iemand kwijt was die zielsveel van míj hield. Dat was een keerpunt. Na acht maanden van diepe rouw vond ik ’t ook wel mooi geweest. Kom op, ophouden nou. Klaar! Dat lukte. Het is nu een zachte, warme, nostalgische herinnering, zonder gemis en pijn. Maar was ik klaar met rouwen? No way. Alleen leerde ik dat op een totaal onverwachte manier.’

Vier jaar na MH17 was Peggy van Leeuwen aanwezig op een congres over rouw in de Philharmonie in Haarlem, om te vertellen over haar afscheid van Jacqueline. Ze kreeg de vraag of ze ooit een rouwproces had meegemaakt dat totaal anders was verlopen.

‘Alsof ik door de bliksem getroffen werd, kwam Ursula bij me binnen. Ik krijg nu weer kippenvel. Toen ik haar vond, op 2 januari 1977, ’s middags om 10 voor half 1, zag ik eerst niet eens het touw. Ze zweefde. Ze had een donker gezicht. In de tijd daarna sloot ik mezelf in paniek af van alle verdriet. Dat was nog een reflex van mijn jeugdjaren: alles waarover je normaal gesproken moet huilen, stop je weg. Dingen in een doos doen, daar was ik heel goed in. De woensdag daarop moest ik examen doen voor een studiespecialisatie. Ik ging gewoon. Die vrijdag had ik nachtdienst op de IC. Ik ging gewoon. Van de moeder van Ursula mocht ik tegen niemand zeggen dat haar dochter zelfmoord had gepleegd. Zij had de familie verteld dat Ursula was omgekomen bij een auto-ongeluk. Ik zei alleen maar: ‘Ja mevrouw, goed mevrouw.’ Van die moeder kreeg ik een zilveren armband van Ursula, maar later deed ze het voorkomen alsof ik die gestolen had. Heel naar. In haar ogen was alles de schuld van haar vrienden, en vooral van mij.

‘Twee maanden na de dood van Ursula kreeg ik een vriendje. Dat bleek een heel gewelddadige jongen die mij regelmatig alle hoeken van de kamer liet zien. Precies wat ik in m’n jonge jaren thuis had meegemaakt. Ik verzette me niet, het interesseerde me niet, ik liet het maar gewoon gebeuren. Na een halfjaar ging hij weer terug naar zijn ex, maar niet omdat ik zelf had ingegrepen. Ik was gewoon versteend. Niet van deze wereld. Ik sprak ook nooit met iemand over Ursula, elk gevoel probeerde ik uit te bannen. Wat daarvoor terugkwam, was dat ik haar elke dag weer zag bungelen. Elke dag. Jarenlang. Ik smeekte God als-ie zou bestaan op m’n knieën om eens één dag te mogen overslaan.’

Voor het eerst valt ze stil.

‘Ik kan het verdriet van die jonge Peggy nog steeds oproepen. Hoe dat allemaal is gegaan ... zo treurig. Ik zie nu heel goed waarom het rouwproces met Jacqueline zo prettig en zo goed ging. Hoe open. Hoe vrij. Ik begon niet alleen parallellen te trekken tussen de twee vrouwen die zoveel voor mij hadden betekend, ik zag ook de verschillen. Ursula heb ik één jaar gekend, Jacqueline 27 jaar. Om Jacqueline heb ik een klein jaar gerouwd, om Ursula nu al veertig jaar. Is dat niet bizar?

‘Elke 2 januari tussen 10 voor half 1 en half 1 keek ik onwillekeurig naar de klok en wist ik meteen weer hoe laat het was. Elk jaar weer. Heel neurotisch. Ook in het jaar na dat rouwcongres in Haarlem. Opnieuw keek ik naar de klok en zag ik Ursula weer voor me. Ik heb nog steeds een hart voor haar, maar ineens dacht ik wel: wat heb je mij eigenlijk een onwaarschijnlijke teringstreek geleverd! Dat je tegen mij zei: ‘Kom je nog even boven? Kom je alsjeblieft?’ Terwijl je precies wist wat je ging doen. Het touw had je boven al klaarliggen. Wat heb je mij verdomme aangedaan?! Eindelijk kon ik emotie toelaten. Open en vrij. Woedend was ik. Woedend. Een enorme bevrijding.’

HOE BESTA JE NA?

Een dierbare sterft. En dan? In de onregelmatig verschijnende serie Hoe besta je na? spreken Frénk van der Linden en Pieter Webeling met mensen die een geliefde, kind, ouder of goede vriend(in) hebben verloren, of op het punt staan te verliezen. Met welke herinneringen blijven we achter? Hoe rouwen we? Staat God ons bij? Is het mogelijk om een groot persoonlijk verlies betekenis te geven?

Eerdere afleveringen van deze serie kunt u hier vinden.

Meer over