ColumnAaf Brandt Corstius

Onze auto wordt letterlijk door plakband bij elkaar gehouden

null Beeld

Ons laatste uitje was in november, naar de Efteling. We zagen daar de medewerkers kerstverlichting ophangen terwijl de NOS op onze telefoons piepte dat Alles Ging Sluiten. Het had iets van een tragisch sprookje.

Mijn hele gezin sprong dus dolenthousiast op toen mijn man zaterdag aankondigde dat we een uitje hadden. Hij had zijn oog op een nieuwe auto laten vallen, en daar konden we een proefrit in maken. Naar een garage op een industrieterrein in een andere stad: we hadden onze jassen al aan voordat hij zijn zin had afgemaakt.

Onze oude auto heeft een koosnaam, Meneer de Walvis, want hij is groot en grijs. Hij wordt door plakband bij elkaar gehouden, en als u denkt dat dat een leuke manier is om te omschrijven hoe oud hij is: nee. Hij wordt letterlijk door plakband bij elkaar gehouden. Stevig zwart gaffertape. Vanbinnen hebben we ander plakband gebruikt om de autoradio, die het niet doet, op zijn plek te houden: washitape, van dat leuke gekleurde Japanse plakband, voor de gezelligheid.

Op weg naar de autowinkel overviel me een diepe onzekerheid. ‘We gaan onze auto toch niet meteen inruilen, hè?’ Om me heen lag een in tien jaar opgebouwde collectie klokhuizen, lollystokjes, broodkorsten, koffiebekertjes en Donald Ducks, heel veel Donald Ducks. Ook zag ik mijn eigen oeuvre her en der liggen, want we gebruiken de auto als schuur voor de opslag van onze boeken.

Zoals een vriend die ooit op onze achterbank plaatsnam, zei: ‘Je kunt zien dat er in deze auto wordt geleefd.’

Nee, verzekerde mijn man me. Zo snel ging dat allemaal niet.

We mochten twintig minuten rondrijden in de nieuwe auto: glanzend, donkerblauw, zo hybride als ik weet niet wat, rook naar nieuw al was hij tweedehands. Geen plakband te bekennen. Op een ingebouwd scherm zag je hoe de auto zichzelf oplaadde als je remde, wat we allemaal niet konden bevatten.

‘Als we deze auto kopen, moeten we hem wel zo netjes houden als hij nu is’, zei mijn zoon. We knikten zwijgend.

‘Wat gebeurt er met Meneer de Walvis als we een nieuwe auto kopen?’, vroeg mijn dochter.

‘Daar krijgen we een paar tientjes voor en dan gaat hij per containerschip naar Afrika, en daar kunnen ze hem nog tientallen jaren gebruiken als taxi’, zei mijn man.

We waren terug op het industrieterrein. Daar stond Meneer de Walvis, met zijn accenten van plakband, in de regen op ons te wachten. Als hij nog jaren dienst kon doen als Afrikaanse taxi, waarom dan niet voor ons?

Ik denk dat we dat alle vier dachten toen we uit de donkerblauwe bolide stapten.

Meer over