Geschiedenis

Opeens het besef: ik ben ook een marron

Denussa Frijda stamt af van de marrons, mannen en vrouwen die in de tijd van de slavernij de Surinaamse plantages ontvluchtten en in het oerwoud hun eigen dorpen vormden. Samen met de Volkskrant gaat ze naar dorp van haar overgrootvader, die er tot 1989 opperhoofd was.

Elsbeth StokerIanthe Sahadat en Fleur de Weerd
Denussa Frijda onderweg naar Asindopo, Suriname.  Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle
Denussa Frijda onderweg naar Asindopo, Suriname.Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle

Na iedere bocht van de Surinamerivier ontvouwt zich een nieuw diepgroen zicht op de jungle. Een oneindige bomenzee op links en een oneindige bomenzee op rechts, dankzij het brede gladde wateroppervlak ook in spiegelbeeld te bewonderen. Denussa Frijde, één brok zenuwen, neemt het amper waar. Ze pakt haar telefoon erbij om via de selfiestand te kijken naar de geel-zwarte Afrikaanse doek die ze enkele minuten geleden om haar hoofd heeft gebonden. ‘Zijn er nog rafelrandjes te zien? Dat is daar écht niet geaccepteerd.’

Denussa, een 36-jarige Amsterdamse, schuift ongedurig heen en weer op het houten bankje van de boomstamkano met buitenboordmotor, in Suriname een korjaal genoemd. ‘Mijn bil doet pijn, swa. Heb je ook zo’n pijn aan je bil?’ Ze lacht, maar klemt haar kaken gespannen op elkaar.

Ze is voor het eerst in haar leven onderweg naar het Surinaamse binnenland. En nu duurt de reist haar te lang. Wanneer de stap eenmaal is genomen ergens naartoe te gaan, kan een tocht van zes uur op een mensenleven van 36 jaar ineens tergend lang aanvoelen.

Denussa gaat naar de marrongemeenschap van haar vader. Het woord ‘marron’ is een verkorting van het Caribisch-Spaanse cimarrón, dat oorspronkelijk ‘ontsnapt en verwilderd dier’ betekent. Het is het woord dat tijdens de slavernij door Europese plantagehouders werd gebruikt voor de Afrikanen die de plantages ontvluchtten en in het oerwoud hun eigen dorpen vormden. Veel van die Surinaamse dorpen die in de 17de eeuw en 18de eeuw ontstonden, bestaan nog steeds, en de afstammelingen van de mannen en vrouwen die destijds aan de slavernij ontsnapten leven er nog altijd – grotendeels volgens de tradities van hun voorouders.

Het woord ligt trouwens wel wat gevoelig bij de oudere generatie, die niet als ‘weggelopen vee’ gezien wil worden, zegt Denussa. Zelf omarmt ze het woord juist, als een geuzennaam. ‘Dat mijn voorouders de slavernij zijn ontvlucht en zich hun vrijheid niet lieten afpakken, daar ben ik juist trots op.’

Die trots is opvallend. Lange tijd werd in Suriname op marrons neergekeken. Ze werden gezien als de groep die weinig voor elkaar kreeg, de groep die gelijkstond aan onbeschaafdheid, ongeletterdheid, criminaliteit. Oftewel: niet zo heel anders dan hoe ze in de koloniale tijd door de Nederlanders werden afgeschilderd.

Maar het tij is kerende. Net als in Nederland vindt er in Suriname een herijking van de eigen geschiedenis plaats. Steeds meer Surinamers zien de marrons juist als helden. Zij die in opstand kwamen tegen onderdrukking. Een groep mensen, bovendien, met een rijke eigen cultuur.

De herwaardering van de marrons vindt maatschappijbreed plaats. ‘We moeten juist trots zijn op de mensen die de ultieme vorm van verzet tegen het slavernijsysteem pleegden door te vechten, te vluchten en een eigen cultuur op te bouwen in het bos’, zegt schrijver en journalist Tessa Leuwsha. Leuwsha heeft in haar boeken en artikelen veel oog voor de gelaagdheid van het verleden en benadrukt het belang van zwarte ‘helden’ voor het Surinaamse zelfbeeld. Ze ziet een opvallende trend: ‘Marrons zijn zichtbaar sociaal aan het stijgen. Ze laten van zich horen in het zakenleven, in de politiek en bevolken steeds meer van de collegebanken op de universiteiten.’

Van jongs af aan wist Denussa dat er iets bijzonders was aan de familie van haar vader. Ze draagt de achternaam van haar moeder, maar stamt via haar vader af van Agbago Aboikoni, een befaamd opperhoofd van de Saramakaners, een van de verschillende marrongemeenschappen in Suriname. Aboikoni was van 1950 tot 1989 gaama, zoals het in de Saramakaanse taal heet, en een bekende naam in Suriname.

Als ze vroeger de achternaam van haar vader liet vallen, kreeg ze wonderlijke reacties; er waren mensen die begonnen te klappen en te gillen. Het gebeurde in Suriname, maar ook in Nederland. Toen haar zus eens vertelde dat ze ‘een Aboikoni’ was, begon een vrouw in een bus in Katwijk aan Zee voor haar te buigen, vertelt Denussa, die de scène met grote ogen en gebaren nadoet en nauwelijks bijkomt van het lachen. ‘Alsof we royals zijn.’

Denussa in heilig hutje in Asindopo waar ze foto's van haar grootvader ziet.  Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle
Denussa in heilig hutje in Asindopo waar ze foto's van haar grootvader ziet.Beeld Ines Vansteenkiste-Muylle

Maar dat is niet het hele verhaal. Want als ze doorvroeg naar de Aboikoni’s werd ze ook vaak gewaarschuwd. Haar moeder beschreef het binnenland als een plek waar je als stadse niet altijd welkom zou zijn, zelfs niet als je deels marron bent, zoals Denussa is. Haar vader overleed tijdens de Binnenlandse Oorlog in de jaren tachtig, toen ze nog een baby was. En dus groeide ze op in de stad, bij haar creoolse moeder in Paramaribo. Toen haar stiefvader werk vond in Nederland, vertrok het gezin daarheen.

Zelfs wildvreemden met Surinaamse roots waarschuwden haar, als ze haar nieuwsgierigheid opmerkten, voor de ‘zeer gesloten’ Saramakaanse gemeenschap, die wantrouwig tegenover vreemdelingen staat. ‘Het werd me eigenlijk afgeraden zelfs maar te proberen ernaartoe te gaan.’

Dat Saramakaners de buitenwereld wantrouwen, valt vanuit historisch oogpunt goed te verklaren, vertelt taalwetenschapper Vinije Haabo, die zelf ook Saramakaner is. Hij groeide op in het Surinaamse binnenland, ging pas vanaf zijn 10de naar school en besloot daarna zijn leven te wijden aan de studie van verschillende marronculturen en de etymologie van marrontalen.

Nadat rond 1690 de eerste Saramakaanse dorpen ontstonden in de jungle, brak er een periode van constante gevechten uit tussen de gevluchte Afrikanen en de Europeanen. Er werd op marrons gejaagd en als ze gepakt werden, werden ze meer dan eens op gruwelijke wijze gedood, om als afschrikkend voorbeeld te dienen voor de tot slaaf gemaakte mensen op de plantages. Het duurde zowat een eeuw tot de Nederlanders – telkens geconfronteerd met nederlagen – vrede sloten met de twee grootste groepen marrons: de Ndyuka (in 1760) en de Saramakaners (in 1762).

De vlucht, de strijd en de constante angst om gepakt te worden hebben hun sporen nagelaten in de taal en cultuur van de Saramakaners, zegt Haabo. Neem bijvoorbeeld de namen van de clans (behalve een onderverdeling in groepen hanteren marrons ook een verdeling in clans). Agbago Aboikoni behoorde tot de Matjau-clan. Dat woord verwijst naar een plantagehouder, Immanuel Machado, van wiens plantage Denussa’s voorouders de bossen in vluchtten. ‘De plantage-eigenaar kwam uit Portugal en daardoor komt het dat de Saramakaanse taal veel Portugese invloeden kent.’

Ook Haabo’s eigen voornaam, Vinije, verwijst naar de slavernij. Het betekent ‘kind van mij’ in het Ewe, een van de vele West- en Centraal-Afrikaanse talen die in Suriname werd gesproken door de tot slaaf gemaakte mensen. ‘Iedere moeder in slavernij wist: als je kind is opgegroeid, kan het van je worden afgepakt. Het enige dat je kunt doen is het een naam geven waardoor het voor altijd weet dat hij een ander niet toebehoort. Deze naam zegt: wat ze ook met je doen, je bent en blijft mijn kind.’

Deze geschiedenis vormt onder marrons de basis voor het latere wantrouwen jegens de buitenwereld. Wantrouwen dat er bijvoorbeeld toe leidde dat de Saramakaners het westerse onderwijs lang buiten de deur hielden. Het verklaart volgens Haabo ook waarom het tot op de dag van vandaag verboden is om buitenstaanders over bepaalde goden en gebruiken te vertellen. ‘Saramakaners voelen dat ze hun cultuur en hun godsdienst moeten beschermen tegen witte mensen. En zelfs tegen stadscreolen, omdat zij volgens hen in een erfenis van het slavernijsysteem leven – in een westers, kapitalistisch systeem.’

Dat er diep in de Surinaamse jungle een unieke gemeenschap woonde die in staat was geweest zich volledig af te schermen van westerse invloeden, prikkelde in de jaren zestig de nieuwsgierigheid van twee pas afgestudeerde Amerikaanse antropologen, Richard en Sally Price. Het echtpaar, dat elkaar op Harvard had ontmoet, nam zich dan ook voor om de gemeenschap te bestuderen en een tijd bij de Saramakaners te gaan wonen.

Er waren een paar hobbels die moesten worden genomen. De twee moesten eerst het Nederlandse koloniale bewind om toestemming vragen en daarna ook nog op audiëntie bij gaama Agbago Aboikoni. Deze laatste bleek het lastigst te overtuigen, vertelt Richard Price 56 jaar later. Hij is inmiddels 80, nog altijd samen met de 78-jarige Sally, en ze publiceren nog altijd boeken en artikelen over de marrons.

Na een proefverblijf van twee maanden stemde het opperhoofd toe dat de antropologen vanaf 1966 twee jaar bij de Saramakaners mochten gaan wonen, mits ze de taal leerden én zich volledig aanpasten. Richard moest dus leren vissen en jagen en Sally diende zich eens per maand af te zonderen in de menstruatiehut.

De allerbelangrijkste voorwaarde die Aboikoni stelde was dat ze onder geen beding zouden vragen naar de spirituele oorsprongsverhalen van de stam, de fesiten. Dat zijn de verhalen over de voorouders die de plantages ontvluchtten en hoe zij werden geholpen door natuurgeesten.

Dat de twee Amerikaanse antropologen daar niets over mochten weten, vindt Price logisch. ‘De collectieve identiteit van de Saramakaners is gebaseerd op de tegenstelling vrijheid versus slavernij.’ Het doorgeven van die verhalen is een manier om de gemeenschap te beschermen tegen de witte man, en hun manier om ‘nooit meer’ te zeggen. Nooit meer onderdrukking, nooit meer knechting, nooit meer uitbuiting.

Maar de gedachte dat de Saramakaners de heilige verhalen wel bij het echtpaar Price weg konden houden, bleek een misvatting. Ze kwamen overal in terug: in de dagelijkse gebeden, in spreekwoorden, in heilige liederen, in de rituelen waarmee zieken werden getroost. Regelmatig vertelden dorpelingen in aanwezigheid van Sally en Richard over wind- of watergeesten die ‘op bezoek kwamen’ en het paar maakte zelfs mee hoe dorpelingen werden ‘bezeten’ door voorouders of geesten – een nogal indrukwekkend tafereel voor de twee Amerikanen, maar tamelijk alledaags voor de Saramakaners. ‘We konden er eigenlijk niet omheen’, vertelt Price.

Geleidelijk aan won het echtpaar het vertrouwen van de dorpelingen. En toen Richard Price twaalf jaar later, na nog jarenlang in Nederland archieven te hebben bestudeerd, Agbago Aboikoni een studie in zijn eigen taal overhandigde met daarin enkele oorsprongsverhalen, gunde het opperhoofd hem de grootste eer die hij een witte man kon schenken: Price werd gevraagd chroniqueur te worden en de oorsprongsverhalen in het Engels te publiceren. Aboikoni vroeg Price dit met een reden. Het opperhoofd merkte dat de moderniteit zijn dorp hoe dan ook binnendrong, en dat jongeren hun eigen geschiedenis steeds minder goed kenden. Met de andere ouderlingen besloot hij dat het beter was de geschiedenis op schrift te laten vastleggen.

Price vindt het niet verwonderlijk dat Denussa nog steeds soms als prinses wordt aangesproken, vertelt hij. ‘Het heeft alles te maken met hoe buitengewoon haar overgrootvader was. Hij was de laatste van zijn soort, innemend en geliefd bij alle mensen.’

Zijn precieze geboortejaar is niet bekend, maar Agbago Aboikoni moet ergens rond 1890 geboren zijn. Hij heeft veel gereisd, zeker voor een bewoner van het binnenland uit die tijd. Hij werkte onder andere als vrachtvaarder, matroos en voorman in de houtkap, in Frans-Guyana, Brazilië en Trinidad, en hij had wel zes of misschien meer vrouwen – typisch voor Saramakaanse mannen, aldus Denussa. En dat allemaal voordat hij in 1950 ceremonieel tot gaama werd benoemd.

Uitzonderlijk: Agbago Aboikoni had in de koloniale tijd goed contact met het Koninklijk Huis van Nederland, vertelt antropoloog Price. Hij heeft zowel Wilhelmina als Juliana enkele keren ontmoet. Aboikoni wist goed dat het de Oranjes waren die in 1762 het vredesverdrag tussen het koloniale bewind en de Saramakaners hadden ondertekend, en dat had lange tijd voor rust en vrede gezorgd, legt Price uit. ‘Agbago had een gesigneerde foto van de koningin in zijn raadhuis.’

‘Agbago was zowel op politiek als spiritueel gebied een leider volgens de Saramakaanse traditie’, zegt taalwetenschapper Vinije Haabo. ‘Hij kende de oorsprongsverhalen, kon ze goed vertellen, maar hij wist ook wanneer het in het belang van de gemeenschap was om te moderniseren.’

In hun boek Saamaka Dreaming uit 2017 beschrijven Richard en Sally Price bijvoorbeeld een scène waarin Agbago Aboikoni de dorpelingen weet te overtuigen dat het tijd is om onderwijs van buiten in het dorp toe te laten. Aboikoni, die volgens het boek op dat moment bezeten is door zijn persoonlijke watergeest, vertelt de mensen dat ze ‘zonder een school altijd slaven zouden blijven’ en dat ze niet bang moesten zijn voor alles wat modern is.

Toch was het de moderniteit die de Saramakaners uiteindelijk de das omdeed. De Surinaamse onafhankelijkheid van 1975 kwam vrij abrupt tot stand en waar de marrons met de Nederlandse koloniale overheid inmiddels duidelijke afspraken hadden gemaakt over hun status en landrechten, moesten zij deze positie bij de nieuwe Surinaamse regering opnieuw verdedigen.

Dit ging niet zonder slag of stoot. Zeker niet vanaf het moment dat legerleider Desi Bouterse via een coup in 1980 aan de macht kwam. Het kwam zelfs tot een oorlog tussen de marrons en het leger van Bouterse. Deze Binnenlandse Oorlog hakte erin in de marrongemeenschappen. Niet alleen vielen er veel doden en gewonden, maar ook verhuisden veel Saramakaners in die tijd naar de stad. Zo kon het gebeuren dat er nieuwe generaties opgroeiden zonder kennis te maken met de tradities in de dorpen.

Meer en meer sijpelden ‘moderne ideeën’ de gemeenschappen in het bos binnen: zoals vrouwenrechten en democratische verkiezingen, maar ook corruptie. Agbago Aboikoni sprak er later, omstreeks 1985, vier jaar voor zijn dood, met Richard Price over. ‘Aboikoni was gedesillusioneerd over de onafhankelijkheid en wat die voor de Saramakaners betekende.’

Price geeft Aboikoni gelijk. De marrons van Suriname worden volgens Price al decennialang slecht beschermd door de Surinaamse overheid. Zo slecht dat ze juridisch gezien nog altijd gelden als een van de slechtst beschermde inheemse groepen van het hele continent, vertelt de antropoloog.

Hij heeft de gevolgen van deze slechte bescherming met lede ogen moeten aanzien. De Saramakaners werden ‘geïntegreerd in de wereld die ze ooit als buitenaards beschouwden’, schrijft Price. ‘Een wereld met overheidsscholen, toeristenlodges, Chinese supermarkten, vrouwen die hun borsten bedekken, mannen die jeans dragen in plaats van lendendoeken en de alomtegenwoordige mobiele telefoons.’

De dood van Agbago Aboikoni markeert in vele opzichten een keerpunt in de Saramakaanse geschiedenis, zegt ook Haabo. Het huidige opperhoofd is niet gekozen met hulp van de voorouderlijke geesten, zoals het hoort, maar aangesteld door een niet-marron: oud-president Bouterse. ‘Daar is veel onmin over. Het staat haaks op het hele gedachtegoed, alles waar de Saramakaners voor staan.’

Het was de dood van een andere Aboikoni die Denussa het laatste zetje gaf om het verleden te gaan onderzoeken: de dood van Agbago’s zoon, haar opa Theo Aboikoni.

Theo Aboikoni was voor Denussa de grote link met haar vaders familie. Ze kende hem goed en was erg gek op hem. Hij woonde in Paramaribo en toen ze als kind in Suriname woonde, ging ze vaak bij hem langs.

Later, toen ze in Nederland woonde, probeerde ze hem eens per jaar te bezoeken, als ze ook andere familie in Suriname opzocht. Ze ziet nog voor zich hoe blij hij was als ze het erf kwam opgelopen. ‘Papa Theo!’, riep ze dan. ‘Ja, dat ben ik’, riep hij terug vanaf zijn stoel op de veranda, waar hij altijd zat. ‘Hij had een speciaal soort vreugde als ik kwam. Dat wist iedereen.’ ‘Ik heb veel vrouwen gekend, maar geen van hen overtreft deze’, zei hij over zijn kleindochter.

Twee jaar voor zijn overlijden, in 2019, sprak ze hem voor het laatst. ‘Als ik er niet meer ben, moet je meteen hierheen komen’, had hij gezegd. Ze voelde de zwaarte van zijn woorden.

De dagenlange ceremoniële begrafenis van haar opa in Paramaribo was voor Denussa een openbaring. De Saramakaanse rituelen, de offers, de traditionele kleding, de zang en dans tijdens de ceremonie – het raakte haar in elke vezel van haar lichaam en ze besefte: dit is ook mijn cultuur. Alsof ze zich ineens realiseerde: ik ben ook een marron.

Daags voor de begrafenis had ze zelfs haar eerste spirituele ervaring, vertelt ze. Ze had een droom waarin ze zichzelf in een stof gekleed zag staan in Suriname. De volgende dag stapte ze een stoffenzaak in Paramaribo binnen en ervoer geen enkele keuzestress. Bovenaan, in een van de eindeloze rijen met honderden stofrollen in alle denkbare kleuren en met alle mogelijke patronen, lag een indigoblauwe rol. Ze wist meteen: die stof lag op mij te wachten.

Die spirituele ervaring, de begrafenis, maar ook de spijt die ze voelde omdat ze haar opa de jaren voor zijn dood te weinig had opgezocht, ‘omdat ze te druk met zichzelf was’, maakte dat Denussa in 2019 tegen alle waarschuwingen in besloot dat het tijd was om naar het dorp van haar vader te gaan en zich te verdiepen in de Saramakaanse cultuur en geschiedenis.

Ze begon te bellen met familieleden en vroeg hen of ze met haar wilden praten over het verleden: over die beroemde overgrootvader, haar geliefde grootvader en over haar eigen vader die in de Binnenlandse Oorlog omkwam – want ook over hem weet ze weinig. Niet iedereen zat te wachten op Denussa en haar doortastendheid, vertelt ze. Strijdlustig: ‘Ze zijn niet gewend dat een vrouw doorvraagt, want vrouwen moeten zich onderdanig opstellen. En dat zeggen ze me ook, maar het houdt me niet tegen, hoor. Ik blijf bellen tot ze antwoord geven, al is het maar om van me af te zijn.’

Illustratief is die keer dat ze bij een familielid langsging dat eerder weigerde antwoord te geven. ‘Ik ging voor hem staan en zei: ‘Boe, hier ben ik weer.’ Nou, toen moesten al die mannen wel lachen hoor’, zegt ze. ‘Kijk dan, ze lijkt echt op haar vader. Het is een echte Aboikoni, de voorouders spreken door haar’, bootst ze de verschrikte mannen na, en giert het uit.

De schemering valt en het motorbootje komt aan bij het dorp Asidohopo, het dorp van Denussa’s voorouders, diep in de Surinaamse jungle. In het dorp, waar het huidige opperhoofd Albert Aboikoni woont, is het vandaag feest. De Saramakaners zijn allemaal traditioneel gekleed in geruite pangi’s, omslagdoeken. Het is Saamaka Daka, de dag van de Saramakaners, een feestdag, en in een grote open ruimte vindt net een dorpsvergadering plaats. Er wordt gezongen, ouderlingen betreden het podium. Denussa, net aan wal, staat er een beetje verloren bij, maar is ook gefascineerd aan het kijken.

Het nieuws dat er zojuist een achterkleindochter van de oude Aboikoni is gearriveerd, verspreidt zich als een lopend vuurtje. Zodra het het oor van het huidige opperhoofd heeft bereikt, stapt hij het podium af en loopt op Denussa af. De man, in een naaldboomgroen pak met hoed en omgeknoopte geruite pangi, vraagt de beduusd kijkende Denussa wie haar vader is. Dan volgt een glimlach. ‘Wacht even’, zegt hij.

Met zijn traditionele wandelstok tekent hij hun beider stamboom in het zand, pakt haar arm vast en zegt vervolgens: ‘Je bent familie, wees welkom. Laat niemand je ooit vertellen dat je dat niet bent.’ Achter hem blazen de speakers met 1500 watt Surinaamse muziek door de jungle. Het opperhoofd laat zich direct verleiden tot een soepele dans met een nieuwsgierig toekijkende oudere dame.

Het is een aankomst die haast niet beter had kunnen verlopen. Een groepje jonge meisjes loopt op Denussa af: hoe ze haar hoofddoek heeft geknoopt, hij is práchtig. Denussa straalt van oor tot oor.

Een half uur later, het is inmiddels pikdonker, is er van haar aanvankelijke onzekerheid en schroom niets meer te bekennen. Denussa beweegt met zelfbewuste tred door het dorp, alsof ze nooit ergens anders haar avondwandelingen heeft gemaakt. Het valt ook anderen op. ‘Ben jij Saramakaans? Ben je al getrouwd?’, wordt naar haar geroepen door een man die haar tegemoet loopt. Denussa straalt. ‘Ik ben een Aboikoni’, zegt ze trots.

Een uur later en slechts een paar honderd meter verder vindt weer een bijzondere ontmoeting plaats. Een enigszins beschonken passant – het is tenslotte feest – heeft gehoord van Denussa’s missie en staat erop dat ze meeloopt naar de ‘de antropoloog van het dorp’. Niet veel later staat Denussa tegenover een man die zich voorstelt als Salomon Emanuels. Misschien is het de setting, de duisternis, de lange reis die ze achter de rug heeft of de harde kasekomuziek – een verbastering van het Franse casser le corps, breek het lichaam – op de achtergrond, maar deze man imponeert.

Denussa hangt onmiddellijk aan zijn lippen, zeker als ze ontdekt dat Emanuels haar opa goed heeft gekend. ‘Ben je een kleindochter van Theo? Dat was een vriend van me. Hij kon zo goed verhalen vertellen in de traditie van de Aboikoni’s. De oorsprongsverhalen.’

In dezelfde tijd dat Richard en Sally Price de Saramakaners kwamen bestuderen, vertrok Emanuels uit het dorp om ‘de Europeanen te bestuderen’, vertelt hij. Het was begin jaren zeventig en hij kwam terecht aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. ‘Zij wilden weten hoe wij leefden, maar ik wilde juist weten wat er in de hoofden van Europeanen omging. Ik had op de middelbare school telkens over mijn eigen mensen gelezen dat het weglopers waren. Terwijl ze werden gedwongen om te werken.’

Het maakte Emanuels nieuwsgierig naar de mensen die deze verhalen hadden verzonnen. Zijn oordeel over de Europeanen, na zijn studie? ‘Jullie zijn te emotioneel als het om het verleden gaat. Als iets pijnlijk is, kiezen jullie ervoor om het liever niet te weten.’

Dat hij destijds kon gaan studeren, had alles te maken met Agbago Aboikoni, zegt Emanuels. Die tijd, vlak voor de onafhankelijkheid, was een tijd vol mogelijkheden voor ontwikkeling voor de Saramakaners. Agbago Aboikoni besefte dat de jongeren moesten gaan studeren om terug te keren met hun kennis, zoals hij zelf had gedaan. Met ernstige blik: ‘Daarna is het helaas bergafwaarts gegaan, door de oorlog.’

De ochtend erop gaat Denussa op bezoek bij het het huidige opperhoofd. Ze wil hem vragen naar haar vader, die stierf in 1987, tijdens de Binnenlandse Oorlog.

‘Heeft u mijn vader gekend?’, vraagt ze hem, zachter dan ze normaal gesproken praat, tegenover hem gezeten op zijn veranda. ‘Ja, heel goed,’ zegt de man. ‘Hij was een politieman. Hij is in een hinderlaag terechtgekomen, in die nodeloze strijd. Hij was geliefd bij iedereen – hij was de meest bijzondere Aboikoni na Agbago.’

De Saramakaanse dorpen hebben het zwaar te verduren gekregen in de late jaren tachtig en vroege jaren negentig, vertelt het huidige opperhoofd. De Saramakaners waren net aan het opklimmen, mannen zoals Salomon Emanuels gingen studeren en er werden steeds meer scholen en ziekenhuizen gesticht. ‘Dat kwam voort uit de ontwikkelingsgedachte van Agbago Aboikoni.’

De Binnenlandse Oorlog maakte daar een einde aan. Hele dorpen werden vernietigd, mensen vluchtten weg. ‘Jongens als jouw vader hebben hun leven verloren, en voor wat? Voor niets. We moesten weer helemaal bij nul beginnen. Er waren geen wegen meer, geen vliegveld, niets meer. Er is een hele generatie verloren gegaan’, zegt hij, en is even stil.

Zij die in de stad gingen wonen, kwamen niet meer terug, vervolgt hij. ‘Ze konden niet eens meer zwemmen als ze hier kwamen, kenden de verhalen niet meer. De innerlijke beleving van de groepsidentiteit ging verloren.’ Natuurlijk, zegt hij dan, is het goed dat zoveel marrons nu studeren, ‘en de geest leeft wel in jullie allemaal’, maar het is ook belangrijk dat er contact is. ‘Velen komen niet eens op vakantie.’ En daarom, zegt hij tegen Denussa, ‘is het goed dat jij hier nu bent.’

Denussa’s bezoek loopt ten einde. De laatste stop is Pikin Slee, een groter dorp dan Asidohopo. De Amsterdamse loopt in haar groen geruite pangi langs de verschillende hutjes. Sommige woningen zijn alleen voor vrouwen en kinderen tot 13, andere zijn voor mannen. Er is een voetbalveld, maar ook een menstruatiehut, nog steeds in gebruik.

‘Dit soort dingen’ passen niet zo bij Denussa, zegt ze respectvol maar resoluut. Dat vrouwen minder mogen, dat vindt ze niet meer van nu. Zo mocht ze tijdens haar bezoek aan het dorp van haar voorouders niet naar het graf van haar overgrootvader Agbago omdat ze een vrouw is. Dat vindt ze jammer. En een man met meerdere vrouwen? Nee, dat is ook niet aan haar besteed.

Denussa kijkt om zich heen. ‘Maar ik zie me hier ieder jaar wel terugkomen. Mijn dochter laten zien waar ze vandaan komt. Even weg van Nederland en alle stress, alles wat je moet, de blauwe enveloppen. Hier een maand lang bijkomen en weer bij mijn familie zijn.’

‘En daarna’, zegt ze lachend, terwijl ze naar haar gemanicuurde nagels kijkt, ‘weer met gierende motorboot terug naar de stad.’

De laatste ochtend is haar stemming omgeslagen. Ze zit aan de rivier in haar pyjama en huilt. Ze was gaan mediteren om alles even te laten bezinken, en toen kwamen de tranen. ‘De jongens kwamen me troosten, maar wisten eigenlijk niet wat ze met me aan moesten’, zegt ze, terwijl ze half lachend, half huilend wijst naar de twee dorpsjongens die naast haar zitten en wat onthand toekijken.

Terwijl ze hier zo zat, uitkijkend op de in optrekkende mist gehulde rivier, met de diepe gonzende geluiden van de jungle die haar omringden, moest Denussa aan haar opa denken. ‘Ik heb altijd alleen met hem over mezelf gepraat en daar heb ik nu zo’n spijt van. Ik had nog zoveel van hem kunnen leren, over zijn wereld, zijn leven, over deze plek. Kon ik nu maar even met hem zitten.’

Over deze serie

Dit is de zesde aflevering van een serie interviews over het koloniale verleden van Nederland. De volgende keer: Susi Kleinmoedig (42) en Sinuhe Oomen (52) over de complexe, gemengde samenleving op Curaçao. Dat de Afro-Curaçaose Susi en de joodse Sinuhe een relatie zouden krijgen lag historisch gezien niet voor de hand. Toch vonden ze elkaar: zij die afstamt van mensen in slavernij, en hij wiens geloofsgenoten ‘meesters’ werden genoemd. En Susi werd joods: ‘Toen ik de synagoge binnenkwam, voelde dat alsof ik thuiskwam.’

Met dank aan

Voor dit artikel is onder meer gebruik gemaakt van First Time van Richard Price, Gaama duumi, buta gaama van Ben Scholtens, Gloria Wekker, Laddy van Putten en Stanley Dieko en De geschiedenis van Suriname van Hans Buddingh’. Met dank aan Ank de Vogel-Muntslag, Joney Doekoe en Sylvester Aboikoni.