ColumnSylvia Witteman

Onder de kattenfoto stond met grote letters: ‘Dit is Guus. Guus is NIET zielig’

null Beeld

Op de buitenmuur van de supermarkt hing een foto van een kat. Een knappe, cyperse kat met een nurks gezichtje. Ik word altijd zo bedroefd van die ‘kat kwijt’-berichtjes op de bomen en muren van de stad: de zoekers voegen, in hun wanhoop, allerlei bijzonderheden toe, zoals ‘Oswald/Mizzy/Finn/Kilo heeft een knikje in zijn staart en een zwart vlekje in zijn linkeroog, hij is nog nooit buiten geweest en erg schuw, mocht je hem zien, neurie dan zachtjes Greensleeves (de versie van Coltrane) en probeer hem voorzichtig te lokken met een stukje lauwe kabeljauw. Samsa/Lotus/Vosje/Pablo heeft dringend medicijnen nodig, we zijn RADELOOS.’

Als ik zoiets lees is mijn dag grondig verpest, maar met deze kat was iets heel anders aan de hand, bleek uit de begeleidende tekst. ‘Dit is Guus. Guus is NIET zielig’, stond er in grote letters onder zijn wrevelige snuitwerk. ‘Hij heeft een eigen huis. De dierenambulance komt NIET meer voor hem’, gevolgd door een telefoonnummer en de Engelse vertaling: ‘Guus is NOT lost’, etcetera.

Nu herkende ik hem ook. De buurtkat, die toeristen blikjes Sheba afbedelt bij de ingang van de supermarkt en stukjes zeetong schooit bij Bodega Keyzer aan de overkant. Hij is kerngezond en weldoorvoed, maar omdat hij geen bandje om zijn nek draagt, trapt iedereen erin: een zielige zwerver, denken ze. En dan bellen ze de dierenambulance. Maar zelfs aan het eindeloze geduld van de dierenambulance komt een eind: ze komen die volgevreten hosselaar Guus niet meer halen.

‘Een ambulance voor dieren?!’, zei een doorrookte mannenstem. ‘Bestaat dat echt?’ Naast me stond een zware, doorleefde man van de leeftijd van mijn vader, die in rochelend hoongelach uitbarstte. ‘En die komen voorrijden voor zo’n dakhaas?’, vervolgde hij, nog nahinnikend.

Ik knikte. De man schudde zijn vlezige hoofd. ‘In mijn tijd’, ging hij voort, ‘kreeg zo’n beest een restje aardappelkruim te vreten. En af en toe een rotschop. En dan maar muizen vangen, want daar zíjn ze voor. En de jongen werden verzopen, hupsakee, met een paar bakstenen in een juten zakkie de gracht in. Blub-blub. Merken ze niks van.’

Met stekende blauwe ogen keek hij naar de foto van Guus. ‘Guus is NIET zielig’, las hij smalend voor. ‘Guus heeft een eigen huis... Ja Guus wel, maar m’n kleinzoon niet. Die woont bij m’n dochter op zolder. Woningnood hè? Behalve dan voor de buitenlanders. En voor Guus. Dus dat beest loopt hier ergens rond? Als ik dat kreng in mijn vingers krijg...’

Met een nuffig ‘pardon’ maakte ik me los van deze proto-Archie Bunker en glipte de supermarkt in.

Als je dit leest, Guus: pas een beetje op.

Meer over