columnCindy Hoetmer

Ondanks een verlammende angst voor het woord ‘nee’, hield Cindy Hoetmer een verjaarsfeest

AFGEKOCHT Cindy Hoetmer Beeld Eva Roefs
AFGEKOCHT Cindy HoetmerBeeld Eva Roefs

Deze week houden de verjaarsgasten van Cindy zich niet aan de regels van de gastvrouw.

Vorig jaar vierde ik mijn verjaardag met slechts twee personen, waarvan er eentje al een fles wijn achter de kiezen had en niet echt meer aanspreekbaar was. We zaten angstvallig anderhalve meter uit elkaar, en het was niet erg feestelijk. Dit jaar waren er mogelijkheden, aangezien mijn vrienden en ik al lang en breed gevaccineerd waren. Ik was toe aan een feestje. Het is voor mij niet eenvoudig om feestjes te geven, zelfs niet op kleine schaal, door een aantal belemmerende eigenschappen en fobieën; mijn uitstelgedrag natuurlijk, waardoor ik pas krap een week van tevoren mensen begon uit te nodigen, en mijn verlammende angst voor het woord ‘nee’.

Dat laatste had ik opgelost door in de uitnodiging de genodigden te verbieden om af te bellen. Ze konden komen of niet, maar ik wilde er niets over horen. Omdat je zonder idee van het aantal aanwezigen niet weet hoeveel je moet inkopen, had ik gevraagd of ze, in plaats van een cadeau, iets te drinken wilden meebrengen. Ja, dat is armoedig, maar daar maal ik niet om. Zelf bestelde ik twintig kilo ijsblokjes om de meegebrachte drank te koelen, kocht ik zes stokbroden bij de Franse bakker en een mud hummus bij de supermarkt. Ik hing gekleurde lichtjes op. Misselijk wachtte ik totdat de bel zou gaan, vrezend dat niemand zou komen opdagen. Er zijn ergere dingen dan een zaterdagavond alleen door te brengen met vijf heerlijke stokbroden en tien ballonnen, maar het zou mijn ego verpletteren.

Uiteindelijk kwamen er mensen. En net zoals bij eerdere vieringen liepen die mensen direct door mijn tuin in. Het kleed in de huiskamer had ik opgerold en de stoelen opzij geschoven, want ik houd ervan om gezellig bij elkaar te staan en later op de avond dronken te dansen op jarennegentigmuziek. Helaas wil iedereen bij mij alleen maar in de tuin staan, want het is zomer en dan doe je dat. Dit is niet leuk voor de buren en ook niet voor mij. Zelf bleef ik binnen, met een enkeling die wel begrip had voor mijn situatie, of misschien waren ze allergisch voor muggen. Het feest buiten klonk gezellig druk. Af en toe kwam iemand iets aan me vragen.

‘Mag Marjan haar hond meenemen?’, werd er gevraagd.

‘Natuurlijk’, zei ik, want ben dol op honden. Mijn kat echter niet, maar die houdt ook niet van feestjes dus die was sowieso boos.

‘Het wordt donker. Kunnen we die gekleurde lichtjes niet beter in de tuin hangen?’, vroeg een vriendin.

‘Nee’, zei ik. ‘Kom gewoon naar binnen als het te donker is.’

Dat hielp niets.

Later stond dezelfde vriendin in de keuken op een stoel een rok van mij, die ze uit mijn kledingkast moest hebben gehaald, aan de lamp te bevestigen.

‘Wat doe je?’, vroeg ik. ‘Dat is niet zomaar een oud lapje, dat is mijn kleding.’

Ze gaf de rok terug en legde uit dat ze het licht te fel vond, daarop knoopte ze een stoffen supermarkttas om de lamp. In de huiskamer hing iemand zijn eigen telefoon aan mijn speaker, begon obscure Franse muziek te draaien en te dansen met zijn vrouw. Nu had ik gedeeltelijk mijn zin, maar was de muziek weer niet naar mijn smaak.

Om een uur of half 2 was iedereen weg, dat vond ik niet erg, want op een eerder feestje waren mensen eens tot 6 uur in de tuin blijven staan. Toen keken de buren wekenlang de andere kant op als ze me zagen aankomen. Pas na twee dagen kwam mijn kat weer naar binnen. Later vond ik in mijn vriesvak een ontploft flesje bier, van een ongeduldige bezoeker. Gelige brokken krokant ijs, en bruine glasscherven lagen tussen mijn etensvoorraad. Gelukkig was het alcoholvrij bier, dus mijn diepvriesdoperwten waren niet dronken geworden.

Meer over