Op zoek naar zwarte helden

Helden kunnen een volk vervullen van trots, een volk zelfs tot wasdom laten komen, schreef Anton de Kom honderd jaar geleden al. Maar tot frustratie van veel Surinaamse en Antilliaanse Nederlanders is er nog altijd weinig oog voor zwarte helden. Maar wat is precies een held? En wie bepaalt wie een held is?

Redactie

Zojuist heeft Gisèle Mambre (51) op haar computer nog naar een afranseling van een tot slaaf gemaakte man in de serie Roots gekeken. Even daarvoor had de communicatiedeskundige en schrijver op internet al een matige speelfilm over slavenleider Tula gezien. Allemaal in de hoop dat ze de juiste boodschap kan overbrengen. Maar inmiddels komen de woorden vanzelf in haar op.

Criminelen noemden ze ons.

Het is midden in de nacht, een warme zomeravond in juni. Buiten is het stil en binnen in haar Eindhovense nieuwbouwwoning is alleen het getik van de vingers op haar toetsenbord te horen. Lange tijd heeft Gisèle getwijfeld wat ze precies wilde zeggen, welke woorden ze zou kiezen om in een theatermonoloog een van haar favoriete helden tot leven te laten komen: Tula, de leider van de grootschalige slavenopstand in 1795 op de Curaçaose plantage Knip.

Ze geselden mijn broeders en hingen ze aan de galg. Ze radbraakten mijn lichaam, scheidden het van mijn hoofd en voerden het verzwaard met stenen aan de zee.

Voor velen is Tula misschien nog een onbekende, maar voor Gisèle – een hartelijk lachende vijftiger die haar lange rode vlechten in een hoge knot bovenop haar hoofd heeft geknoopt – voelt deze verzetsstrijder bijzonder. Stiekem hoopt ze zelfs dat ze afstamt van de man die in het diepste geheim een opstand organiseerde, en uiteindelijk met tweeduizend tot slaaf gemaakte mensen naar Willemstad trok om vrijheid te eisen. Binnen haar familie gaan er verhalen over hem rond. Er zou een connectie zijn tussen haar voorouders, Tula en diens verzet. Iemand aan de kant van haar oma zou ooit op dezelfde plantage als Tula hebben geleefd. Maar de details hierover? Die kent Gisèle niet.

Ze heeft de verzetsheld, die in oktober 1795 op gruwelijke wijze werd gedood, deze zomeravond zelfs denkbeeldig laten aanschuiven aan haar houten keukentafel, om hem vragen te stellen. Wat zou Tula’s boodschap zijn aan haar generatie? Ze stelt zich hem voor, zittend onder haar kroonluchter: zwarte huid, versleten kleding, intelligente blik.

Maar haar onzichtbare held, een man die bekendstond als een groot redenaar, praat deze avond niet terug. Toch weet Gisèle inmiddels wat ze zeggen wil, welk verhaal ze hem wil laten vertellen in de monoloog die de schrijver op verzoek van Theater voor Keti Koti maakt voor de viering van de afschaffing van de slavernij.

Nu zijn we vrijheidsstrijders, helden van Curaçao, helden van degenen die vandaag nog strijden voor gelijkwaardigheid, voor respect, voor menselijkheid van ieder mens.

Een breder perspectief

Een volk zonder helden is een volk zonder identiteit. Hierover schreef ook de Surinaamse verzetsschrijver Anton de Kom bijna honderd jaar geleden al: ‘Geen volk kan tot volle wasdom komen, dat erfelijk met een minderwaardigheidsgevoel belast blijft.’ En geen beter middel om dit minderwaardigheidsgevoel aan te kweken, schreef hij, ‘dan geschiedenisonderwijs waarbij uitsluitend de zonen van een ander volk worden genoemd en geprezen.’ Hoewel er sindsdien veel veranderd is – De Kom werd in 2020 opgenomen in de Canon van Nederland – komen de Antilliaanse en Surinaamse Nederlanders er toch nog altijd bekaaid van af als het om zwarte, ‘eigen’ helden gaat. Als het nu over slavernij gaat, ‘dan gaat het vooral over slachtofferschap’, zegt Gisèle. ‘Maar ik wil dat er meer aandacht komt voor degenen die in verzet kwamen. Slavernij is niet zomaar afgeschaft.’ Zo heeft Tula’s verzet niet direct geleid tot een einde aan de slavernij, ‘maar hij heeft mensen zich er wel van bewust gemaakt dat ze naar vrijheid konden streven, dat vrijheid veel waard is. Hij stierf ervoor. Hij had een emancipatoire rol.’

‘De behoefte aan eigen helden is gigantisch’, voegt Alex van Stipriaan, hoogleraar Caribische geschiedenis aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, toe. ‘Dat hoor ik echt vaak. Antilliaanse en Surinaamse Nederlanders willen ook erkenning voor hun mensen.’

Daarbij vindt Gisèle dat de geschiedenis ‘nog altijd te veel verteld wordt vanuit het oogpunt van de elite, van de bezetter, en te weinig vanuit het oogpunt van de tot slaaf gemaakte mensen. Ik wil dat meer tot slaaf gemaakte mensen een gezicht krijgen en als helden worden gezien. Daardoor krijg je een breder perspectief op de geschiedenis.’

Om die reden reageerde ze vorig jaar op de oproep van de Volkskrant om de impact van het koloniale verleden te onderzoeken aan de hand van familiegeschiedenissen.

Geweldig zou ze het vinden als ze zou ontdekken dat haar voorouders daadwerkelijk in verzet zijn gekomen en hebben meegestreden met Tula. Al realiseert ze zich dat het lastig zal zijn om dit te verifiëren: in die tijd werden de namen van tot slaaf gemaakte mensen niet altijd geregistreerd, laat staan de details over hun levens. Het is vaak moeilijk om persoonlijke geschiedenissen uit die tijd te reconstrueren.

Daarom heeft ze nog een vraag over haar stamboom. Een heel andere. Deze vraag gaat over een vrouw. Iemand die tot nu toe niet als held is bestempeld, maar die in de ogen van Gisèle misschien wel als heldin kan worden gezien: Jane Sartory. Een onbekende naam in de geschiedenis. ‘Binnen onze familie gaat het verhaal dat we van haar afstammen. Ze zou – denk ik – een tot slaaf gemaakte vrouw zijn geweest, die kinderen kreeg met een bekende Curaçaose militair, Pedro Luis Brion, die meevocht in de Venezolaanse onafhankelijksoorlog tegen de kolonisten.’

Hoe het verhaal over deze mogelijke over-over-over-over-grootmoeder precies zit, weet Gisèle niet. Maar ze is er wel nieuwsgierig naar. Misschien nog wel meer dan naar de link met Tula. ‘Er is te weinig oog voor zwarte helden, en al helemaal voor zwarte heldinnen. Welke rol speelde deze Jane Sartory bij de onafhankelijkheidsstrijd?’

Rolmodellen

Lange tijd werd de vraag naar zwarte helden en heldinnen niet serieus genomen, zegt Karwan Fatah-Black, universitair docent aan de Universiteit Leiden en expert op het gebied van het Atlantische slavernijverleden. ‘Toen het imperium nog bestond werd de koloniale geschiedenis gebruikt om het voortbestaan van het imperium te legitimeren. Het monument voor de houwdegen Jan Pieterszoon Coen werd bijvoorbeeld tijdens de oorlog in Atjeh opgericht.’

Volgens hem zagen publieke historici het als hun plicht ‘om de sociale rust in het imperium te behouden, en dus misstanden onder de pet te houden en onafhankelijkheidsbewegingen tegen te spreken’. En ook nadat de koloniën onafhankelijk werden, was er aanvankelijk weinig aandacht voor het lelijke deel van de geschiedenis. ‘Historici negeerden het.’

Inmiddels is dit aan het veranderen, een geleidelijke ontwikkeling die ingezet is ‘door de generatie voor mij’, zegt Fatah-Black – zelf 40 jaar oud. ‘Die generatie had er niet zoveel moeite meer mee om ruimte te bieden aan andere perspectieven op die geschiedenis.’

‘Maar uiteindelijk is het dankzij een generatie van activistische jongeren gelukt om dat écht tot wasdom te laten komen’, constateert de Surinaams-Nederlandse schrijver Tessa Leuwsha. Niet alleen in Nederland is die kentering te zien. Ook in bijvoorbeeld Suriname is de laatste jaren meer oog voor eigen helden en heldinnen gekomen. Vorig jaar schreef Leuwsha in De Groene Amsterdammer het essay ‘Wij hebben helden, wij bestaan!’. En in april verschijnt haar nieuwe boek waarin dit onderwerp ook aan bod komt. Want, zo stelt Leuwsha, het hebben van helden is noodzakelijk.

‘Als mens moet je rolmodellen hebben, mensen die symbool staan voor wat vorige generaties hebben gepresteerd. Grote namen kunnen je vervullen van trots. Als je die namen niet toelaat en die trots wegneemt bij een volk, dan zullen mensen nooit gaan geloven in hun eigen kunnen.’

Boni de verzetsstrijder

Leuwsha spreekt uit ervaring. Ze is ‘kind van twee landen’: Surinaamse vader, Hollandse moeder. Behalve schrijver is ze ook als cultureel attaché verbonden aan de Nederlandse ambassade in Paramaribo. Ze groeide op in Amsterdam met draadjesvlees, witlof en kaas, heel veel kaas. Over Suriname wist ze eigenlijk niks. ‘Als ik mijn vader vroeger naar Suriname vroeg, was het antwoord steevast: ‘Wat heb je daar nou aan? Er valt niks te zien. Suriname is een kapotte plantage, een land dat niet de moeite waard is om over te vertellen.’ Hij was zelf doordrenkt geraakt van die toen gangbare aanname.’ Ondanks het gebrek aan kennis over het land van haar vader verhuisde ze er bijna dertig jaar geleden naartoe, uit nieuwsgierigheid. Aanvankelijk met de gedachte dat het tijdelijk zou zijn, maar al snel voelde ze zich er thuis.

Afgelopen jaar trok ze voor haar boek over helden het Surinaamse binnenland in. ‘Op zoek naar de mensen die voor ons hebben geleefd en gestreden, op zoek naar de vergeten helden van toen en verborgen helden van nu. Ter inspiratie, om te voorkomen dat we door corona weg zouden zakken in lamlendigheid.’

Zo kwam ze in de dichtbegroeide bossen waar een van haar favoriete helden ooit moet hebben geleefd: Boni. Deze verzetsstrijder – en naamgever van de zogenoemde Boni-oorlogen – zou het kind zijn geweest van een weggelopen, tot slaaf gemaakte vrouw van de plantage Anna’s Burg. Zijn vader was mogelijk een witte man. Eind 18e eeuw groeide Boni uit tot leider van een groep marrons, de gevluchte tot slaaf gemaakte mensen die zich schuilhielden in de moerassen van het oostelijke kustgebied tussen de Cotticarivier en de Atlantische Oceaan.

Jarenlang maakte hij het de kolonisten moeilijk met een guerrillastrijd en inspireerde hij andere tot slaaf gemaakte mensen om ook weg te vluchten van de plantages. Leuwsha: ‘Hij was een geduchte tegenstander van de kolonisten. Hij maakte zelfs een fort, net zoals bakra’s, de witte kolonisten, deden. Het was een goed verborgen fort, waardoor hij hen vaak te slim af was.’ De resten van Fort Boekoe liggen nog steeds ergens verborgen in het oerwoud. ‘Onderzoekers zijn er nog altijd naar op zoek.’

Want werden mensen als Boni voorheen bestempeld als ‘rebellen tegen het koloniale bewind, mensen die je moest opsluiten’, nu worden ze steeds meer gezien als voorbeeld. ‘En dat is ook te merken aan de belangstelling voor zijn fort’, zegt Leuwsha. ‘Hoewel de restanten nog niet gevonden zijn, wordt het wel gezien als bron van het verzet. Sinds een jaar of tien wordt op Surinaamse scholen ook over Boni verteld, dus de jonge generatie kent zijn naam wel. Maar er zijn ook nog veel mensen die nooit van hem hebben gehoord.’

Pedro Luis Brion

Het is zomer, een doodgewone coronathuiswerkdag in augustus, als Gisèle Mambre een Facebookbericht krijgt doorgestuurd van een nicht van haar. Meteen laait in de Eindhovense keuken Gisèles nieuwsgierigheid naar haar mogelijke voormoeder Jane Sartory in volle hevigheid weer op. Op het filmpje is een 97-jarige vrouw te zien, die in het Papiaments haar verhaal doet en met een oud, vergeeld trouwboekje zwaait. Gisèle moet geconcentreerd luisteren om te horen wat de hoogbejaarde vrouw precies vertelt.

Volgens de nicht die dit filmpje aan Gisèle stuurde moet de oude vrouw een ver familielid zijn. Want, zo zegt de bijna 100-jarige vrouw in het filmpje: het vergeelde trouwboekje zou van haar grootvader of overgrootvader zijn geweest, de zoon van Pedro Luis Brion. ‘En dat is dus de bekende militair met wie onze mogelijke voormoeder kinderen had’, zegt Gisèle opgetogen. ‘Brion zou onze voorvader zijn.’

Pedro Luis Brion was een Nederlands-Curaçaose admiraal en koopman die aan het begin van de 19e eeuw geïnspireerd raakte door het Amerikaanse onafhankelijkheidsideaal en de ideeën van Simón Bolívar. Hij werd een van Bolívars geldschieters en vocht mee tegen de koloniale bezetters tijdens de Venezolaanse onafhankelijkheidsoorlog. Over hem is onder meer de biografie Luis Brion, de admiraal-financier (1968) geschreven. Hij zou rijk zijn geweest, vastberaden, maar niet bijzonder sympathiek.

Hoe de stamboomlijnen precies lopen, weet Gisèle niet. Brion was wit. ‘En wij zijn zwart’, zegt Gisèle. ‘Maar dat we van hem afstammen, weet ik zeker. Mijn tante werd namens onze familie altijd uitgenodigd op Brion-herdenkingen op Curaçao. En we hebben ook een achter-achter-achternicht in Venezuela die Brion heet.’ En hoewel ze vroeger op school op Curaçao trots aan de andere kinderen vertelde ‘dat het Brionplein het plein van onze familie was’, is ze nu eigenlijk niet meer zo geïnteresseerd in Brion zelf. ‘Hij is niet mijn type verzetsheld. Hij vocht tegen de Europese onderdrukkers voor onafhankelijkheid en daardoor is hij in landen als Venezuela een held van Zuid-Amerika. Maar hij streed niet tegen slavernij.’

Gisèle is vooral gefascineerd door de spaarzame verhalen die binnen haar familie over Brions vrouw verteld worden. Brion overleed in 1821. ‘Het verhaal gaat dat hij op zijn sterfbed trouwde met Jane Sartory, de moeder van zijn vier kinderen. Hij zou haar ook hebben vrijgekocht.’

Wat Gisèle het liefste wil weten over deze voormoeder zijn de omstandigheden waaronder deze vrouw leefde. ‘Hoe is het haar als tot slaaf gemaakte vrouw gelukt om in het vizier te komen van een hoge militair als Brion? Heeft ze zich verzet tegen slavernij? Welke invloed heeft ze op hem gehad? En welke eigenschappen heeft ze doorgegeven aan andere generaties? Kan ik haar zien als een heldin?’

Een held is ook maar een mens

Tessa Leuwsha begrijpt Gisèles verlangen naar een bijzondere vrouw in de familie goed. Het is een proces dat ze zelf ook doormaakte, een waarin ze zich geleidelijk begon te realiseren dat het ook belangrijk is om alledaagsere heldendaden in het oog te houden.

Zo schreef Leuwsha enkele jaren geleden een ode aan haar Surinaamse oma Fansi, die in 1905 werd geboren. Een wasvrouw die nauwelijks de lagere school had doorlopen, een alleenstaande moeder die moeite had om haar negen kinderen te voeden en een vrouw die op één na al haar kinderen uiteindelijk zag vertrekken naar Nederland.

‘Deze generatie volksvrouwen moest het vaak alleen rooien in een samenleving waarin het gebruikelijk was dat relaties kort standhielden. Mannen trokken weer weg, soms voor werk in de houtkap of goudwinning. Vrouwen bleven met de kinderen zitten. Het was een structuur die nog stamde uit de slavernijtijd, toen het huwelijk tussen tot slaaf gemaakte mensen verboden was en tot slaaf gemaakte gezinnen niet mochten samenleven. Maar het lukte mijn oma wél om al die negen kinderen door school te loodsen, om hen een beter leven te geven. Dat vind ik ook een heldendaad.’

De zoektocht naar zwarte helden, de vraag wie een held is en wie dat bepaalt, is een langzaam rijpend proces, constateert Leuwsha. Een waarin bovendien verschillende fases te onderscheiden zijn. Zo begint het met het ontdekken van een held, om die vervolgens te romantiseren. ‘Na die romantisering komt er ruimte voor humanisering’, vervolgt Leuwsha, ‘en moeten we op zoek naar wie die helden echt waren.’ Want de daden van een held oogsten misschien wel bewondering, ‘maar een held is ook maar een mens – niemand is alleen maar goed.’

Zo viel ‘haar’ held Boni geregeld plantages aan, op zoek naar wapens en in de hoop dat andere tot slaaf gemaakte mensen zich bij hem aansloten. ‘Bij die aanvallen kwamen ook slavenhouders, hun vrouwen en kinderen om het leven. Hij streefde zijn doel na. En hij deed daarbij ook slechte dingen.’

Er is nog een laatste fase in de zoektocht naar nieuwe helden, vindt Leuwsha: de erkenning van alledaagse helden, zoals oma Fansi. ‘We denken te snel aan grote namen.’

Het alledaagse, kleine verzet in tijden van slavernij was misschien wel net zo moedig en belangrijk, voegt hoogleraar Alex van Stipriaan toe. ‘Denk aan de kleine man of vrouw die zand in de suikerketel gooide om de productie te laten mislukken.’ Het enige probleem met zulke verzetsdaden is dat ze vaak niet terug te vinden zijn in de archieven. De acties van Boni zijn wél beschreven door de kolonisten, omdat ze het tegen hem moesten opnemen. ‘Maar de schuur die opeens afbrandt, of de zak koffiebonen die vol zit met stenen, die dingen zijn nooit genoteerd.’

Daarom is Van Stipriaan eigenlijk geen voorstander van helden, het op een voetstuk plaatsen van een enkeling. ‘Want iedereen die tegen de stroom in is gegaan, is wat mij betreft een held’, zegt hij. ‘Dat betekent dat je geest niet tot slaaf gemaakt was, dat je – ondanks de gruwelijke omstandigheden – je eigen vrijheid en menselijkheid probeerde te behouden.’

Het verhaal van Jane Sartory

Gisèle Mambre is naar Amsterdam gekomen, voor een laatste afspraak met de Volkskrant. Het is inmiddels december. In de afgelopen maanden hebben meerdere deskundigen op verzoek van de krant naar haar vragen over Jane Sartory gekeken. Het bleek een lastige opgave. Maar nu ligt er wel een resultaat.

Het is alleen niet het resultaat waarop Gisèle had gehoopt. ‘Ik had graag het klinkende bewijs willen zien, het zwart-op-wit willen hebben dat we afstammen van Jane Sartory. En ik had graag meer willen weten over haar leven.’

Uit de gevonden gegevens blijkt dat een link tussen haar en Pedro Luis Brion en Jane Sartory niet vast te stellen is. Wel blijkt dat Jane Sartory daadwerkelijk heeft bestaan. Niet op Curaçao, maar op het eiland Margarita. Ook klopt het dat deze Jane kinderen heeft gekregen van Pedro Luis Brion, maar voor zover bekend zijn ze nooit getrouwd. Verder blijkt nergens uit dat Jane Sartory een tot slaaf gemaakte vrouw was, of door Brion is vrijgekocht. Het is bovendien niet helemaal helder of ze daadwerkelijk Jane Sartory heette; ook de naam ‘Jannette Sarturia’ komt voor in een van de boeken over Brion.

Het is een uitkomst die Gisèle niet had verwacht. Ze kijkt teleurgesteld. ‘Ja, dat ben ik ook wel een beetje.’ Binnen haar familie is het verhaal over Brion altijd met veel stelligheid verteld. ‘En die uitnodigingen voor herdenkingen aan mijn tante zullen toch ook niet zomaar zijn geweest. Dus er moet een link zijn.’ Ze kan het de tante alleen niet meer vragen, daarvoor is zij inmiddels te dement.

Maar het onderzoek leverde niet alleen gegevens over Jane Sartory op. Er liggen meer namen op tafel voor Gisèle: Maria Ursla, Bernardina, Leolina. Allemaal vrouwen, allemaal tot slaaf gemaakt. Het zijn namen van vrouwen van wie wél met zekerheid kan worden vastgesteld dat Gisèle ervan afstamt.

De stamboom begint eind 18e eeuw: met Maria Ursla, bezit van Rijnitita Theodora senior. De geboortedatum en ouders van Maria Ursla zijn onbekend, maar duidelijk is wel dat ze in 1794 of 1796 een dochter krijgt op Curaçao: Bernardina. Wie de vader is, is onbekend. Bernardina krijgt ook weer een dochter, Leolina, in 1837 of 1838. Ook nu weer wordt de naam van de vader nergens genoteerd. In 1843 sterft Maria Ursla, datzelfde jaar worden Bernardina en de kleine Leolina verkocht aan een nieuwe eigenaar, ene W.H. Gorsira. Na zijn overlijden komen de vrouwen in het bezit van zijn weduwe, en dat blijven ze tot 1863, als de slavernij wordt afgeschaft.

‘Pff, eigenlijk vind ik het wel heftig om al die namen te zien’, zegt Gisèle. Ze kijkt even stil voor zich uit. ‘Deze vrouwen hebben generatie op generatie in slavernij geleefd. Maar ze hebben wel hun kinderen grootgebracht. Ze zijn doorgegaan, ondanks de barre omstandigheden. Ja, dat maakt hen toch eigenlijk ook wel tot helden.’

Voor dit artikel is onder meer gebruik gemaakt van ‘Luis Brion, de admiraal-financier’ van Johan Hartog en ‘De geschiedenis van Suriname’ van Hans Buddingh’. Daarnaast hebben Ank de Vogel-Muntslag, Coen van Galen en Christel Monsanto geholpen bij de zoektocht van Gisèle Mambre.

Meer over