Op pad voor de heilige roomse kerk

Bedevaarten zijn in, heiligen zijn in en engelen zijn zelfs zeer in. Op de tentoonstelling Bedevaarten in Nederland in het Catharijneconvent te Utrecht komt jong volk af dat zich wil laten betoveren door fluorescerende Mariabeelden....

VERREWEG het merkwaardigste onderdeel van de tentoonstelling Bedevaarten in Nederland is in Gouda gebakken Engels serviesgoed, in de achttiende eeuw gemaakt voor bedevaartgangers naar Maria in Kevelaer. Daarop staat de Heilige Maagd afgebeeld met ontblote borsten. Niemand weet precies waarom Maria zo is weergegeven. Vermoedelijk geeft het aan dat zij haar goddelijke zoon te drinken geeft (Maria lactans). Maar hoe dan ook, in de catalogus wijzen de samenstellers er wat streng op dat zo'n afbeelding 'geheel niet past in de iconografie van dit genadebeeld'.

In het bedevaartsoord zelf zat men daar niet zo mee. Ironisch genoeg duurde het tot de swinging sixties voordat het servies als onfatsoenlijk werd bestempeld. Tot 1964 werd het servies in het Priesterhuis in Kevelaer gebruikt en verdween daarna in het plaatselijk museum.

Voor de net geopende expositie in Museum Catharijneconvent blijkt grote belangstelling. 'Op zaal lopen doorgaans opvallend veel jongeren', zegt W. van der Vlis, medewerker van het museum. 'Het zijn niet zozeer gelovigen. Die jongeren komen op de camp af, de roomse kitsch rond bedevaarten die we hier ook hebben getoond.'

Maar vandaag zien we vooral ouderen die Bedevaarten in Nederland bezoeken. Groepjes dames vooral. Voor hen is het af en toe een feest der herkenning, bedevaarten als symbool van het rijke roomsche leven. Haast vanzelfsprekend is de presentatie fraai en zijn de kunstvoorwerpen en tentoongestelde boeken mooi, imposant of curieus. Maar er is een aardig evenwicht gevonden tussen kunst en kitsch, tussen prachtige houten beelden uit de zestiende eeuw en houten koekvormen waarin koeken werden gebakken voor de bedevaartgangers, tussen middeleeuwse pelgrimstekens en autostickers uit 1995 met de tekst 'Kevelaer Mater Dei Memento Mei'.

De wat luchtiger aanpak blijkt ook uit de inrichting van de videohoek, waar een overzicht wordt gegeven van decennia bedevaarten in Nederland: naast de monitor staan batterijen verlichte kruisjes. Bovenin staat een legioen fosforescerende Maria-beelden in slagorde opgesteld. Bij de ingang van het Utrechtse museum kunnen bezoekers die beeldjes en kruisjes ook kopen, evenals kaarten uit het bedevaartsoord Kevelaer, koeken (houdbaarheidsdatum zes maanden) of bedevaartsvaantjes.

Zowel nostalgische katholieken als jongeren met gevoel voor kitsch kopen de spullen gretig. Er moet iets zijn veranderd in het museale beleid nu er voor vijfentwintig gulden posters te koop zijn van Jezus en Maria, die boven de officiële publicaties van het museum hangen. Tot voor kort waren deze parafernalia van het roomsche leven alleen in volle glorie te zien op toogdagen van behoudende katholieken.

Dat is een groep die nog bij voorkeur naar Kevelaer gaat, zoals blijkt uit een fotoserie van Ineke Albers. Zij volgde twee jaar lang bedevaartgangers naar Kevelaer. Daarop zijn alle fasen van voorbereiding te zien voor de bedevaart. Onder de gewone gelovigen bevindt zich ook de hoogbejaarde mgr. Hendriksen, oud-hulpbisschop van Utrecht en nestor van behoudend rk-Nederland.

Hij wordt vergezeld door dr. N. Stienstra, voorzitter van het Contact Rooms-Katholieken (CRK), bolwerk van katholieken die in alles de paus en de bisschoppen zeggen te volgen. Merkwaardig genoeg ontbraken de bisschoppen bij de opening van de tentoonstelling. Ze gaan misschien liever incognito op bezoek.

Kevelaer staat voor een ouderwets roomse bedevaart. Hoewel het oord weliswaar in Duitsland ligt, wordt het volgens de samenstellers toch tot Nederland gerekend omdat het wordt overspoeld door Nederlandse bedevaartgangers. In de zeventiende eeuw viel het onder het bisdom Roermond, op dat moment deel van de Zuidelijke Nederlanden. De vele wonderen die er zouden hebben plaatsgevonden, waren in de ogen van de katholieke gelovigen evenzovele bewijzen van het ongelijk van de calvinisten die in de Noordelijke Nederlanden de macht in handen hadden. De belangstelling voor Kevelaer bleef, met een korte inzinking in 1970, al die tijd groot. De samenstellers noemen Kevelaer dan ook het enige nationale bedevaartsoord.

Voor de groeiende groep niet-katholieken is het karakter van de bedevaart geheel veranderd, menen de samenstellers van de tentoonstelling C. Staal en M. Wingens. Zij gaan op reis, zo constateren zij, met een andere instelling dan vroeger. Vroeger werden de bedevaartsoorden vooral bezocht in de hoop op goddelijke bijstand en genezing. Het waren plekken waar het heilige tastbaar en voelbaar aanwezig was. Daarnaast was de tocht er naar toe minstens zo belangrijk als het verblijf. De bedevaart was een boetetocht waarmee de zondaren zich van hun zonden schoonwasten.

En, ook niet onbelangrijk, de tocht was voor velen een mogelijkheid met anderen op reis te gaan naar nieuwe oorden om zo de sleur van alle dag achter zich te laten. De bedevaartganger van vandaag ontleent eerder geestelijke inspiratie aan de tocht zelf dan aan de plek van aankomst, aldus de samenstellers: 'Jongeren en vitale VUT'ers trekken de wandelschoenen aan en zetten koers naar dichtbij en verafgelegen bedevaartsoorden. Niet alleen innerlijke reflectie blijkt daarbij een doel te zijn, even vaak legt de sportieve prestatie gewicht in de schaal'. Wie kent niet iemand die te voet of fietsend naar Santiago de Compostela is geweest?

Maar is er wel zoveel veranderd? De belangstelling voor de grote buitenlandse bedevaartsoorden in Jeruzalem, Rome en vooral de grote Maria-oorden als Lourdes, Fatima, Banneux en Beauraing is nooit afgenomen, constateerde liturgiewetenschapper P. Post van de theologische faculteit Tilburg in zijn openingswoord bij de expositie.

Deze oorden bleven trekken, ook tijdens de zogeheten secularisatie vanaf de jaren zestig. De belangstelling groeide zelfs en er kwamen nieuwe oorden bij, zoals Medjugorje. Daarnaast zijn bezinning en distantie van het alledaagse leven altijd belangrijke ingrediënten geweest voor een bedevaart. Toen en nu.

Bedevaarten zijn in, heiligen zijn in en engelen zijn zelfs zeer in. Maar omdat engelen zich moeilijk lenen voor een tentoonstelling, hebben drie musea gekozen voor heiligen. Het Catharijneconvent richt zich op bedevaarten naar heiligen in Nederland, het Museum voor Religieuze Kunst in Uden op heiligenverering - 'met heiligen het jaar rond' - en het Museum Meermanno-Westreenianum in Den Haag op heiligenverhalen, de zogeheten Legenda aurea, Gouden Legenden.

Aanleiding voor de drie tentoonstellingen is de nog te verschijnen vertaling van deze middeleeuwse bestseller van Jacobus de Voragine. Daarnaast sluit de tentoonstelling in Utrecht aan bij een project van het P. J. Meertens-Instituut in Amsterdam waar een encyclopedie Bedevaartplaatsen in Nederland in de maak is. Het eerste deel verschijnt binnenkort.

Opvallend genoeg komen op de tentoonstelling 's lands bekendste heiligen - de kerstenaars van de Lage Landen - Willibrord, Liudger en Bonifatius niet aan de orde. De in Friesland sterk levende kwestie 'Dokkum, een Moordstad?', compleet met speurtochten naar de ware plek waar de heilige zou zijn vermoord, komt ook niet ter sprake. Het brood van een gierige vrouw dat hij in een steen zou hebben veranderd, bleef bewaard bij een Dokkumse pastoor en is niet in Utrecht te zien.

Daar staan andere fraaie voorwerpen tegenover die te maken hebben met bedevaarten naar vijf andere plaatsen: Rhenen, Heiloo, Den Bosch, Brielle en Kevelaer. Staan Kevelaer, Den Bosch en Heiloo in het teken van de Maria-verering, Rhenen heeft de heilige Cunera terwijl Brielle de negentien martelaren van Gorkum kende. Uit de huiscollectie van het museum komt het worgdoek van Sint-Cunera, een uit Egypte afkomstig linnen doek uit de vierde eeuw. Tot de restauratie in 1972 zat het onder de bloedvlekken.

Waarschijnlijk werd het doek gebruikt om wonden te bedekken, die de heilige vervolgens zou genezen. Volgens de overlevering werd Cunera met dit doek gewurgd. Op de tentoonstelling staan een aantal houten beelden van de heilige, beschermster van mensen met keelklachten. Eén daarvan heeft twee gaten in de rug. Het beeld werd lange tijd voor dat van een engel gehouden. Maar tijdens een recente restauratie is het zestiende-eeuwse beeld ontdaan van zijn vleugels.

De geschiedenis van de bedevaarten in Nederland is in drie periodes ingedeeld: de bedevaart naar de H. Cunera in Rhenen en naar het Maria-beeld in de Sint-Jan van Den Bosch geven een beeld van middeleeuwse pelgrimages. De Maria-verering bereikt in de veertiende en vijftiende eeuw een hoogtepunt.

De Reformatie bracht de pelgrims in het nauw; in 1580 was het in Rhenen afgelopen, katholieken moesten uitwijken of gingen ondergronds. Het Maria-beeld uit de Sint-Jan werd twee dagen voor de inname van Den Bosch in 1629 in veiligheid gebracht. Via Antwerpen ging het op verzoek van aartshertogin Isabella, landvoogdes van de Zuidelijke Nederlanden naar Brussel. Daar bleef het tot 1853, het jaar waarin de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland werd hersteld.

De martelaren van Gorkum, negentien geestelijken die door de Geuzen bij Brielle in 1572 werden opgehangen, groeiden uit tot hét symbool van de verdrukking door calvinisten. De rk-kerk stimuleerde in de tweede helft van de negentiende eeuw bedevaarten naar Gorkum in de hoop dat het vaderland vanuit deze plek weer tot het rk-geloof zou worden bekeerd. Dat lukte zoals bekend niet. Gorkum beleefde zijn laatste hoogtepunt in 1972, toen de protestantse koningin Juliana als gebaar van verzoening het 400-jarig jubileum mee herdacht. Sindsdien verminderde het aantal bedevaartgangers gestaag. De bloei van de bedevaart als protesttocht was definitief voorbij.

Bedevaarten in Nederland. Tot en met 11 januari 1998 in het Catharijneconvent Utrecht. Catalogus: ¿ 29,50.

Meer over