designinterview

Op safari met dierentuinontwerper Thijs de Zeeuw: ‘Het is hier een Prins Clausplein voor dieren’

Je moet dieren niet te veel sturen, vindt hij. ‘Laat ze zelf kiezen hoe ze hun omgeving ­willen gebruiken.’ Een dag op safari door Nederland dierenland met Thijs de Zeeuw, landschaps-architect en dierentuinontwerper.

Thijs de Zeeuw duikt ’s ochtends vroeg naar rifkorven, betonnen bollen als schuilplaats voor kleinere vissen, die in Noorder IJ-plas bij gemaal zijn geplaatst. Beeld Hans van der Meer
Thijs de Zeeuw duikt ’s ochtends vroeg naar rifkorven, betonnen bollen als schuilplaats voor kleinere vissen, die in Noorder IJ-plas bij gemaal zijn geplaatst.Beeld Hans van der Meer

‘Kom, we gaan op bezoek bij de snoek’, zegt landschapsarchitect Thijs de Zeeuw. Hij trekt zijn snorkel recht en duikt kopje-onder in de Noorder IJ-plas. Het is amper 7 uur ’s ochtends en de eerste zonnestralen zorgen onder water voor een sprookjesachtig licht. Tussen de waterplanten schieten stekelbaarsjes en voorntjes weg (geen snoek overigens). Plat op de ongeveer 2 meter diepe bodem liggen langs de oever twee halfronde betonnen bollen met kleine gaten, precies groot genoeg voor visjes. In deze rifkorven wachten ze, veilig en beschut tegen snoeken, voor de vispassage. Via dit deurtje in de dijk kunnen ze van het brakke water van het Noordzeekanaal naar de zoete Noorder IJ-plas zwemmen. ‘Zo’n rifkorf is dus eigenlijk een wachtkamer voor de driedoornige stekelbaars en andere migrerende vissen’, vat De Zeeuw later samen.

Thijs de Zeeuw (45) studeerde in 2011 als landschapsarchitect af aan de Academie van Bouwkunst in Amsterdam en hij ontwierp dierenverblijven voor Artis, waaronder de olifantensavanne. Naast zijn werk voor dierentuinen werkt De Zeeuw als zelfstandig landschapsarchitect aan projecten waarbij de mens en ecologie centraal staan.

De Noorder IJ-plas ligt ingeklemd tussen de Amsterdamse ringweg A10, de A8 naar Purmerend en de Amsterdamse havens. Zelfs in de vroege ochtend zorgen de omliggende Zaanse houtfabrieken en havenkranen, het autoverkeer en de overvliegende Boeings voor een dreinende zoemtoon. Waarom uitgerekend in dit antropocene industriële landschap al die moeite doen om de driedoornige stekelbaars te faciliteren? ‘Met z’n hoevelen leven we in Nederland?’, is de wedervraag van De Zeeuw. Om zelf het antwoord te geven: ‘Met een paar miljard! Waarom zou dit landschap er dan alleen voor de mens zijn? De Noorder IJ-plas is afgegraven voor zand dat nodig was voor onder meer de aanleg van de A10 en is in het midden wel 30 meter diep. Daardoor is de biodiversiteit hier nogal dun. Een vispassage, rifkorf en opgehoogde bodem verbeteren het leefklimaat en daarmee de diversiteit. Daarover hebben we tenslotte met z’n allen afgesproken dat we dat willen.’

Poldersafari

Nederland ligt vol met dit soort ontwerpen voor dieren, die je pas ziet als iemand je daarop attent maakt. Aan de hand van een poldersafari langs snelwegen, vinexwijken en industrieterreinen maakt landschapsarchitect De Zeeuw ze voor mij zichtbaar. Rijdend langs het woud aan hoge kantoren op de Amsterdamse Zuidas: ‘Daar op de ABN Amro-toren broedt een slechtvalkenpaar in een speciaal aangelegde holte. Een penthouse eigenlijk.’ Iets verderop op een ventweg: ‘Kijk, daar hangt in de boomtoppen een loopbrug over de weg voor eekhoorns.’ Waarna hij omlaag wijst naar een drijvende groenstrook in een van de aangelegde grachten tussen de hoogbouw: ‘Een looppad voor amfibieën om naar de andere kant van de weg te komen. Het is hier net een Prins Clausplein voor dieren.’

Dit maakbare dierenlandschap draagt ambtelijke namen als de fup (afkorting van ‘fauna uittreed plaats’), een schuine helling in de oever van het Amsterdam-Rijnkanaal waarover kleine en grote zoogdieren, zoals egels of herten, uit het water kunnen klimmen. Nog prozaïscher is de KL.D400, een verdiepte prefab betontegel met luchtgaten waardoor padden of ringslangen veilig onder een autoweg of fietspad kunnen oversteken. Voor elke ‘doelsoort’ een ander ontwerp. Op de landkaart vallen die niet toevallig samen met verkeersknooppunten en stadsranden. Immers, in de natuur kan een dier zich prima redden. De Zeeuw: ‘Pas als een natuurlijke balans is verstoord door de mens, is een ontwerp voor dieren nodig. Als een plas te diep is afgegraven bijvoorbeeld.’

Thijs de Zeeuw demonstreert de werking van een FUP, een fauna uittreedplaats. Grotere zoogdieren zoals bv reeën kunnen zo makkelijker aan land komen.  Beeld Hans van der Meer
Thijs de Zeeuw demonstreert de werking van een FUP, een fauna uittreedplaats. Grotere zoogdieren zoals bv reeën kunnen zo makkelijker aan land komen.Beeld Hans van der Meer

Of als er een snelweg door een natuurbos is aangelegd. Dus loopt over de A1 bij Bussum nog een ándere zesbaanssnelweg: Natuurbrug Laarderhoogt. Niet alleen dit ecoduct zelf is een vernuftig ontwerp van beton met bladmotief, ook het landschap erbovenop is minutieus gepland. Links loopt een hoge bomenhaag voor boomdieren en vleermuizen. In het midden is een open veld voor groot wild. Daarnaast ligt een lager struikgewas voor kleine zoogdieren. Voor amfibieën zijn waterplassen aangelegd. De mens heeft een eigen fietspad en helemaal aan de rand is er een zandpad voor paarden. Alleen honden mogen er niet overheen, hun geur schrikt het wild af. De Zeeuw: ‘Zelfs voor het dierenrijk hanteren we een strikt bestemmingsplan, waarbij is afgebakend welke plek voor welk dier is bestemd.’

Vier touwen

15 kilometer verderop, naast de A27 bij Hilversum, lopen vier touwen van de grond naar de top van een verkeersportaal over de snelweg. ‘Hiermee kunnen boommarters en eekhoorntjes de weg oversteken.’ Over de dikte en de bolling van het touw is waarschijnlijk zorgvuldig nagedacht. Bovenop het portaal ligt zelfs een tunneltje. De Zeeuw, verbaasd: ‘Alsof een eekhoorn niet over een halve meter brede balk kan lopen!’ Hij vindt deze ‘overbezorgdheid’ van de mens ‘vertederend’. Maar zijn deze geldverslindende projecten dan niets meer dan het afkopen van ons schuldgevoel over de verwoestingen die we aanrichten? Een cynische suggestie die hij direct wegwuift. ‘Het bevestigt juist dat we te weinig rekening houden met dieren om ons heen.’

Sporen zoeken bij faunapassage over de A27 voor boommarters en eekhoorns.
 Beeld Hans van der Meer
Sporen zoeken bij faunapassage over de A27 voor boommarters en eekhoorns.Beeld Hans van der Meer

De impact van deze ingrepen laat zich nu eenmaal lastig kwantificeren. ‘Eén hert dat de A1 oversteekt kan al een verschil maken, want genetische uitwisseling met soortgenoten in een ander territorium is essentieel voor de vitaliteit van de soort.’ Even later, snuffelend aan een faunatunneltje van een centimeter of 40 onder de snelweg: ‘Deze wordt echt wel gebruikt hoor. Overdag zie je nu eenmaal geen dieren.’ Om vervolgens te vragen: ‘Wanneer heb jij voor het laatst een levend dier aangeraakt dat geen huisdier was?’ Waarmee hij eigenlijk bedoelt: we hebben dieren uit ons dagelijks leven verbannen. ‘Je kunt je afvragen of dat tunneltje op het verkeersportaal is aangelegd voor de eekhoorn of voor de automobilist, die geen barst in zijn voorruit wil van een vallend dier.’

Thijs bij de ingang  van de faunatunnel in Hilversum. Beeld Hans van der Meer
Thijs bij de ingang van de faunatunnel in Hilversum.Beeld Hans van der Meer

Met zijn ontwerppraktijk wil De Zeeuw deze verstoorde relatie tussen mens en dier herstellen door ‘ontmoetingen te ensceneren’. Zo is hij een van de weinige ontwerpers voor dierentuinverblijven in Nederland. Onder meer de olifantensavanne en nog vijf andere dierlandschappen in Artis zijn van zijn hand. Lange tijd was het imiteren van de natuurlijke leefomgeving van het dier daarbij het uitgangspunt. ‘Maar deze olifanten zijn Amsterdammers’, lacht De Zeeuw. ‘Ze zijn hier geboren.’ Dus ontwierp hij een abstract stadslandschap met grove betonplaten. Aangezien olifanten niets liever doen dan hun huid schuren heeft elke betonplaat ander oppervlak, van ruw tot glad. Ook verschillen de platen van kleur, zodat ze meer of minder opwarmen. ‘Verveling is een van de grootste stressfactoren voor dieren. Dat kan worden voorkomen met afwisseling en positieve prikkels. Daarom wordt tussen de betonplaten eten verstopt, zodat ze moeten scharrelen.’ Het is kortom ‘een tiny house voor olifanten met alle voorzieningen’.

Krokodillenbassin

Bezoekers spelen eveneens een belangrijke rol in zijn ontwerp. Dwars door de savanne loopt een verdiepte brug. ‘Daarin kijken bezoekers juist tegen de olifant op, wat ook weleens goed is.’ Als het dier in het water springt, klotst het water over de rand van de ‘brug’, waardoor de bezoekers gaan gillen en joelen. ‘Daarmee is de macht van de olifant vergroot tot buiten zijn leefgebied.’ Bij het krokodillenbassin plaatste hij een kleine drempel tussen de betonvloer en het glazen hek. Daar kan de krokodil zijn bek op leggen. ‘Bezoekers vinden dat geweldig, zo’n 4 meter lang roofdier met zijn bek bij hun voeten.’

Is dat allemaal niet veel te veel vanuit de mens gedacht? ‘Nou en of’, lacht De Zeeuw. ‘Maar wat moet je anders? Je kunt een dier niet vragen wat hij prettig vindt. Bovendien verschillen dieren onderling enorm in gedrag. De ene olifant is ondernemend en vindingrijk, de andere juist sloom en wat dommig. Je merkt vanzelf wat wel of niet werkt, want een dier is genadeloos. Iets te weinig licht, te veel vocht of zelfs het kleinste beetje magnetische straling van elektriciteit en de dieren hebben er last van. Sommige dieren passen zich niet zo snel aan. Gewoontedieren, hè. Andere soorten verrassen en zijn juist opportunistisch. Neem de wolf, die opeens terugkomt naar ons dichtbevolkte land.’

Het olifantenverblijf in Artis Beeld Hans van der Meer
Het olifantenverblijf in ArtisBeeld Hans van der Meer

Ontwerpen voor dieren is dan ook een weloverwogen gok, aldus De Zeeuw, die inmiddels een geschoold amateurbioloog is. ‘Weten wat je niet weet, dát is belangrijk. En dat dan gewoon vragen aan iemand die het wel weet.’ Of net zo lang observeren tot je het doorhebt. Daarbij, de basisbehoeftes van mens en dier verschillen nauwelijks. ‘Slapen, veiligheid, beschutting, seks en vooral eten.’ Op het bezoekerspad naast de olifantensavanne plaatste hij ook enkele betonblokken. ‘Zo grappig, mensen gaan daar, net als de olifanten, op staan of tegenaan leunen.’ Bovendien passen mens en dier zich voortdurend aan elkaar aan. ‘Je kunt je afvragen of de mens wel boven het dier staat. Iemand die zijn hond uitlaat, loopt er eigenlijk slaafs achteraan, raapt zijn stront op en geeft het een hondenkoekje zodra het enthousiast blaft. Wie is hier nou de baas?’

Palingkooien

Als zelfbenoemd ‘natuuroptimist’ pleit De Zeeuw voor minder betutteling en controle van de natuur, dieren in het bijzonder. ‘Misschien moeten we de stad zien als een vrijwillige dierentuin waarin mens en dier gelijkwaardig zijn.’ Op uitnodiging van het Amsterdamse architectuurcentrum Arcam – schuin tegenover Centraal Station – gaat De Zeeuw ‘in gesprek met de paling’. Op het Binnen-IJ drijft nu een zestal gele boeien, die markeren waar grote metalen kooien op de bodem liggen. ‘Dit is brak water met relatief weinig leven. Het is een woestijn daar. In deze kooien kan de paling naar voedsel scharrelen.’ Door hun aantallen en gedrag te monitoren wil De Zeeuw achterhalen wat deze zwaar bedreigde diersoort prettig vindt. ‘Hoe moet hun huis eruit zien? Wat willen ze eten?’ Wie weet kunnen Amsterdammers door de verbeterde waterkwaliteit straks op bezoek komen in dit toekomstige palingpark. ‘Hoe leuk is dat, snorkelen in eigen stad.’

Een ontwerp voor dieren mag gerust tegelijkertijd entertainment zijn, zegt De Zeeuw. Kijk daarvoor maar eens op zijn vrolijke Instagramaccount @Natureoptimist. Een aanwinst voor de stad vindt hij het modieuze vogeleiland in het Vondelpark, een gedurfd dierontwerp van het talentvolle architectenbureau Studio Ossidiana. In een vijver drijft een ronde bak van roestig cortenstaal, met daarop een fictieve skyline van bomen, schoorsteenpijpen en hijskranen. Een jonge meerkoet ploft tegen de net te hoge rand. Dit is duidelijk meer een designobject dan een ecologische vrijplaats. ‘Is dat erg? Dit is in de eerste plaats voor ons ontworpen, om naar te kijken. Maar het werkt wel want ik zie eenden en meerkoeten.’ Op dat moment landt een kraai op de hoge ooievaarkorf. ‘Die is sowieso te klein voor een ooievaarsnest. En die scherpe punten op de rand zijn misschien niet zo’n goed idee. Maar als kraaien het wél een fijne plek vinden, prima toch.’ Maar wat als alle vogels dit architectonische kunstwerk mijden? ‘Ach’, relativeert De Zeeuw, ‘gewoon wat voer erop leggen. Dan komen ze geheid.’

Krokodil

Je moet dieren niet te veel sturen, is zijn overtuiging. ‘Het gaat er om dat je gelegenheden creëert voor dieren om zelf te kiezen hoe ze hun omgeving gebruiken.’ Zo had hij bij de inrichting van het Artis-verblijf voor de ‘onechte gaviaal’ bedacht dat deze krokodil het wel fijn zou vinden als er een regenseizoen zou zijn, net als in zijn natuurlijke leefomgeving in Indonesië. ‘Maar telkens als de sprinkler in zijn verblijf aanging, kroop dat dier naar het enige droge plekje.’ Weer die vraag: ‘Is dat erg? Hij heeft nu in elk geval de keuze om droog te liggen.’

Thijs inspecteert gebruik amfibieëntunnel, waar onder andere padden en ringslanngen gebruiken van maken. 
 Beeld Hans van der Meer
Thijs inspecteert gebruik amfibieëntunnel, waar onder andere padden en ringslanngen gebruiken van maken.Beeld Hans van der Meer

Volgens dit ontwerpprincipe van ‘affordances’ waarbij dieren zich een door de mens ontworpen landschap op een natuurlijke manier kunnen toe-eigenen, heeft hij als opdracht voor een nieuw luxehotel aan het Oosterpark in Amsterdam een open volière bedacht. ‘Waarom zou je dieren opsluiten als ze vrij kunnen rondvliegen? Dus heb ik een kooi ontworpen waarin de vogels die al in dat park leven, kunnen foerageren. Een vogelhotel eigenlijk. Dat vond de opdrachtgever meteen een leuk idee.’ De vraag is alleen: wat voer je die vogels dan? ‘Want je wil geen ratten aantrekken natuurlijk.’ Wat dan weer ethische vragen oproept. Welke dieren tolereren we wel en welke niet? Onze opvatting daarover verandert ook nog eens voortdurend. ‘Die groene halsbandparkieten vonden we eerst schattig. Nu vindt men dat het er te veel en zijn het opeens ‘invasieve exoten’.’

Ingreep

Na een lange dag geniet De Zeeuw van een biertje op een terras in Amsterdam-Noord. Bij een safari hoort een sundowner tenslotte. Hij wijst omhoog naar de dakgoot van een pas gerenoveerd woningcomplex in de vooroorlogse Van der Pekstraat. In de houten bekisting zijn om de 10 meter kleine ovalen gaten aangebracht. ‘Met een minimale ingreep is een wijk van vijftienhonderd woningen voorzien van vogelhuisjes. Fantastisch.’ Een klein gat in de muur, meer hoeft een goed dierontwerp niet te zijn. ‘Laat dat dier het zelf maar een beetje uitzoeken. Hij weet tenslotte het beste wat-ie wil.’

Meer over